Ik ben in de hemel

I am in heaven

Tag: narcisme

Ezechiël 17

De wijnstof en de twee arenden

1 En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
2 Mensenkind, stel een raadsel voor, en gebruik een gelijkenis tot het huis Israels,
3 En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Een arend, die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene veren had, kwam op den Libanon, en nam den oppersten tak van een ceder.
4 Hij plukte den top van zijn jonge takjes af, en bracht hem in een land van koophandel; hij zette hem in een stad van kooplieden.
5 Hij nam ook van het zaad des lands, en legde het in een zaadakker; hij nam het, hij zette het bij vele wateren met grote voorzichtigheid.
6 En het sproot uit, en werd tot een welig uitlopende wijnstok, [doch] nederig van stam, ziende met zijn takken naar hem, dewijl zijn wortelen onder hem waren. Zo werd hij tot een wijnstok, die ranken voortbracht en scheuten uitwierp.
7 Nog was er een grote arend, groot van vleugelen en overvloedig van vederen; en ziet, deze wijnstok voegde zijn wortelen naar denzelven toe, en wierp zijn takken tot hem uit, opdat hij hem bevochtigen zou naar de bedden zijner planting toe.
8 Hij was in een goede landouwe bij vele wateren geplant, om takken te maken en vrucht te dragen, opdat hij tot een heerlijken wijnstok worden mocht.
9 Zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Zal hij gedijen? Zal hij niet zijn wortelen uitrukken, en zijn vrucht afsnijden, dat hij droog worde? Hij zal aan al de bladeren van zijn gewas verdrogen; en dat niet door een groten arm, noch door veel volks, om dien van zijn wortelen weg te voeren.
10 Ja, ziet, zal hij geplant zijnde gedijen? Zal hij niet, als de oostenwind hem aanroert, gans verdrogen? Op de bedden van zijn gewas zal hij verdrogen.
11 Daarna geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
12 Zeg nu tot dat wederspannig huis: Weet gij niet, wat deze dingen zijn? Zeg: Ziet, de koning van Babel is [tot] Jeruzalem gekomen, en heeft haar koning genomen, en haar vorsten, en heeft ze tot zich gevoerd naar Babel.
13 Daartoe heeft hij van het koninklijk zaad genomen, en daarmede aeen verbond gemaakt, en heeft hem tot een eed gebracht, en de machtigen des lands heeft hij weggenomen;

a: Jer 34:18 En Ik zal de mannen overgeven, die Mijn verbond hebben overtreden, die niet bevestigd hebben de woorden des verbonds, dat zij voor Mijn aangezicht gemaakt hadden, met het kalf, dat zij in tweeen hadden gehouwen, en waren tussen zijn stukken doorgegaan:

14 Opdat het koninkrijk nederig zou zijn, zich niet verheffende, [en] dat het, zijn verbond houdende, bestaan mocht.
15 Maar hij rebelleerde tegen hem, zendende zijn boden in Egypte, bopdat men hem paarden en veel volks bestellen zou; zal hij gedijen? Zal hij ontkomen, die zulke dingen doet? Ja, zal hij het verbond breken en ontkomen?

b: Jer 37:5 En Farao’s heir was uit Egypte uitgetogen; en de Chaldeen, die Jeruzalem belegerden, als zij het gerucht van hen gehoord hadden, zo waren zij van Jeruzalem opgetogen).

16 [Zo] [waarachtig] [als] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo hij niet in de plaats des konings, die hem koning gemaakt heeft, wiens eed hij veracht, en wiens verbond hij gebroken heeft, bij hem in het midden van Babel zal sterven!
17 Ook zal Farao, door een groot heir en door menigte van [krijgs] vergadering, met hem in oorlog cniets uitrichten als men een dwal zal opwerpen, en als men esterkten bouwen zal, om vele zielen uit te roeien.

c: Jer 37:7 Zo zegt de HEERE, de God Israels: Zo zult gijlieden zeggen tot den koning van Juda, die u tot Mij gezonden heeft, om Mij te vragen: Ziet, Farao’s heir, dat u ter hulpe uitgetogen is, zal wederkeren in zijn land, in Egypte;

d: Eze 4:2 En maak een belegering tegen haar, en bouw tegen haar sterkten, en werp tegen haar een wal op, en stel legers tegen haar, en zet tegen haar stormrammen rondom.

e: 2Ko 25:1 En het geschiedde in het negende jaar zijner regering, in de tiende maand, op den tienden der maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn ganse heir, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom.
Isa 29:3 Want Ik zal een leger in het rond om u slaan, en Ik zal u belegeren met bolwerken, en Ik zal vestingen tegen u opwerpen.
Eze 4:2 En maak een belegering tegen haar, en bouw tegen haar sterkten, en werp tegen haar een wal op, en stel legers tegen haar, en zet tegen haar stormrammen rondom.

18 Want hij heeft den eed veracht, brekende het verbond, daar hij, ziet, zijn hand gegeven had; dewijl hij al deze dingen gedaan heeft, zal hij niet ontkomen.
19 Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: [Zo] [waarachtig] [als] Ik leef, zo Ik Mijn eed, dien hij veracht heeft, en Mijn verbond, dat hij gebroken heeft, datzelve niet op zijn hoofd geve!
20 En Ik zal Mijn fnet over hem uitspreiden, dat hij gegrepen zal worden in Mijn jachtgaren; en Ik zal daar met hem grechten [over] zijn overtreding, waardoor hij tegen Mij overtreden heeft.

f: Eze 12:13 Ik zal ook Mijn net over hem uitspreiden, dat hij in Mijn jachtgaren gegrepen worde; en Ik zal hem brengen in Babylonie, het land der Chaldeen; ook zal hij dat niet zien, hoewel hij daar sterven zal.
Eze 32:3 Alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal daarom Mijn net over u uitspreiden door een vergadering van vele volken; die zullen u optrekken in Mijn garen.

g: Jer 4:12 Er zal Mij een wind komen, die hun te sterk zal zijn. Nu zal Ik ook oordelen tegen hen uitspreken.
Jer 25:13 En Ik zal over dat land brengen al Mijn woorden, die Ik daarover gesproken heb; al wat in dit boek geschreven is, wat Jeremia geprofeteerd heeft over al deze volken.

21 Daartoe zullen al zijn vluchtelingen met al zijn benden door het hzwaard vallen, en de overgeblevenen zullen in alle winden iverstrooid worden; en gijlieden zult weten, dat Ik, de HEERE, gesproken heb.

h: Eze 16:40 Daarna zullen zij tegen u een vergadering doen opkomen, en zullen u met stenen stenigen, en u met hun zwaarden doorsteken.

i: Eze 5:10 Daarom zullen de vaders de kinderen eten in het midden van u, en de kinderen zullen hun vaderen eten; en Ik zal gerichten onder u oefenen, en zal al uw overblijfsel in alle winden verstrooien.
Eze 5:12 Een derde deel van u zal van de pestilentie sterven, en zal door honger in het midden van u te niet worden; en een derde deel zal in het zwaard vallen rondom u; en een derde deel zal Ik in alle winden verstrooien, en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.
Eze 12:14 En allen, die rondom hem zijn tot zijn hulp, en al zijn benden zal Ik in alle winden verstrooien; en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.

22 Alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal ook van den oppersten tak des hogen ceders nemen, dat Ik zetten zal; van het opperste zijner jonge takjes zal Ik een tederen afplukken, denwelken Ik op een hogen en verhevenen berg planten zal;
23 Op den berg der hoogte van Israel zal Ik hem planten; en hij zal takken voortbrengen, en vrucht dragen, en hij zal tot een heerlijken ceder worden, dat onder hem wonen zal alle gevogelte van allerlei vleugel; in de schaduw zijner takken zullen zij wonen.
24 Zo zullen alle bomen des velds weten, dat Ik, de HEERE, den hogen boom vernederd heb, den nederigen boom verdroogd, en den drogen boom bloeiende gemaakt heb; Ik, de HEERE, heb het gesproken, en zal het doen.

Updated: December 9, 2019 — 3:52 pm

Spreuken 15

Vruchten der wijsheid

1 Een azacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.

a: Spr 25:15 Een overste wordt door lankmoedigheid overreed; en een zachte tong breekt het gebeente.

2 De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; bmaar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.

b: Spr 12:23 Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
Spr 13:16 Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
Spr 15:28 Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de mond der goddelozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten.

cDe ogen des HEEREN zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden.

c: Job 34:21 Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.
Spr 5:21 Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.
Jer 16:17 Want Mijn ogen zijn op al hun wegen; zij zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen, noch hun ongerechtigheid verholen van voor Mijn ogen.
Jer 32:19 Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen der mensenkinderen, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijner handelingen.

dDe medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.

d: Spr 12:18 Daar is een, die woorden als steken van een zwaard onbedachtelijk uitspreekt; maar de tong der wijzen is medicijn.
Spr 13:14 Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.

5 Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
6 [In] het huis des rechtvaardigen is een grote schat; maar in des goddelozen inkomst is beroerte.
7 De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
eHet offer der goddelozen is den HEERE een gruwel; maar het gebed der oprechten is Zijn welgevallen.

e: Spr 21:27 Het offer der goddelozen is een gruwel; hoeveel te meer, als zij het met een schandelijk voornemen brengen!
Isa 1:11 Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers? zegt de HEERE; Ik ben zat van de brandoffers der rammen, en het smeer der vette beesten, en heb geen lust aan het bloed der varren, noch der lammeren, noch der bokken.
Jer 6:20 Waartoe zal dan de wierook voor Mij uit Scheba komen, en de beste kalmus uit verren lande? Uw brandofferen zijn Mij niet behagelijk, en uw slachtofferen zijn Mij niet zoet.
Amo 5:21 Ik haat, Ik versmaad uw feesten, en Ik mag uw verbods dagen niet rieken.

9 De weg der goddelozen is den HEERE een gruwel; maar dien, die de gerechtigheid najaagt, zal Hij liefhebben.
10 De tucht is onaangenaam voor dengene die het pad verlaat; [en] die de bestraffing haat, zal sterven.
11 fDe hel en het verderf zijn voor den HEERE; hoeveel te meer gde harten van des mensenkinderen?

f: Job 26:6 De hel is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf.

g: 2Kr 6:30 Hoor Gij dan uit den hemel, de vaste plaats Uwer woning, en vergeef, en geef een iegelijk naar al zijn wegen, gelijk Gij zijn hart kent; want Gij alleen kent het hart van de kinderen der mensen.
Psa 7:10 Laat toch de boosheid der goddelozen een einde nemen, maar bevestig den rechtvaardige, Gij, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God!
Psa 44:22 Zou God zulks niet onderzoeken? Want Hij weet de verborgenheden des harten.
Jer 17:9 Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?
Jer 17:10 Ik, de HEERE, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner handelingen.
Joh 2:24 Maar Jezus Zelf betrouwde hun Zichzelven niet, omdat Hij hen allen kende,
Joh 2:25 En omdat Hij niet van node had, dat iemand getuigen zou van den mens; want Hij Zelf wist, wat in den mens was.
Joh 21:17 Hij zeide tot hem ten derden maal: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derden maal tot hem zeide: Hebt gij Mij lief, en zeide tot Hem: Heere! Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid Mijn schapen.
Act 1:24 En zij baden en zeiden: Gij Heere! Gij Kenner der harten van allen, wijs van deze twee een aan, dien Gij uitverkoren hebt;

12 De spotter zal niet liefhebben, die hem bestraft; hij zal niet gaan tot de wijzen.
13 hEen vrolijk hart zal het aangezicht blijde maken; maar door de smart des harten wordt de geest verslagen.

h: Spr 17:22 Een blij hart zal een medicijn goed maken; maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen.
Spr 18:14 De geest eens mans zal zijn krankheid ondersteunen; maar een verslagen geest, wie zal dien opheffen?

14 Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
15 Al de dagen des bedrukten zijn kwaad; maar een vrolijk hart is een gedurige maaltijd.
16 iBeter is weinig met de vreze des HEEREN, dan een grote schat, en onrust daarbij.

i: Psa 37:16 Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.
Spr 16:18 Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val.

17 kBeter is een gerecht van groen moes, waar ook liefde is, dan een gemeste os, en haat daarbij.

k: Spr 17:1 Een droge bete, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van geslachte beesten met twist.

18 lEen grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.

l: Spr 28:25 Die grootmoedig is, verwekt gekijf; maar die op den HEERE vertrouwt, zal vet worden.
Spr 29:11 Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.

19 De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
20 mEen wijs zoon zal den vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder.

m: Spr 10:1 De spreuken van Salomo. Een wijs zoon verblijdt den vader; maar een zot zoon is zijner moeder droefheid.

21 nDe dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.

n: Spr 10:23 Het is voor den zot als spel schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid te plegen.
Spr 14:9 Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de oprechten is goedwilligheid.

22 oDe gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door veelheid der raadslieden zal elkeen bestaan.

o: Spr 11:14 Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid der raadslieden.

23 Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!
24 De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
25 pHet huis der hovaardigen zal de HEERE afrukken; maar de landpale der weduwe zal Hij vastzetten.

p: Spr 2:21 Want de vromen zullen de aarde bewonen, en de oprechten zullen daarin overblijven;
Spr 2:22 Maar de goddelozen zullen van de aarde uitgeroeid worden, en de trouwelozen zullen er van uitgerukt worden.
Spr 12:7 De goddelozen worden omgekeerd, dat zij niet meer zijn; maar het huis der rechtvaardigen zal bestaan.
Spr 14:11 Het huis der goddelozen zal verdelgd worden; maar de tent der oprechten zal bloeien.

26 qDes bozen gedachten zijn den HEERE een gruwel; maar der reinen zijn liefelijke redenen.

q: Spr 6:18 Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen;

27 rDie gierigheid pleegt, beroert zijn huis; maar die geschenken haat, zal leven.

r: Spr 1:19 Zo zijn de paden van een iegelijk, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen.

28 Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de mond der goddelozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten.
29 De HEERE is ver van de goddelozen; smaar het gebed der rechtvaardigen zal Hij verhoren.

s: Psa 10:17 HEERE! Gij hebt den wens der zachtmoedigen gehoord; Gij zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken;
Psa 34:18 Koph. De HEERE is nabij de gebrokenen van harte, en Hij behoudt de verslagenen van geest.
Psa 145:18 Koph. De HEERE is nabij allen, die Hem aanroepen, allen, die Hem aanroepen in der waarheid.
Psa 145:19 Resch. Hij doet het welbehagen dergenen, die Hem vrezen, en Hij hoort hun geroep, en verlost hen.

30 Het licht der ogen verblijdt het hart; teen goed gerucht maakt het gebeente vet.

t: Spr 25:25 Een goede tijding uit een ver land is als koud water op een vermoeide ziel.

31 Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.
32 Die de tucht verwerpt, die versmaadt zijn ziel; maar die de bestraffing hoort, krijgt verstand.
33 vDe vreze des HEEREN is de tucht der wijsheid; en de xnederigheid [gaat] voor de eer.

v: Spr 1:7 De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
Spr 9:10 De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand.

x: Spr 18:12 Voor de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat voor de eer.

Updated: November 22, 2019 — 8:56 am

Spreuken 14

Wijsheid in de levenswandel

1 Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.
aDie in zijn oprechtheid wandelt, vreest den HEERE; maar die afwijkt in zijn wegen, veracht Hem.

a: Job 12:4 Ik ben het, die zijn vriend een spot is, maar roepende tot God, Die hem verhoort; de rechtvaardige en oprechte is een spot.

3 In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
4 Als er geen ossen zijn, zo is de krib rein; maar door de kracht van den os is der inkomsten veel.
5 Een waarachtig bgetuige zal niet liegen; maar een vals getuige blaast leugens.

b: Exo 23:1 Gij zult geen vals gerucht opnemen; en stelt uw hand niet bij den goddeloze, om een getuige tot geweld te zijn.
Spr 12:17 Die waarheid voortbrengt, maakt gerechtigheid bekend; maar een getuige der valsheden, bedrog.

6 De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht.
7 Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt [bij] [hem] geen lippen der wetenschap merken.
8 De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
9 Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de oprechten is goedwilligheid.
10 Het hart kent zijn eigen bittere droefheid; en een vreemde zal zich met deszelfs blijdschap niet vermengen.
11 Het huis der goddelozen zal verdelgd worden; maar de tent der oprechten zal bloeien.
12 cEr is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.

c: Spr 16:25 Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.

13 Het hart zal ook in het lachen smart hebben; den het laatste van die blijdschap is droefheid.

d: Spr 5:4 Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.

14 Die afkerig van hart is, zal van zijn ewegen verzadigd worden; maar een goed man van zichzelven.

e: Spr 1:31 Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen.

15 De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
16 De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
17 Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
18 De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen.
19 De kwaden buigen voor het aangezicht der goeden neder, en de goddelozen voor de poorten des rechtvaardigen.
20 fDe arme wordt zelfs van zijn vriend gehaat; maar de liefhebbers des rijken zijn vele.

f: Spr 19:4 Het goed brengt veel vrienden toe; maar de arme wordt van zijn vriend gescheiden.
Spr 19:7 Al de broeders des armen haten hem; hoeveel te meer gaan zijn vrienden verre van hem! Hij loopt hen na met woorden, die niets zijn.

21 Die zijn naaste veracht, zondigt; maar die zich der nederigen ontfermt, die is welgelukzalig.
22 Dwalen zij niet, die kwaad stichten? gMaar weldadigheid en trouw is voor degenen, die goed stichten.

g: Luk 6:38 Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, neergedrukte, en geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met dezelfde maat, waarmede gijlieden meet, zal ulieden wedergemeten worden.

23 In allen smartelijke arbeid is overschot; maar het woord der lippen [strekt] alleen tot gebrek.
24 Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.
25 Een waarachtig getuige redt de zielen; maar die leugens blaast, is een bedrieger.
26 In de vreze des HEEREN is een sterk vertrouwen, en Hij zal Zijn kinderen een Toevlucht wezen.
27 hDe vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.

h: Spr 10:11 De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
Spr 13:14 Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.

28 In de menigte des volks is des konings heerlijkheid; maar in gebrek van volk is eens vorsten verstoring.
29 De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
30 Een gezond hart is het leven des vleses; maar nijd is verrotting der beenderen.
31 iDie den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; kmaar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem.

i: Spr 17:5 Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.

k: Spr 14:21 Die zijn naaste veracht, zondigt; maar die zich der nederigen ontfermt, die is welgelukzalig.

32 De goddeloze zal heengedreven worden in zijn kwaad; maar de rechtvaardige betrouwt [zelfs] in zijn dood.
33 lWijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.

l: Spr 10:14 De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
Spr 12:23 Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
Spr 13:16 Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.

34 Gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is een schandvlek der natien.
35 Het welbehagen des konings is over een verstandigen knecht; maar zijn verbolgenheid zal zijn [over] dengene, die beschaamd maakt.

Updated: November 22, 2019 — 8:54 am

Spreuken 13

Wijsheid en dwaasheid

1 Een wijs zoon [hoort] de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.
aEen ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld.

a: Spr 12:14 Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; en de vergelding van des mensen handen zal hij tot zich wederbrengen.

3 Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet.
4 De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden.
5 De rechtvaardige haat leugentaal; maar de goddeloze maakt zich stinkende, en doet zich schaamte aan.
bDe gerechtigheid bewaart den oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeren.

b: Spr 10:29 De weg des HEEREN is voor den oprechte sterkte; maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring.
Spr 11:3 De oprechtheid der oprechten leidt hen; maar de verkeerdheden der trouwelozen verstoort hen.
Spr 11:5 De gerechtigheid des oprechten maakt zijn weg recht; maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid.
Spr 11:6 De gerechtigheid der vromen zal hen redden; maar de trouwelozen worden gevangen in hun verkeerdheid.

cEr is een, die zichzelven rijk maakt, en niet met al [heeft], en een, die zichzelven arm maakt, en [heeft] veel goed.

c: Spr 12:9 Beter is, die zich gering acht, en een knecht heeft, dan die zichzelven eert, en des broods gebrek heeft.

8 Het rantsoen van ieders ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het schelden niet.
dHet licht der rechtvaardigen zal zich verblijden; emaar de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.

d: Spr 4:18 Maar het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe.

e: Job 18:5 Ja, het licht der goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.
Job 18:6 Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden.
Job 21:17 Hoe dikwijls geschiedt het, dat de lamp der goddelozen uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat God hun smarten uitdeelt in Zijn toorn!

10 Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.
11 Goed, van ijdelheid [gekomen], fzal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.

f: Spr 10:2 Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van den dood.
Spr 20:21 Als een erfenis in het eerste verhaast wordt, zo zal haar laatste niet gezegend worden.

12 gDe uitgestelde hoop krenkt het hart; maar de begeerte, die komt, is een boom des levens.

g: Spr 13:19 De begeerte, die geschiedt, is zoet voor de ziel; maar het is den zotten een gruwel van het kwade af te wijken.

13 Die het woord veracht, die zal verdorven worden; maar wie het gebod vreest, dien zal vergolden worden.
14 hDes wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.

h: Spr 10:11 De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
Spr 14:27 De vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.

15 Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.
16 Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot ibreidt dwaasheid uit.

i: Spr 12:23 Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
Spr 15:2 De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.

17 Een goddeloze bode zal in het kwaad vallen; maar een trouw gezant is medicijn.
18 Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geeerd worden.
19 De begeerte, die geschiedt, is zoet voor de ziel; maar het is den zotten een gruwel van het kwade af te wijken.
20 Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die der zotten metgezel is, zal verbroken worden.
21 Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar den rechtvaardige zal men goed vergelden.
22 De goede zal zijner kinders kinderen doen erven; maar het vermogen kdes zondaars is voor de rechtvaardige lweggelegd.

k: Job 15:29 Hij zal niet rijk worden, en zijn vermogen zal niet bestaan; en hun volmaaktheid zal zich niet uitbreiden op de aarde.

l: Job 27:17 Hij zal ze bereiden, maar de rechtvaardige zal ze aantrekken, en de onschuldige zal het zilver delen.

23 Het ploegen der armen [geeft] mveelheid der spijze; maar ndaar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel.

m: Spr 12:11 Die zijn land bouwt, zal van brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, is verstandeloos.

n: Spr 18:9 Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger.

24 Die zijn oroede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg [met] tuchtiging.

o: Spr 23:13 Weer de tucht van den jongen niet; als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven.

25 De rechtvaardige eet tot pverzadiging zijner ziel toe; maar de buik der goddelozen zal gebrek hebben.

p: Psa 34:11 Caph. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.
Psa 37:3 Beth. Vertrouw op den HEERE, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid.

Updated: November 22, 2019 — 8:52 am

Spreuken 12

De rechtvaardige en de goddeloze.

1 Wie de tucht liefheeft, die heeft de wetenschap lief; maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig.
2 De goede zal een welgevallen trekken van den HEERE; maar een man van schandelijke verdichtselen zal Hij verdoemen.
3 De mens zal niet bevestigd worden door goddeloosheid; amaar de wortel der rechtvaardigen zal niet bewogen worden.

a: Spr 10:25 Gelijk een wervelwind voorbijgaat, alzo is de goddeloze niet meer; maar de rechtvaardige is een eeuwige grondvest.

bEen kloeke huisvrouw is een kroon haars heren; maar die beschaamt maakt, is als verrotting in zijn beenderen.

b: 1Co 11:7 Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans.

5 Der rechtvaardigen gedachten zijn recht; der goddelozen raadslagen zijn bedrog.
cDe woorden der goddelozen zijn dom op bloed te loeren; maar de mond der oprechten zal ze redden.

c: Spr 1:11 Indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, ons versteken tegen den onschuldige, zonder oorzaak;
Spr 1:18 En deze loeren op hun eigen bloed, en versteken zich tegen hun zielen.

d: Spr 11:9 De huichelaar verderft zijn naaste door den mond; maar door wetenschap worden de rechtvaardigen bevrijd.

eDe goddelozen worden omgekeerd, dat zij niet [meer] zijn; maar het huis der rechtvaardigen zal bestaan.

e: Psa 37:36 Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.
Psa 37:37 Schin. Let op den vrome, en zie naar den oprechte; want het einde van dien man zal vrede zijn.
Spr 11:21 Hand aan hand zal de boze niet onschuldig zijn; maar het zaad der rechtvaardigen zal ontkomen.

8 Een ieder zal geprezen worden, naardat zijn verstandigheid is; maar die verkeerd van hart is, zal tot verachting wezen.
9 Beter is, die zich fgering acht, en een knecht heeft, dan die zichzelven eert, en des broods gebrek heeft.

f: Spr 13:7 Er is een, die zichzelven rijk maakt, en niet met al heeft, en een, die zichzelven arm maakt, en heeft veel goed.

10 De rechtvaardige gkent het leven van zijn beest; maar de barmhartigheden der goddelozen zijn wreed.

g: Deu 25:4 Een os zult gij niet muilbanden, als hij dorst.

11 hDie zijn land bouwt, zal van brood verzadigd worden; maar die ijdele [mensen] volgt, is verstandeloos.

h: Spr 28:19 Die zijn land bouwt, zal met brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, zal met armoede verzadigd worden.

12 De goddeloze begeert het net der bozen; maar de wortel der rechtvaardigen zal uitgeven.
13 iIn de overtreding der lippen is de strik des bozen; maar de rechtvaardige zal uit de benauwdheid uitkomen.

i: Spr 10:14 De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
Spr 18:7 De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.

14 kEen ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; en de vergelding van des mensen handen zal hij tot zich wederbrengen.

k: Spr 13:2 Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld.

15 lDe weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.

l: Spr 3:7 Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade.

16 De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.
17 mDie waarheid voortbrengt, maakt gerechtigheid bekend; maar een getuige der valsheden, bedrog.

m: Spr 14:5 Een waarachtig getuige zal niet liegen; maar een vals getuige blaast leugens.

18 nDaar is een, die [woorden] als steken van een zwaard onbedachtelijk uitspreekt; maar de tong der wijzen is medicijn.

n: Psa 57:5 Mijn ziel is in het midden der leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, welker tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.
Psa 59:8 Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het?
Spr 16:27 Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur.
Spr 13:16 Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.

19 Een waarachtige lip zal bevestigd worden in eeuwigheid; maar een valse tong is [maar] voor een ogenblik.
20 Bedrog is in het hart dergenen, die kwaad smeden; maar degenen die vrede raden, hebben blijdschap.
21 Den rechtvaardigen zal geen leed wedervaren; maar de goddelozen zullen met kwaad vervuld worden.
22 Valse lippen zijn den HEERE een gruwel; maar die trouwelijk handelen, zijn Zijn welgevallen.
23 oEen kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten proept dwaasheid uit.

o: Spr 15:2 De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.

p: Spr 13:16 Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
Spr 15:2 De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.

24 qDe hand der vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder cijns wezen.

q: Spr 10:4 Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.

25 rBekommernis in het hart des mensen buigt het neder; maar een goed woord verblijdt het.

r: Spr 15:13 Een vrolijk hart zal het aangezicht blijde maken; maar door de smart des harten wordt de geest verslagen.

26 De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste; maar de weg der goddelozen doet hen dwalen.
27 Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen.
28 In het pad der gerechtigheid is het leven; en [in] den weg [van] [haar] voetpad is de dood niet.

Updated: November 22, 2019 — 8:50 am
My CMS © 2018 Frontier Theme