Canada: Muslim stabs ex-girlfriend 40 times, slits her throat, shoots her for “taking ownership of her life”

“Calgary woman killed by ex was stabbed 40 times, shot twice, police reveal,” by Carly Stagg, CBC News, April 18, 2018 (thanks to The Religion of Peace):

Abderrahmane Bettahar was raised in a culture of violence that calls for the beating of disobedient women. The Qur’an says: “Men have authority over women because Allah has made the one superior to the other, and because they spend their wealth to maintain them. Good women are obedient. They guard their unseen parts because Allah has guarded them. As for those from whom you fear disobedience, admonish them and send them to beds apart and beat them.” (Qur’an 4:34)

And in a hadith, Aisha, Muhammad’s child bride, says that Muhammad “struck me on the chest which caused me pain, and then said: Did you think that Allah and His Apostle would deal unjustly with you?” (Sahih Muslim 2127) Read more

Updated: 23 april 2018 — 04:46

WEDERGEBOORTE – De hoop van Israël

De Leraar van Israël

In het beroemde nachtelijke gesprek tussen Nicodemus en de Heere Jezus doet de laatste een wet zeer markante uitspraak. Nadat Hij tot driemaal toe gesproken heeft over de wedergeboorte als noodzaak om het Koninkrijk Gods te zien of in te gaan, verwijt hij Nicodemus, dat deze niet bekend is met het begrip “wedergeboorte”:

” Zijt gij de (niet “een” maar “de”) leraar van Israël, en weet gij deze dingen niet? Joh.3: 10.

Daarna vervolgt Hij met:

” indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse zou zeggen?” Joh. 3:12.

Deze beide uitspraken zijn zeer omstreden.
Hoe kon Nicodemus iets bekend zijn over de wedergeboorte? Met welk recht maakt de Heiland de leraar van Israël dit verwijt? Wanneer wij eenvoudig een concordantie ter hand nemen, zullen wij zien, dat het de Heer Zelf is, Die voor de eerste maal het woord “wedergeboorte” bezigt. Dikwijls wil men ons dan doen geloven, dat de goede man helemaal niets kon weten omtrent de wedergeboorte.

Het is immers een nieuwe leer van de Heere Jezus! Wat Nicodemus dan nog wel wordt aangewreven is dat hij blijkbaar niet direct gehoor geeft aan de woorden van de Heiland. Toch zijn de woorden van de Heer heel duidelijk. Als de leraar van Israël wordt Nicodemus geacht de inhoud van het begrip wedergeboorte te kennen. Aan ons is dan ook niet de taak om te controleren of het verwijt van de Heer wel terecht is. Natuurlijk is het terecht! Onze taak is het, om te onderzoeken waar Nicodemus als schriftgeleerde in gebreke is gebleven! De vraag die blijft liggen is deze: Waar en hoe spreekt het Oude Testament over de wedergeboorte?
Want dat het dat doet blijkt zonder meer uit de woorden van de Heer Zelf!

Het andere moeilijke punt is, dat de Heer zegt gesproken te hebben over “aardse dingen” en “hemelse dingen”.
Waren er dan twee verschillende onderwerpen aan de orde? De Heer sprak toch alleen maar over de wedergeboorte? Inderdaad, er was slechts een enkel onderwerp aan de orde. Maar tot welke categorie moeten wij dit onderwerp rekenen? Behoort de wedergeboorte tot de aardse of tot de hemelse dingen? Mochten wij besluiten de wedergeboorte te rekenen onder de hemelse dingen, wat zijn dan de aardse? En wanneer wij de wedergeboorte rekenen tot de aardse dingen, welke zijn dan de hemelse?

Het antwoord op deze vragen is helaas niet erg bekend. Niet omdat het zo moeilijk te vinden is, maar omdat de vragen over het hoofd gezien worden! Een analyse van het gesprek tussen de Heere Jezus en Nicodemus in Joh. 3:1-21 leert ons, dat deze dialoog in feite in twee delen uiteenvalt. In het eerste deel zijn de Heer en Nicodemus beurtelings aan het woord. Nadat de Heer hem gewezen heeft op de noodzaak en het karakter van de wedergeboorte, vraagt Nicodemus in opperste verwarring:

“Hoe kunnen dezen dingen geschieden?” Joh. 3: 9.

Het is na deze vraag van Nicodemus, dat de Heer hem zijn onkunde verwijt met de woorden:

“Zijt gij de leraar van Israël, en weet gij deze dingen niet? Voorwaar voorwaar zeg Ik u: Wij spreken wat Wij weten en getuigen wat Wij gezien hebben; en gijlieden neemt Onze getuigenis niet aan”. Joh. 3: 10, 11.

Opvallend is, dat de Heer Zich over het hoofd van Nicodemus richt tot het volk Israël. Dit blijkt uit het woord “gijlieden”, dat immers een meervoudsvorm is. Hij verwijt Nicodemus en zijn leerlingen (“de leraar van Israël”) niet alleen dat zij niets weten over de wedergeboorte, maar ook dat zij Zijn getuigenis niet aannamen! Daarbij komt dan nog, dat de Heiland zegt te spreken wat Hij “weet” en te getuigen wat Hij “gezien” heeft. En desondanks nemen Nicodemus en het volk Zijn getuigenis niet aan. Met deze woorden suggereert de Heer, dat hetgeen Hij spreekt rechtstreeks afkomstig is uit het Oude Testament, waaruit Hij het “weet” en waarin Hij het “gezien” heeft. Maar daaruit konden ook Nicodemus en zijn leerlingen het “weten” en daarin konden zij het ook “gezien” hebben. Juist omdat de Heer Zich kan beroepen op het Joodse Oude Testament is Zijn verwijt aan hun adres gerechtvaardigd. Ze hadden het moeten weten. Of door de bestudering van de Schriften of door het “getuigenis” van de Heere Jezus.

Maar zelfs Zijn op de Schrift gefundeerde getuigenis werd niet geaccepteerd! Men geloofde Hem eenvoudig niet!
En vandaar de volgende uitspraak:

“Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse (dingen) zou zeggen?” Joh. 3:12.

De eerste helft van de dialoog werd in vers 11 besloten met de opmerking, dat Nicodemus het getuigenis van de Heere Jezus over de wedergeboorte niet aannam. Hij geloofde het dus ook niet! Wanneer nu vers 12 weer spreekt over dingen die door Nicodemus niet geloofd worden, blijken dat “aardse dingen” te zijn. De conclusie is dan, dat de wedergeboorte zoals die zojuist besproken was, en zoals Nicodemus die had moeten kennen, behoort tot de “aardse dingen”. De normale objectieve betekenis van deze woorden is, dat de Heer tot op dat moment slechts gesproken had over aardse dingen, die door zijn gehoor echter niet werden aangenomen. En dan volgt de grote wending in dit gesprek, als antwoord op de vraag: “Hoe kunnen deze dingen geschieden? De “leraar van Israël” doet er verder het zwijgen toe. Maar “de Leraar van God gekomen” spreekt verder en verklaart hoe een in zonde geboren sterveling door persoonlijke wedergeboorte een kind van God kan worden:

“Want alzo lief heeft God de wereld gehad. dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebben.” Joh. 3:16.

Het is een duidelijk antwoord: Wedergeboorte komt tot stand door geloof! Deze persoonlijke wedergeboorte door het geloof in de Heere is een Bijbelse waarheid, die Nicodemus zonder meer bekend had moeten zijn. De Heer verwijt Hem echter zijn onkunde, maar wijst hem er tevens op, dat het eeuwig leven als vrucht van de wedergeboorte, slechts ontvangen wordt door geloof:

“…..opdat een ieder, die in Hem gelooftÉ” Joh. 3:15, 16.

“Die in Hem gelooft wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft is alreeds veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in de Naam des eniggeboren Zoons van God.” Joh. 3:18.

Dat deze waarheid ook in het Oude Testament uitgebreid naar voren komt, hoop ik in het vervolg te laten zien. De vraag blijft echter: Zijn dit nu aardse of hemelse dingen? Het antwoord is in dit verband niet zo makkelijk te geven. In ieder geval moet het duidelijk zijn, dat de Heiland in zijn eerste uitspraken tot Nicodemus spreekt over de individuele wedergeboorte:

“Tenzij dat iemand… ” Joh. 3:3.

“Zo iemand niet…… ” Joh. 3:5.

En volgens vers 12 had de Heer slechts gesproken over “aardse dingen”. Daaruit volgt dan, dat de individuele wedergeboorte in ieder geval deel uitmaakt van de “aardse dingen”.

En zoals we later zullen zien, wordt deze persoonlijke wedergeboorte inderdaad in de profetieën genoemd in verband met Israëlieten, aan wie een eeuwige toekomst in het land der vaderen beloofd is! Want de Schrift leert, dat God de mens geschapen heeft om op de aarde te wonen. Wanneer nu de in zonde gevallen mens langs de weg van wedergeboorte weer verzoend wordt met god, verandert dat niet noodzakelijk iets aan zijn bestemming. God schiep de mens voor de aarde, en de verloste mens zal daarom ook inderdaad op de aarde wonen! Want laten we wel zijn, waarom denkt u dat God straks een nieuwe aarde maakt? Natuurlijk dient die nieuwe aarde ter bewoning door de verlosten. En natuurlijk neemt Israël onder die verlosten een vooraanstaande plaats in. Daarom behoort de wedergeboorte in ieder geval tot de aardse dingen. Of we daarbij denken aan de verlossing van zondaren of de collectieve opstanding van een hele natie, maakt daarbij niets uit.

Maar, zult u zeggen, gaat een wedergeboren mens dan niet naar de hemel? En daar komen we terecht bij de hemelse dingen. De zaak is namelijk, dat een gelovige in het algemeen in de eeuwigheid zal wonen op de nieuwe aarde. Doch er is een heel grote uitzondering! Die uitzondering betreft namelijk degenen, die tot geloof komen tijdens de periode waarin de Heer Zijn aangezicht voor Israël en de volkeren verbergt! Anders gezegd: Deze uitzondering betreft degenen, die als gelovigen leven onder de bedeling van de verborgenheid! Nadat Israël haar Messias verwierp verzamelt de Heer Zich een volk uit alle volkeren. Dit volk is de Gemeente, het lichaam van Christus. Allen, die deel uitmaken van dit verloste volk, zijn geroepen met een hemelse roeping. Zij hebben een hemels burgerschap. Zij verwachten uit de hemel hun Zaligmaker en zullen inderdaad de eeuwigheid doorbrengen in het land, dat de Heer hun beloofd heeft: de hemel. Het punt is dus, dat de mens slechts behouden wordt door wedergeboorte op grond van geloof. Dit behoud betekent in het algemeen, dat de wedergeborene in eeuwigheid zal wonen op de nieuwe aarde. Dat is de normale betekenis in verband met de “aardse dingen”. De uitzondering geldt echter voor de gelovigen uit de tijd tussen de eerste en de tweede komst van Christus. Zij worden behouden op precies dezelfde wijze: door wedergeboorte op grond van geloof. Maar hun toekomst is verschillend. Zij zien uit naar hun toekomst en erfenis in de hemel. Wel, dit zijn de hemelse dingen.

Deze hemelse dingen kon Nicodemus inderdaad niet weten. De gemeentelijke waarheden werden immers pas later door
de apostel Paulus geopenbaard. Zij maken deel uit van de grote “verborgenheid” of het “geheimenis”. Het verschil tussen deze “aardse dingen” en “hemelse dingen” is precies bepalend voor het grote onderscheid tussen Israël en de Gemeente als uitverkoren volken! Niet hun afkomst bepaalt dit verschil, want die is precies gelijk! Net als de gemeente nu, zal Israël straks verzameld worden uit alle volkeren. Het Israël, dat straks in het Messiaanse Rijk het beloofde land zal bezitten bestaat uit precies dezelfde soort mensen als de Gemeente. Allen zijn uit genade en door het geloof wedergeboren. Het verschil is slechts gelegen in de toekomstbestemming, en houdt verband met de vraag waartoe God hen uitverkoren heeft. En dan leert de Schrift, dat God Israël heeft uitverkoren voor de aarde, en de Gemeente voor de hemel. Met opzet ga ik hier niet dieper op deze zaak in. Mijn onderwerp is niet de Gemeente of de Eschatologie, maar de wedergeboorte. Waar het hier om gaat is, dat de wedergeboorte zowel aardse als hemelse gevolgen kan hebben, afhankelijk van de bedeling waarin die wedergeboorte tot stand kwam.

Maar hoe zullen wij de hemelse dingen begrijpen als we de aardse niet eerst begrijpen? Want wedergeboorte vanuit het Oude Testament behoort tot de aardse dingen. Het maakte geen deel uit van de Verborgenheid. Wedergeboorte is dus niet iets wat uitsluitend met de gemeente te maken heeft. Wedergeboorte is de weg van een oude schepping naar een nieuwe, en is daarom fundamenteel voor een juist begrip van Gods weg met een gevallen wereld. En dat had Nicodemus moeten weten. Lees verder

Updated: 23 april 2018 — 04:06

Genesis 3

De zondeval

Gen 3:1 De slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de HEERE God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs?
Gen 3:2 En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der bomen dezes hofs zullen wij eten;
Gen 3:3 Maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft.
Gen 3:4 Toen zeide de slang atot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven;

a) 2Co 11:3 Doch ik vrees, dat niet enigszins, gelijk de slang Eva door haar arglistigheid bedrogen heeft, alzo uw zinnen bedorven worden, om af te wijken van de eenvoudigheid, die in Christus is.

Gen 3:5 Maar bGod weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.

b) Joh 8:44 Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen.

Gen 3:6 En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, cen hij at.

c) Rom 5:12 Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.
Rom 5:13 Want tot de wet was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is.
Rom 5:14 Maar de dood heeft geheerst van Adam tot Mozes toe, ook over degenen, die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding van Adam, welke een voorbeeld is Desgenen, Die komen zou.
Rom 5:15 Doch niet, gelijk de misdaad, alzo is ook de genadegift, want indien, door de misdaad van een, velen gestorven zijn, zo is veel meer de genade God, en de gave door de genade, die daar is van een mens Yahushua Christus, overvloedig geweest over velen.
1Ti 2:14 En Adam is niet verleid geworden; maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest.

Gen 3:7 Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij dnaakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten.

d) Gen 2:25 En zij waren beiden naakt, Adam en zijn vrouw; en zij schaamden zich niet.

Gen 3:8 En zij hoorden de stem van den HEERE God, wandelende in den hof, aan den wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht van den HEERE God, in het midden van het geboomte des hofs.
Gen 3:9 En de HEERE God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij?
Gen 3:10 En hij zeide: Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde; want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.
Gen 3:11 En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van dien boom gegeten, van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt?
Gen 3:12 Toen zeide Adam: De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb gegeten.
Gen 3:13 En de HEERE God zeide tot de vrouw: Wat is dit, dat gij gedaan hebt? En de vrouw zeide: eDe slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten.

e) Rev 12:13 En toen de draak zag, dat hij op de aarde geworpen was, zo heeft hij de vrouw vervolgd, die het manneken gebaard had.

Gen 3:14 Toen zeide de HEERE God tot die slang: Dewijl gij dit gedaan hebt, zo zijt gij vervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte des velds! Op uw buik zult gij gaan, en stof zult gij eten, al de dagen uws levens.
Gen 3:15 En Ik zal fvijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; gdatzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.

f) Mat 4:1 Toen werd Yahushua van den Ruah weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel.

g) Col 2:15 En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd.

Gen 3:16 Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uwer dracht; met smart zult gij kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, hen hij zal over u heerschappij hebben.

h) 1Co 14:34 Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt.
1Ti 2:11 Een vrouw late zich leren in stilheid, in alle onderdanigheid.
1Ti 2:12 Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij.
Tit 2:5 Matig te zijn, kuis te zijn, het huis te bewaren, goed te zijn, haar eigen mannen onderdanig te zijn, opdat het Woord God niet gelasterd worde.
1Pe 3:6 Gelijk Sara aan Abraham gehoorzaam is geweest, hem noemende heer, welker dochters gij geworden zijt, als gij weldoet, en niet vreest voor enige verschrikking.

Gen 3:17 En tot Adam zeide Hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw, en van dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten; zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens.
Gen 3:18 Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en gij zult het kruid des velds eten.
Gen 3:19 In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren.
Gen 3:20 Voorts noemde Adam den naam zijner vrouw Heva, omdat zij een moeder aller levenden is.
Gen 3:21 En de HEERE God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, en toog ze hun aan.
Gen 3:22 Toen zeide de HEERE God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en neme ook van den boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid.
Gen 3:23 Zo verzond hem de HEERE God uit den hof van Eden, om den aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was.
Gen 3:24 En Hij dreef den mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens.

Updated: 23 april 2018 — 03:48

WEDERGEBOORTE – Het Nieuwe Leven

De functie van de oude natuur

In de brochure “Wedergeboorte, de weg er naar toe” hebben wij gezien, dat de natuurlijke mens door zijn geboorte uit Adam een zondaar is, en daarom ongeschikt voor het koninkrijk Gods ( 1 Kor. 15 : 50 ) Wat nodig is, is dat de zondaar in ieder geval verlost wordt van zijn oorspronkelijke afstamming en opnieuw verwekt of geboren wordt, waardoor hij een nieuwe natuur ontvangt. Deze verlossing van de oude natuur is voor ons, die geloven in het verzoenend sterven van de Here Jezus een heerlijk feit, omdat wij weten, dat “onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde..” (Rom. 6: 6.) Deze voor God gestorven zondaar ontvangt echter tevens met Christus nieuw leven, omdat de opstanding van Christus, evenals Zijn sterven, in onze plaats was. Zijn opstanding is daarom ook onze opstanding.

Wij zijn dan met Hem begraven, door de doop in de dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden. Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding…. Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven. ” (Rom. 6: 4, 5, 8).

Heel dikwijls worden deze verzen alleen van toepassing gebracht op de nog toekomstige lichamelijke opstanding, omdat er gebruik gemaakt wordt van het woord “zullen”. Dit woord wijst echter niet op de toekomst, maar op een conclusie, die hier door Paulus getrokken wordt. Wie met Christus gekruisigd wordt moet vanzelfsprekend ook met Hem levend gemaakt worden. Dat dit al gebeurd is blijkt uit de volgende verzen:

Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem. Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt (niet: zult zijn) in Christus Jezus, onze Here.” (Rom. 6: 9-11)

Reeds in deze tegenwoordige tijd zijn wij met Hem opgewekt. Zo leert Paulus het ook in Ef. 2 : 4-6: “Maar God… heeft ons levend gemaakt met Christus… en heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in de hemel in Christus Jezus.” Het is deze opstanding, die, zoals wij hebben laten zien, volkomen gelijk is aan wedergeboorte. Dit bleek ook uit de woorden van Petrus, die zegt, dat “.. de God en Vader van onze Here Jezus Christus.. ons heeft wedergeboren…door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. “

(1 Petr. 1 : 3). Het is dan ook heel goed mogelijk, om het woord wedergeboorte, in alle schriftplaatsen waar het voorkomt, te vervangen door opstanding. Zo kunnen wij in Joh. 3 : 3 ook lezen: “Tenzij dat iemand met Christus opgewekt worde, hij kan het koninkrijk Gods niet zien”, en in vers 5: “Zo iemand niet met Christus opgewekt worde, hij kan het koninkrijk Gods niet ingaan. “

Dat de Bijbel twee totaal verschillende woorden voor eenzelfde gebeurtenis gebruikt, is natuurlijk niet zonder betekenis; beide woorden werpen ieder een ander licht op dezelfde zaak. Bij zowel geboorte als opstanding ontstaat leven, maar bij geboorte ontstaat iets volkomen nieuws, terwijl opstanding de voortzetting suggereert van iets, dat al bestaan heeft. Beide woorden wijzen dus op een verschillende oorsprong van dat wat geboren of opgewekt wordt. Zoals we reeds eerder gezien hebben bij de bestudering van het woord wedergeboorte als zodanig, wijst wedergeboorte op de Heilige Geest als de Verwekker van wat geboren wordt, terwijl opstanding wijst op de voortzetting van het oorspronkelijk van Adam ontvangen leven, Het nieuwe leven, dat voortgebracht wordt, heeft net als het leven van de oude schepping een dubbele oorsprong.

Om dit te begrijpen is het goed ons nog eens bezig te houden met wat er gebeurt met de tarwekorrel, die in de aarde moet vallen en sterven, om vrucht te dragen (Joh. 12 :24). De tarwekorrel is in staat om nieuwe vruchten voort te brengen,maar kan dat alleen, wanneer hij gezaaid wordt en sterft. Wanneer de nieuwe halmen uit de grond opkomen, kunnen we met recht zeggen, dat de tarwekorrel nieuw leven heeft voortgebracht; maar met evenveel recht kunnen we zeggen, dat de aarde heeft voortgebracht. “En de aarde bracht voort grasscheutjes …. “ (Gen. 1 : 12).

Ook in verband met de tarwekorrel vinden we dus twee bronnen van leven! Verder wordt er van de tarwekorrel gezegd, dat hij moet sterven, zodat het volkomen terecht is om te spreken van opstanding, wanneer die gestorven en begraven tarwekorrel toch weer leven voortbrengt! Aarde en zaadkorrel brengen door hun vereniging samen nieuw leven voort, waarbij de zaadkorrel het mannelijk element vertegenwoordigt en de aarde (“moeder-aarde”) het vrouwelijke. Dit principe is van toepassing op de oude schepping, juist omdat de oude schepping een type is van de nieuwe.Dat de nieuwe natuur eensdeels wordt voortgebracht door de oude, komt wel zeer sterk tot uitdrukking in de geboorte van de Heiland Zelf. Hij was de “Eersteling dergenen, die ontslapen zijn” (1 Kor. 15 : 20) omdat Hij als Eerste uit de doden opstond en daarmee het Hoofd werd van de nieuwe schepping. Daarom is Hij ook de Eerste, Die wedergeboren werd. Zo zegt Paulus in Kol. 1 – 18 dat Hij is “de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn”. Zijn opstanding is immers onze wedergeboorte en daaruit volgt, dat wij Zijn opstanding met recht ook Zijn wedergeboorte mogen noemen! Nu is het merkwaardig, dat de Heer vóór Zijn sterven en opstanding alleen genoemd werd bij de naam Jezus. Dat was de naam, die Hij bij Zijn geboorte ontving en het was daarom de naam van Zijn oude (hoewel zondeloze) natuur. Eerst na Zijn opstanding wordt Hij terecht Christus genoemd.

Wanneer wij nu het geslachtsregister van de Here Jezus uit Matt. 1 bestuderen, dan zien wij, dat dit wordt onderverdeeld in drie groepen van veertien generaties. Vele bijzonderheden zouden daarover te vertellen zin, maar het gaat ons in dit verband slechts om de laatste groep van veertien, die samengevat wordt in vers 17: “… van de Babylonische overvoering (ballingschap) tot Christus zijn veertien geslachten“. Deze groep begint in vers 12 te tellen vanaf de ballingschap: “En na de Babylonische overvoering gewon Jechonias Salathiël …. “ Nu blijkt uit dit en het voorgaande vers (vs. 11), dat deze Jechonias al geboren was ver voor het eind van de ballingschap, zodat niet hij de eerste generatie na de ballingschap was. De eerste, van wie gezegd wordt, dat hij na de ballingschap werd geboren, was Salathiël! Hij is dus de eerste van de laatste groep van veertien generaties. Tellen we nu verder door, dan blijkt, dat Jozef de twaalfde is en Jezus niet de veertiende maar de dertiende! Op het eerste gezicht komt deze telling dus niet uit.

De zaak is echter, dat vers 17 niet spreekt over veertien geslachten tot Jezus, maar over veertien geslachten tot Christus! Als vers 16 zegt: “En Jakob gewon Jozef, de man van Maria, uit welke geboren is Jezus, gezegd Christus”, dan is Jakob de elfde; Jozef de twaalfde; Jezus de dertiende; en Christus de veertiende! Dat komt precies overeen met wat zo nadrukkelijk in vers 17 gezegd wordt. Dit merkwaardige verschijnsel maakt zonder meer duidelijk, dat Jezus en Christus in zekere zin verschillende generaties zijn! Aangezien de ene generatie de andere voortbrengt, wordt hier dus gesteld, dat Jezus de Christus heeft voortgebracht. De oude mens bracht de nieuwe mens voort! Dat dit hier gebeurde door de opstanding van Jezus, Die sindsdien de Christus is en ook zo genoemd behoort te worden, is zonneklaar. Tussen de oude en de nieuwe mens bestaat blijkbaar een generatiekloof, terwijl beiden eigenlijk toch een eenheid vormen. Daarom worden de namen Jezus en Christus zo dikwijls gekoppeld. Jezus en Christus zijn in Wezen dezelfde Persoon, maar toch is er verschil. Hij werd eerst geboren als Jezus en wedergeboren als Christus. Nu kan men alleen spreken van “weder”, als het over dezelfde persoon gaat; maar door de verschillende aard van beide geboorten ontstaan in principe twee verschillende soorten leven.

Een persoon openbaart zich in twee levens, waarvan de ene, zoals gezegd, “psuche” genoemd wordt, en de andere “zoë“. Het eerste is vlees, het andere is geest. Precies zo is het bij een wedergeboren mens. Hij heeft twee soorten leven in dat ene lichaam. Het ene is vlees; het andere is geest. Het ene is sterfelijk; het andere is eeuwig. Maar bovenal is het waar, dat het nieuwe leven wordt verwekt in het oude, zodat de oude natuur de rol vervult van de moeder, in wie het zaad van het nieuwe leven openbaar wordt. Dat daartoe de oude mens de Heilige Geest, als de Verwekker in zich moet ontvangen is vanzelfsprekend. Dat is de weg, die de Schepper voor elke voortplanting bepaald heeft!

Lees verder

Updated: 22 april 2018 — 16:07

Genesis 2

De zevende dag geheiligd.

Gen 2:1 Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun heir.
Gen 2:2 aAls nu God op den zevenden dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op den zevenden dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.

a) Exo 20:11 Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven.
Exo 31:17 Hij zal tussen Mij en tussen de kinderen Israels een teken in eeuwigheid zijn; dewijl de HEERE, in zes dagen, den hemel en de aarde gemaakt, en op den zevenden dag gerust en Zich verkwikt heeft.
Deu 5:14 Maar de zevende dag is de sabbat des HEERE, uws God; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw os, noch uw ezel, noch enig van uw vee, noch de vreemdeling, die in uw poorten is; opdat uw dienstknecht, en uw dienstmaagd ruste, gelijk als gij.
Heb 4:4 Want Hij heeft ergens van den zevenden dag aldus gesproken: En God heeft op den zevenden dag van al Zijn werken gerust.

Gen 2:3 En God heeft den zevenden dag gezegend, en heiligde; omdat Hij op denzelven gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen had, om te volmaken.

De schepping van den mens.

Gen 2:4 Dit zijn de geboorten des hemel en der aarde, als zij geschapen werden; ten dage als de HEERE God de aarde en den hemel maakte.
Gen 2:5 En allen struik des velds, eer hij in de aarde was, en al het kruid des velds, eer het uitsproot; want de HEERE God had niet doen regenen op de aarde, en er was geen mens geweest, om den aardbodem te bouwen.
Gen 2:6 Maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde den gansen aardbodem.
Gen 2:7 En de HEERE God had den mens geformeerd uit het bstof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens ctot een levende ziel.

b) 1Co 15:47 De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de HEERE uit den hemel.
Gen 2:8 Ook had de HEERE God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde aldaar den mens, dien Hij geformeerd had.

c) 1Co 15:45 Alzo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel; de laatste Adam tot een levendmakenden Ruah.

Gen 2:9 En de HEERE God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht, en goed tot spijze; en dden boom des levens in het midden van den hof, en de boom der kennis des goeds en des kwaads.

d) Rev 2:7 Die oren heeft, die hore wat de Ruah tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs God is.

Gen 2:10 En een rivier was voortgaande uit Eden, om dezen hof te bewateren; en werd van daar verdeeld, en werd tot vier hoofden.
Gen 2:11 De naam der eerste rivier is Pison; deze is het, die het ganse land van Havila omloopt, waar het goud is.
Gen 2:12 En het goud van dit land is goed; daar is ook bedolah, en de steen sardonix.
Gen 2:13 En de naam der tweede rivier is Gihon; deze is het, die het ganse land Cusch omloopt.
Gen 2:14 En de naam der derde rivier is Hiddekel; deze is gaande naar het oosten van Assur. En de vierde rivier is Frath.
Gen 2:15 Zo nam de HEERE God den mens, en zette hem in den hof van Eden, om dien te bouwen, en dien te bewaren.
Gen 2:16 En de HEERE God gebood den mens, zeggende: Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten;
Gen 2:17 Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.

Het huwelijk.

Gen 2:18 Ook had de HEERE God gesproken: Het is niet goed, dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulpe maken, die als tegen hem over zij.
Gen 2:19 Want als de HEERE God uit de aarde al het gedierte des velds, en al het gevogelte des hemel gemaakt had, zo bracht Hij die tot Adam, om te zien, hoe hij ze noemen zou; en zo als Adam alle levende ziel noemen zoude, dat zou haar naam zijn.
Gen 2:20 Zo had Adam genoemd de namen van al het vee, en van het gevogelte des hemel, en van al het gedierte des velds; maar voor den mens vond hij geen hulpe, die als tegen hem over ware.
Gen 2:21 Toen deed de HEERE God een diepen slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hij nam een van zijn ribben, en sloot derzelver plaats toe met vlees.
Gen 2:22 En de HEERE God bouwde de ribbe, die Hij evan Adam genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot Adam.

e) 1Co 11:8 Want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw is uit den man.

Gen 2:23 Toen zeide Adam: Deze is ditmaal fbeen van mijn benen, en vlees van mijn vlees! Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit den man genomen is.

f) Mal 2:14 Gij nu zegt: Waarom? Daarom dat de HEERE een Getuige geweest is, tussen u en tussen de huisvrouw uwer jeugd, met dewelke gij trouwelooslijk handelt; daar zij toch uw gezellin, en de huisvrouw uws verbonds is.
Eph 5:30 Want wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen.
Eph 5:31 Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen; en zij twee zullen tot een vlees wezen.

Gen 2:24 gDaarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; hen zij zullen tot een vlees zijn.

g) Mat 19:5 En gezegd heeft: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot een vlees zijn;
Mar 10:7 Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen;
Eph 5:31 Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen; en zij twee zullen tot een vlees wezen.

h) 1Co 6:16 Of weet gij niet, dat die de hoer aanhangt, een lichaam met haar is? Want die twee, zegt Hij, zullen tot een vlees wezen.
Eph 5:28 Alzo zijn de mannen schuldig hun eigen vrouwen lief te hebben, gelijk hun eigen lichamen. Die zijn eigen vrouw liefheeft, die heeft zichzelven lief.
Eph 5:29 Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt het, en onderhoudt het, gelijkerwijs ook de HEERE de Gemeente.

Gen 2:25 En zij waren beiden inaakt, Adam en zijn vrouw; en zij schaamden zich niet.

i) Gen 3:7 Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten.

Updated: 22 april 2018 — 15:18

WEDERGEBOORTE – De weg er naar toe

Het woord wedergeboorte

Hoewel wedergeboorte als begrip door de gehele Bijbel voorkomt, en in zekere zin zelfs het centrale onderwerp van de Schrift is, wordt het woord zelf slechts zes maal genoemd. De overige keren, dat wedergeboorte bedoeld wordt, wordt een andere omschrijving gebruikt. Dan “vinden we termen als: uit God, uit de Geest, naar de Geest of uit Hem geboren worden.

Wedergeboorte vinden we in Matth. 19: 28 en Tit. 3 : 5 als de vertaling van het Griekse zelfstandig naamwoord “paligenesia”.

Wedergeboren worden of wederbaren komt voor in 1 Petr. 1:3 en 23 als de vertaling van het werkwoord “ana”gennao”, en in Joh. 3 : 3 en 7 als vertaling van “gennao”anothen”.

Voor alle duidelijkheid zetten wij dit hieronder in een overzicht:

(weder)geboorte = (pali)genesia; Matth. 19:28; Tit. 3:5.

(weder)geboren worden = (ana)gennao; 1 Petr. 1:3 en 23.

(wederom)geboren worden = gennao(anothen); Joh. 3:3 en 7.

Het werkwoord “gennao“, dat duidelijk de grondvorm van deze uitdrukkingen is, en waarvan het zelfstandig naamwoord “genesia” werd afgeleid, heeft echter een veel ruimere betekenis dan ons “geboren worden”. In het algemeen betekent het “maken” of “scheppen”, “produceren” dus. In alle voorkomende gevallen is “gennao” tot tevredenheid te vertalen met “voortbrengen” zodat dit laatste woord in feite de meest juiste vertaling is.

Gennao is dus voortbrengen, maar het zegt niets over de wijze waarop wordt voortgebracht. Of het betrekking heeft op het ambachtelijk produceren of het geslachtelijk voortbrengen, de voortplanting, kan slechts blijken uit het gezinsverband. Wanneer het betrekking heeft op de voortplanting (er wordt een persoon voortgebracht) en de voortbrenger is een vrouw, dan wordt gennao vertaald met baren (b.v. in Luk. 1 : 13) Is daarentegen in hetzelfde geval de voortbrenger een man, dan wordt gennao vertaald met gewinnen of verwekken (b.v. Matth. 1: 2 e.v.)

Deze twee mogelijkheden komen ook nadrukkelijk naar voren in het gesprek tussen de Heer en Nicodemus. Wanneer de Heer spreekt over wedergeboren worden, vat Nicodemus dat op als een vrouwelijke activiteit. “Kan hij ook andermaal in zijner moeders buik ingaan, en geboren (gennao) worden?” Maar het antwoord, dat hij krijgt luidt: ”Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan.” De Heer had hier niet een vrouwelijke, maar een mannelijke activiteit op het oog; geboren worden uit de Geest. Geest is per definitie altijd mannelijk, maar bovendien verdwijnt daarover alle twijfel, wanneer wij ons realiseren, dat hier gesproken wordt over de Geest van God, die toch moeilijk vrouwelijk genoemd kan worden. Strikt genomen zou “gennao” hier dus vertaald moeten zijn met “verwekken”, maar dan zou het onbegrijpelijk worden, waarom Nicodemus aan de moeder dacht, in plaats van de vader. Dit zelfde verschijnsel treedt overigens ook op in 1 Petrus1: 3. De Statenvertaling zegt daar, dat “… de God en Vader van onze Heere Jezus Christus ons heeft wedergeboren. De voortbrenger is hier mannelijk, zodat eigenlijk vertaald zou moeten worden zijn met “verwekken”: “… ons heeft verwekt…” dat is het werk van de Vader. Maar als het daadwerkelijk vertaald zou zijn met verwekken, zouden wij onmiddellijk het verband zien met de woorden van de Heer tot Nicodemus missen. In het Nederlands lijkt het dan alsof daar over een heel ander onderwerp gesproken wordt. Daarom is het toch vertaald met “geboren worden”. Meer recente Nederlandse vertalingen hebben dit probleem opgelost, door te vertalen met “… deed geboren worden…” Hierbij wordt “verwekken” min of meer synoniem verklaard met “doen geboren worden”. Gennao kan dus vertaald worden zowel met verwekken als met baren, omdat het eigenlijk van toepassing is op het gehele wordingsproces van de mens, vanaf de bevruchting tot en met de bevalling. Indien dit waar is voor de natuurlijke geboorte, dan is dit ook zeker van toepassing op de wedergeboorte, waarin trouwens eveneens een “mannelijk” en een “vrouwelijk” aandeel valt te onderscheiden.

Om uit te drukken, dat deze geboorte een tweede geboorte is, maakt de Bijbel, zoals wij gezien hebben, gebruik van drie verschillende bijwoorden. De eerste hiervan is het voorvoegsel “pali“, dat afgeleid is van ” palin”. Dit woord drukt herhaling van een beweging uit, maar bovendien ook een tegenstelling. Het kan daarom vertaald worden met ”opnieuw”, maar dikwijls ook met “daarentegen” Wanneer in de Bijbel dus sprake is van “paligenesia”, gaat het over de herhaling van een geboorte, maar het drukt tevens uit, dat deze tweede geboorte verschillend is van de eerste. Zoals we zullen zien, wordt dit verschil bepaald, doordat de ouders bij de tweede geboorte anderen zijn, dan bij de eerste geboorte, en daaruit volgt dan weer, dat ook datgene, wat als tweede verschijnt, fundamenteel verschilt van wat als eerste in de wereld geboren wordt. “Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke” (1 Kor. 15: 46) Dit is op zichzelf een principe, dat we in de hele Bijbel terug vinden. Het heeft alles te maken met de vele kwesties over eerstgeboorterecht, dat bij herhaling gegeven werd aan de tweede in plaats van de eerste. Steeds wanneer dit in de Bijbel voorkomt is het een heenwijzing naar dit beginsel, dat zijn vervulling vindt in de wedergeboorte. Niet het natuurlijke, dat het eerst geboren wordt, ontvangt het eerstgeboorterecht, maar het tweede, dat geestelijk is en wordt voortgebracht door de wedergeboorte.

“Paligenesia” is dus de herhaling van een geboorte, en het wordt correct vertaald met “wedergeboorte”. Zuiver taalkundig is er geen enkele noodzaak om een andere uitdrukking voor hetzelfde verschijnsel te gebruiken. Dat de Bijbel desondanks toch twee andere bijwoorden in dit verband bezigt, kan alleen betekenen, dat deze twee bijwoorden met nadruk nog meer licht werpen op het karakter van de wedergeboorte.

Het meest bekende van die twee is “anothen“, dat de Heere Jezus uitspreekt in Zijn gesprek met Nicodemus in Joh. 3. Om onderscheid te maken wordt het daar vertaald met “wederom” i.p.v. “weder”. Toch is dit slechts een zeer oppervlakkige vertaling. De meest juiste vinden wij in Joh. 19:11: “Gij zoudt geen macht hebben tegen Mij, indien het u niet “van boven” gegeven ware. ” Hier wordt “anothen” vertaald met “van boven”, terwijl uit dit vers duidelijk blijkt, dat dit “boven” de hemel is, en overdrachtelijk is het God Zelf: “Gij zoudt geen macht hebben tegen Mij, indien het u niet “van God” gegeven ware. ” Anothen is dus niet slechts “wederom”, niet een eenvoudige herhaling, maar het wijst bovendien naar de oorsprong, de oorzaak der dingen.

Die betekenis heeft het dus ook in Luk. 1 : 3: “…. hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzocht… “. Lukas had de geschiedenis van de Heere Jezus inderdaad “opnieuw” en “van voren” onderzocht. Het was een “opnieuw”, omdat hij niet de eerste was, die dit ondernam, en het was “van voren” omdat hij van alle evangelisten de meeste nadruk legt op de geschiedenis van de menselijke geboorte van de Heiland. Maar “anothen” wijst hier bovenal op de oorsprong en bron van zijn onderzoekingen: de Heilige Geest of God Zelf. Het evangelie van Lukas heeft dan ook zeer terecht een plaats gevonden tussen de canonieke boeken van het Nieuwe Testament, omdat het door de Geest van God is geïnspireerd en voortgebracht (gennao) “Anothen” in verband met de wedergeboorte wijst dus niet alleen op een herhaling van een vroegere gebeurtenis, maar tevens op de oorsprong van die herhaling. Het wijst op de Verwekker van wat geboren wordt: de Heilige Geest. Vanzelfsprekend wordt dit bevestigd in het verdere gesprek met Nicodemus. In de verzen 5, 6 en 8 zegt de Heer, dat dit “gennao anothen” een geboren worden uit de Geest is.

Het derde bijwoord dat door Petrus gebruikt wordt, is “ana“, wat meestal vertaald wordt met “opnieuw“. Ook deze vertaling is eigenlijk veel te zwak. Ana geeft niet slechts een herhaling aan, maar tevens een richting: “omhoog“. De omhoog gerichte beweging in dit woord is dermate sterk, dat “ana” zelfs als commando gebruikt wordt in de zin van “sta op”. Opnieuw of overnieuw zijn redelijk goede, maar toch zwakke Nederlandse vertalingen, waarbij “op” of “over” de omhooggaande beweging uitdrukken. Zo kunnen wij iets opnieuw of overschilderen, waarbij de nieuwe verflaag over de oude komt te liggen. Die nieuwe laag ligt dan op een hoger niveau dan de oude. Deze opgaande beweging van “ana” wordt door Petrus bevestigd als hij “ana”gennao” in direct verband brengt met de opstanding van Christus (1 Petr. 1 : 3), en door de Heere Jezus, Die wedergeboorte noemt als de enige manier waarop men het Koninkrijk Gods kan binnengaan (Joh. 3 : 5)

Samenvattend komen wij nu tot de volgende conclusies:

  1. Wedergeboorte is niet slechts een opnieuw geboren worden, maar duidt op het gehele wordingsproces van de mens, vanaf de verwekking tot en met de bevalling. (gennao)
  2. Het is iets, dat opnieuw gebeurt (palin), maar dan
  3. met een andere, n.l. Goddelijke oorzaak (anothen) en
  4. met een andere, n.l. hemelse bestemming (ana)

Met name deze laatste twee punten onderscheiden de wedergeboorte van de natuurlijke. Een natuurlijke geboorte heeft een natuurlijke of vleselijke oorzaak: de ouders; en een natuurlijke of vleselijke bestemming: de dood. De wedergeboorte heeft een Goddelijke of Geestelijke bestemming: het eeuwige leven in het Koninkrijk Gods (Joh. 3 : 5)

Lees verder

Updated: 21 april 2018 — 11:35
Pagina 2 van 4012345...102030...Minst recente »
My CMS © 2017 Frontier Theme
%d bloggers liken dit: