Schrift met Schrift vergelijken

Matt 10:38  En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.

Category: Spreuken

Spreuken 31

De woorden van Lemuël

1 De woorden van de koning Lemuel; de last, maarmede zijn moeder hem onderwees.
2 Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns buiks? ja, wat, o zoon mijner geloften?
3 Geeft aan ade vrouwen uw vermogen niet, noch uw wegen, om koningen te verdelgen.

a: Deu 17:17 Ook zal hij voor zich de vrouwen niet vermenigvuldigen, opdat zijn hart niet afwijke; hij zal ook voor zich geen zilver en goud zeer vermenigvuldigen.

4 Het komt den koningen niet toe, o Lemuel! het komt den koningen niet toe wijn te drinken, en den prinsen, sterken drank te begeren;
5 Opdat hij niet drinke, en het gezette vergete, en de rechtzaak van alle verdrukten verandere.
6 Geeft sterken drank dengene, die verloren gaat, en wijn dengenen, die bitterlijk bedroefd van ziel zijn;
7 Dat hij drinke, en zijn armoede vergete, en zijner moeite niet meer gedenke.
8 Open uw mond voor den stomme, voor de rechtzaak van allen, die omkomen zouden.
9 Open uw mond; boordeel gerechtelijk, en doe den verdrukte en nooddruftige recht.

b: Lev 19:15 Gij zult geen onrecht doen in het gericht; gij zult het aangezicht des geringen niet aannemen, noch het aangezicht des groten voortrekken; in gerechtigheid zult gij uw naaste richten.
Deu 1:6 De HEERE, onze God, sprak tot ons aan Horeb, zeggende: Gij zijt lang genoeg bij dezen berg gebleven.

De lof der deugdelijke huisvouw

10 [Aleph]. Wie zal ceen deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is verre boven de robijnen.

c: Spr 12:4 Een kloeke huisvrouw is een kroon haars heren; maar die beschaamt maakt, is als verrotting in zijn beenderen.

11 [Beth]. Het hart haars heren vertrouwt op haar, zodat hem geen goed zal ontbreken.
12 [Gimel]. Zij doet hem goed en geen kwaad, al de dagen haars levens.
13 [Daleth]. Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust harer handen.
14 [He]. Zij is als de schepen eens koopmans; zij doet haar brood van verre komen.
15 [Vau]. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis spijze, en haar dienstmaagden het bescheiden deel.
16 [Zain]. Zij denkt om een akker, en krijgt hem; van de vrucht harer handen plant zij een wijngaard.
17 [Cheth]. Zij gordt haar lenden met kracht, en zij versterkt haar armen.
18 [Teth]. Zij smaakt, dat haar koophandel goed is; haar lamp gaat des nachts niet uit.
19 [Jod]. Zij steekt haar handen uit naar de spil, en haar handpalmen vatten den spinrok.
20 [Caph]. Zij breidt haar handpalm uit tot den ellendige; en zij steekt haar handen uit tot den nooddruftige.
21 [Lamed]. Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw; want haar ganse huis is met dubbele klederen gekleed.
22 [Mem]. Zij maakt voor zich tapijtsieraad; haar kleding is fijn linnen en purper.
23 [Nun]. Haar man is bekend in de poorten, als hij zit met de oudsten des lands.
24 [Samech]. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het; en zij levert den koopman gordelen.
25 [Ain]. Sterkte en heerlijkheid zijn haar kleding; en zij lacht over den nakomenden dag.
26 [Pe]. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.
27 [Tsade]. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.
28 [Koph]. Haar kinderen staan op, en roemen haar welgelukzalig; [ook] haar man, en hij prijst haar, [zeggende]:
29 [Resch]. Vele dochteren hebben deugdelijke gehandeld; maar gij gaat die allen te boven.
30 [Schin]. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; [maar] een vrouw, die den HEERE vreest, die zal geprezen worden.
31 [Thau]. Geef haar van de vrucht harer handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.

Updated: August 25, 2019 — 4:16 pm

Spreuken 30

De woorden van Agur

1 De woorden van Agur, den zoon van Jake; een last. De man spreekt tot Ithiel, tot Ithiel en Uchal.
2 Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand; en ik heb geen mensenverstand;
3 En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.
4 Wie is ten hemel opgeklommen, en nedergedaald? aWie heeft den wind in Zijn vuisten verzameld? Wie heeft de wateren in een kleed gebonden? Wie heeft al de einden der aarde gesteld? Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam Zijns Zoons, zo gij het weet?

a: Job 38:4 Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.
Psa 104:3 Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.
Isa 40:12 Wie heeft de wateren met Zijn vuist gemeten, en van de hemelen met de span de maat genomen, en heeft met een drieling het stof der aarde begrepen, en de bergen gewogen in een waag, en de heuvelen in een weegschaal?

bAlle rede Gods is doorlouterd; Hij is een Schild dengenen, die op Hem betrouwen.

b: Psa 12:7 De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.
Psa 18:31 Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.
Psa 19:9 De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen.
Psa 119:140 Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.

cDoe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en gij leugenachtig bevonden wordt.

c: Deu 4:2 Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden van den HEERE, uw God, die ik u gebiede.
Deu 12:32 Al dit woord, hetwelk ik ulieden gebiede, zult gij waarnemen om te doen; gij zult daar niet toedoen, en daarvan niet afdoen.
Rev 22:18 Want ik betuig aan een iegelijk, die de woorden der profetie dezes boeks hoort: Indien iemand tot deze dingen toedoet, God zal hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn.

7 Twee dingen heb ik van U begeerd, onthoud ze mij niet, eer ik sterve:
8 Ijdelheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels;
9 Opdat ik, zat zijnde, [U] dan niet verloochene, en zegge: Wie is de HEERE? of dat ik, verarmd zijnde, dan niet stele, en den Naam mijns Gods aantaste.
10 Achterklap niet van den knecht bij zijn heer, opdat hij u niet vloeke, en gij schuldig wordt.
11 Daar is een geslacht, dat zijn vader vervloekt, en zijn moeder niet zegent;
12 Een geslacht, dat rein in zijn ogen is, en van zijn drek niet gewassen is;
13 Een geslacht, dwelks ogen hoog zijn, en welks oogleden verheven zijn;

d: Spr 6:17 Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten;

14 eEen geslacht, welks tanden zwaarden, en welks baktanden messen zijn, om de ellendigen van de aarde en de nooddruftigen van onder de mensen te verteren.

e: Spr 12:18 Daar is een, die woorden als steken van een zwaard onbedachtelijk uitspreekt; maar de tong der wijzen is medicijn.

15 De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, geef! Deze drie dingen worden niet verzadigd; [ja], vier zeggen niet: Het is genoeg!
16 Het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde, [die] van water niet verzadigd wordt, en het vuur zegt niet: Het is genoeg!
17 Het oog, [dat] den vader bespot, of de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken, en des arends jongen zullen het eten.
18 Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet:
19 De weg eens arends in den hemel; de weg ener slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart der zee; en de weg eens mans bij een maagd.
20 Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht!
21 Om drie dingen ontroert zich de aarde, ja, om vier, [die] zij niet dragen kan:
22 Om een knecht, als hij regeert; en een dwaas, als hij van brood verzadigd is;
23 Om een hatelijke [vrouw], als zij getrouwd wordt; en een dienstmaagd, als zij erfgenaam is van haar vrouw.
24 Deze vier zijn van de kleinste der aarde; doch dezelve zijn wijs, met wijsheid wel voorzien.
25 De mieren zijn een onsterk volk; evenwel fbereiden zij in de zomer haar spijs.

f: Spr 6:8 Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst.

26 De konijnen zijn een machteloos volk; nochtans stellen zij hun huis in den rotssteen.
27 De sprinkhanen hebben geen koning; nochtans gaan zij allen uit, zich verdelende [in] [hopen].
28 De spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen der koningen.
29 Deze drie maken een goeden tred; ja, vier zijn er, die een goeden gang maken;
30 De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeren;
31 gEen windhond van goede lenden, of een bok; en een koning, die niet tegen te staan is.

g: Job 39:22 Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden?
Job 39:23 Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking.

32 Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hhand op den mond!

h: Job 21:5 Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.

33 Want de drukking der melk brengt boter voort, en de drukking van den neus brengt bloed voort, en de drukking des toorns brengt twist voort.

Updated: August 25, 2019 — 4:15 pm

Spreuken 29

De val der goddelozen.

1 Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.
aAls de rechtvaardigen groot worden, verblijdt zich het volk; maar als de goddeloze heerst, zucht het volk.

a: Spr 11:10 Een stad springt op van vreugde over het welvaren der rechtvaardigen; en als de goddelozen vergaan, is er gejuich.
Spr 28:12 Als de rechtvaardigen opspringen van vreugde, is er grote heerlijkheid; maar als de goddelozen opkomen, wordt de mens nauw gezocht.
Spr 28:28 Als de goddelozen opkomen, verbergt zich de mens; maar als zij omkomen, vermenigvuldigen de rechtvaardigen.

bEen man, die de wijsheid bemint, verblijdt zijn vader; cmaar die een metgezel der hoeren is, brengt het goed door.

b: Spr 10:1 De spreuken van Salomo. Een wijs zoon verblijdt den vader; maar een zot zoon is zijner moeder droefheid.
Spr 15:20 Een wijs zoon zal den vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder.

c: Spr 28:7 Die de wet bewaart, is een verstandig zoon; maar die der vraten metgezel is, beschaamt zijn vader.
Luk 15:13 En niet vele dagen daarna, de jongste zoon, alles bijeenvergaderd hebbende, is weggereisd in een ver gelegen land, en heeft aldaar zijn goed doorgebracht, levende overdadiglijk.

4 Een koning houdt het land staande door het recht; maar een, die tot geschenken genegen is, verstoort hetzelve.
5 Een man, die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor deszelfs gangen.
6 In de overtreding eens bozen mans is een strik; maar de rechtvaardige juicht en is blijde.
dDe rechtvaardige neemt kennis van de rechtzaak der armen; [maar] de goddeloze begrijpt de wetenschap niet.

d: Job 29:16 Ik was den nooddruftigen een vader; en het geschil, dat ik niet wist, dat onderzocht ik.

8 Spotdrijvende lieden blazen een stad aan [brand]; maar de wijzen keren den toorn af.
9 Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.
10 Bloedgierige lieden haten den vrome; maar de oprechten zoeken zijn ziel.
11 eEen zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.

e: Spr 14:33 Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.

12 Een heerser, die op leugentaal acht geeft, al zijn dienaars zijn goddeloos.
13 fDe arme en de bedrieger ontmoeten elkander; de HEERE verlicht hun beider ogen.

f: Spr 22:2 Rijken en armen ontmoeten elkander; de HEERE heeft hen allen gemaakt.

14 gEen koning, die de armen in trouw recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden.

g: Spr 20:28 Weldadigheid en waarheid bewaren den koning; en door weldadigheid ondersteunt hij zijn troon.
Spr 25:5 Doe den goddelozen weg van het aangezicht des konings, en zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.

15 hDe roede, en de bestraffing geeft wijsheid; imaar een kind, dat [aan] [zichzelf] gelaten is, beschaamt zijn moeder.

h: Spr 13:24 Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging.
Spr 22:15 De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.
Spr 23:13 Weer de tucht van den jongen niet; als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven.

i: Spr 10:1 De spreuken van Salomo. Een wijs zoon verblijdt den vader; maar een zot zoon is zijner moeder droefheid.
Spr 17:21 Wie een zot genereert, die zal hem tot droefheid zijn; en de vader des dwazen zal zich niet verblijden.
Spr 17:25 Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.

16 Als de goddelozen velen worden, wordt de overtreding veel; maar kde rechtvaardigen zullen hun val aanzien.

k: Psa 37:36 Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.
Psa 58:11 De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed des goddelozen.
Psa 91:8 Alleenlijk zult gij het met uw ogen aanschouwen; en gij zult de vergelding der goddelozen zien.

17 lTuchtig uw zoon, en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uw ziel vermakelijkheden geven.

l: Spr 13:24 Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging.
Spr 22:15 De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.
Spr 23:13 Weer de tucht van den jongen niet; als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven.
Spr 23:14 Gij zult hem met de roede slaan, en zijn ziel van de hel redden.

18 Als er geen profetie is, wordt het volk ontbloot; maar welgelukzalig is hij, die de wet bewaart.
19 Een knecht zal door de woorden niet getuchtigd worden; hoewel hij [u] verstaat, nochtans zal hij niet antwoorden.
20 Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? man een zot is meer verwachting dan van hem.

m: Spr 26:12 Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! Van een zot is meer verwachting dan van hem.

21 Als men zijn knecht van jongs op weeldig houdt, hij zal in zijn laatste een zoon [willen] zijn.
22 nEen toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.

n: Spr 15:18 Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
Spr 26:21 De dove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur; alzo is een kijfachtig man, om twist te ontsteken.

23 oDe hoogmoed des mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.

o: Job 22:29 Als men iemand vernederen zal, en gij zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal God den nederige van ogen behouden.
Spr 15:33 De vreze des HEEREN is de tucht der wijsheid; en de nederigheid gaat voor de eer.
Spr 18:12 Voor de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat voor de eer.
Isa 66:2 Want Mijn hand heeft al deze dingen gemaakt, en al deze dingen zijn geweest, spreekt de HEERE; maar op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft.
Mat 23:12 En wie zichzelven verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden.
Luk 14:11 Want een iegelijk, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.
Luk 18:14 Ik zeg ulieden: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.
Jas 4:6 Ja, Hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: God wederstaat de hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade.
Jas 4:10 Vernedert u voor den Heere, en Hij zal u verhogen.
1Pe 5:5 Desgelijks gij jongen, zijt den ouden onderdanig; en zijt allen elkander onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade.

24 Die met een dief deelt, haat zijn ziel; phij hoort een vloek, en hij geeft het niet te kennen.

p: Lev 5:1 Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem des vloeks, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; indien hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.

25 De siddering des mensen legt een strik; maar die op den HEERE vertrouwt, zal in een hoog vertrek gesteld worden.
26 qVelen zoeken het aangezicht des heersers; maar een ieders recht is van den HEERE.

q: Spr 19:6 Velen smeken het aangezicht des prinsen; en een ieder is een vriend desgenen, die giften geeft.

27 Een ongerechtig man is den rechtvaardige een gruwel; maar die recht is van weg, is den goddeloze een gruwel.

Updated: August 25, 2019 — 4:14 pm

Spreuken 28

Gierigheid en hebzucht

1 De agoddelozen vlieden, waar geen vervolger is; maar elk rechtvaardige is moedig, als een jonge leeuw.

a: Lev 26:36 En aangaande de overgeblevenen onder u, Ik zal in hun hart een wekigheid in de landen hunner vijanden laten komen; zodat het geruis van een gedreven blad hen jagen zal, en zij zullen vlieden, gelijk men vliedt voor een zwaard, en zullen vallen, waar niemand is, die jaagt.
Deu 28:28 De HEERE zal u slaan met onzinnigheid, en met blindheid, en met verbaasdheid des harten;
Isa 57:21 De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede.

2 Om de overtreding des lands zijn deszelfs vorsten vele; maar om verstandige [en] wetende mensen zal insgelijks verlenging wezen.
3 Een arm man, die de geringen verdrukt, is een wegvagende regen, zodat er geen brood zij.
4 Die de wet verlaten, prijzen de goddelozen; maar die de wet bewaren, mengen zich [in] [strijd] tegen hen.
5 De kwade lieden verstaan het recht niet; maar die den HEERE zoeken, verstaan alles.
bDe arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.

b: Spr 19:1 De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.

cDie de wet bewaart, is een verstandig zoon; maar die der vraten metgezel is, beschaamt zijn vader.

c: Spr 29:3 Een man, die de wijsheid bemint, verblijdt zijn vader; maar die een metgezel der hoeren is, brengt het goed door.

8 Die zijn goed vermeerdert met woeker en met overwinst, vergadert dat voor dengene, die zich des armen ontfermt.
9 Die zijn oor afwendt van de wet te horen, diens gebed zelfs zal een gruwel zijn.
10 Die de oprechten doet dwalen op een kwaden weg, dzal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beerven.

d: Spr 26:27 Die een kuil graaft, zal er in vallen, en die een steen wentelt, op hem zal hij wederkeren.

11 Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.
12 eAls de rechtvaardigen opspringen van vreugde, is er grote heerlijkheid; fmaar als de goddelozen opkomen, wordt de mens nauw gezocht.

e: Spr 11:10 Een stad springt op van vreugde over het welvaren der rechtvaardigen; en als de goddelozen vergaan, is er gejuich.
Spr 11:11 Door den zegen der oprechten wordt een stad verheven; maar door den mond der goddelozen wordt zij verbroken.

f: Spr 28:28 Als de goddelozen opkomen, verbergt zich de mens; maar als zij omkomen, vermenigvuldigen de rechtvaardigen.

13 Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar gdie ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen.

g: Psa 32:3 Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.
Psa 32:5 Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela.

14 Welgelukzalig is de mens, die geduriglijk vreest; maar die zijn hart verhardt, zal in het kwaad vallen.
15 De goddeloze, heersende over een arm volk, is een brullende leeuw, en een beer, die ginds en weder loopt.
16 Een vorst, die van alle verstand gebrek heeft, is ook veelvoudig in verdrukkingen; [maar] die de gierigheid haat, zal de dagen verlengen.
17 Een mens, gedrukt om het bloed ener ziel, zal naar den kuil toevlieden; men ondersteune hem niet!
18 Die oprecht wandelt, zal behouden worden; maar die zich verkeerdelijk gedraagt in twee wegen, zal in den enen vallen.
19 Die zijn land bouwt, zal met brood verzadigd worden; maar die ijdele [mensen] volgt, zal met armoede verzadigd worden.
20 Een gans getrouw man zal veelvoudig zijn in zegeningen; hmaar die haastig is, om rijk te worden, zal niet onschuldig wezen.

h: Spr 13:11 Goed, van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.
Spr 20:21 Als een erfenis in het eerste verhaast wordt, zo zal haar laatste niet gezegend worden.
Spr 23:4 Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft.

21 iDe aangezichten te kennen, is niet goed; want een man zal om een stuk broods overtreden.

i: Spr 18:5 Het is niet goed, het aangezicht des goddelozen aan te nemen, om den rechtvaardige in het gericht te buigen.
Spr 24:23 Deze spreuken zijn ook van de wijzen. Het aangezicht in het gericht te kennen, is niet goed.

22 Die zich haast naar goed, is een man van een boos oog; maar hij weet niet, dat het gebrek hem overkomen zal.
23 Die een mens bestraft, zal achterna gunst vinden, meer dan die met de tong vleit.
24 Wie zijn vader of zijn moeder berooft, en zegt: Het is geen overtreding; die is des verdervenden mans gezel.
25 kDie grootmoedig is, verwekt gekijf; maar die op den HEERE vertrouwt, zal vet worden.

k: Spr 13:10 Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.
Spr 15:18 Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
Spr 29:22 Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.

26 Die op zijn hart vertrouwt, die is een zot; maar die in wijsheid wandelt, die zal ontkomen.
27 lDie den armen geeft, zal geen gebrek hebben; maar die zijn ogen verbergt, zal veel vervloekt worden.

l: Deu 15:7 Wanneer er onder u een arme zal zijn, een uit uw broederen, in een uwer poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zo zult gij uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broeder, die arm is;
Deu 15:8 Maar gij zult hem uw hand mildelijk opendoen, en zult hem rijkelijk lenen, genoeg voor zijn gebrek, dat hem ontbreekt.
Deu 15:10 Gij zult hem mildelijk geven, en uw hart zal niet boos zijn, als gij hem geeft; want om dezer zake wil zal u de HEERE, uw God, zegenen in al uw werk, en in alles, waaraan gij uw hand slaat.
Spr 19:17 Die zich des armen ontfermt, leent den HEERE, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
Spr 22:9 Die goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood den armen gegeven.

28 mAls de goddelozen opkomen, verbergt zich de mens; maar als zij omkomen, vermenigvuldigen de rechtvaardigen.

m: Spr 28:12 Als de rechtvaardigen opspringen van vreugde, is er grote heerlijkheid; maar als de goddelozen opkomen, wordt de mens nauw gezocht.

Updated: August 25, 2019 — 4:12 pm

Spreuken 27

Waanwijsheid en vermetelheid

1 Beroem au niet over den dag van morgen; want gij weet niet, wat de dag zal baren.

a: Jas 4:13 Welaan nu gij, die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk een stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven, en winst doen.
Jas 4:14 Gij, die niet weet, wat morgen geschieden zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt.

2 Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen.
3 Een steen is zwaar, en het zand gewichtig; maar de toornigheid des dwazen is zwaarder dan die beide.
4 Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan?
5 Openbare bestraffing is beter dan verborgene liefde.
6 De wonden des liefhebbers zijn getrouw; maar de kussingen des haters zijn af te bidden.
7 Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem; maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet.
8 Gelijk een vogel is, die uit zijn nest omdoolt, alzo is een man, die omdoolt uit zijn plaats.
9 Olie en reukwerk verblijdt het hart; alzo is de zoetigheid van iemands vriend, vanwege den raad der ziel.
10 bVerlaat uw vriend, noch den vriend uws vaders niet; en ga ten huize uws broeders niet op den dag van uw tegenspoed. Beter is een gebuur die nabij is, dan een broeder, die verre is.

b: Spr 17:17 Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.
Spr 18:24 Een man, die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden; want er is een liefhebber, die meer aankleeft dan een broeder.

11 Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.
12 cDe kloekzinnige ziet het kwaad, [en] verbergt zich; de slechten gaan henen door, [en] worden gestraft.

c: Spr 22:3 Een kloekzinnig mens ziet het kwaad, en verbergt zich; maar de slechten gaan henen door, en worden gestraft.

13 dAls [iemand] [voor] een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed, en pand hem voor een onbekende [vrouw].

d: Spr 6:1 Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt;
Spr 6:2 Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds.
Spr 11:15 Als iemand voor een vreemde borg geworden is, hij zal zekerlijk verbroken worden; maar wie degenen haat, die in de hand klappen, is zeker.
Spr 17:18 Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste.
Spr 20:16 Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed; en pand hem voor de onbekenden. 

14 Die zijn vriend zegent met luider stem, zich des morgens vroeg opmakende, het zal hem tot een vloek gerekend worden.
15 eEen gedurige druiping ten dage des slagregens en een kijfachtige huisvrouw zijn even gelijk.

e: Spr 19:13 Een zotte zoon is zijn vader grote ellende; en de kijvingen ener vrouw als een gestadig druipen.

16 Elkeen, die haar verbergt, zou den wind verbergen, en de olie zijner rechterhand, [die] roept.
17 IJzer scherpt men met ijzer; alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten.
18 Die den vijgeboom bewaart, zal zijn vrucht eten; en die zijn heer waarneemt, zal geeerd worden.
19 Gelijk [in] [het] water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is des mensen hart tegen den mens.
20 De hel en het verderf worden niet verzadigd; alzo worden fde ogen des mensen niet verzadigd.

f: Pre 1:8 Al deze dingen worden zo moede, dat het niemand zou kunnen uitspreken; het oog wordt niet verzadigd met zien; en het oor wordt niet vervuld van horen.

21 De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; alzo is een man naar zijn lof [te] [proeven].
22 Al stiet gij den dwaas in een mortier met een stamper, in het midden van het gestoten graan, zijn dwaasheid zou van hem niet afwijken.
23 Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden.
24 Want de schat is niet tot in eeuwigheid; of zal de kroon van geslacht tot geslacht zijn?
25 Als het gras zich openbaart, en de grasscheuten gezien worden, laat de kruiden der bergen verzameld worden.
26 De lammeren zullen gzijn tot uw kleding, en de bokken de prijs des velds.

g: 1Ti 6:8 Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn.

27 Daartoe zult gij genoegzaamheid van geitenmelk [hebben] tot uw spijze, tot spijze van uw huis, en leeftocht uwer maagden.

Updated: August 25, 2019 — 4:11 pm

Spreuken 26

Dwazen en luiaards.

1 Gelijk de sneeuw in den zomer, en gelijk de regen in den oogst, alzo past den zot de eer niet.
2 Gelijk de mus is tot wegzweven, gelijk een zwaluw tot vervliegen, alzo zal een vloek, die zonder oorzaak is, niet komen.
aEen zweep is voor het paard, een toom voor den ezel, en been roede voor den rug der zotten.

a: Psa 32:9 Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.
Psa 32:10 De goddeloze heeft veel smarten, maar die op den HEERE vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.

b: Spr 10:13 In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.

4 Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.
5 Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.
6 Hij snijdt [zich] de voeten af, [en] drinkt geweld, die boodschappen zendt door de hand van een zot.
7 Hef de benen van den kreupele op; alzo is een spreuk in den mond der zotten.
8 Gelijk hij, die een [edel] gesteente in een slinger bindt, alzo is hij, die den zot eer geeft.
9 [Gelijk] een doorn gaat in de hand eens dronkaards, alzo is een spreuk in den mond der zotten.
10 De groten doen een iegelijk verdriet aan, en huren de zotten, en huren de overtreders.
11 cGelijk een hond tot zijn uitspuwsel wederkeert, [alzo] herneemt de zot zijn dwaasheid.

c: 2Pe 2:22 Maar hun is overkomen, hetgeen met een waar spreekwoord gezegd wordt: De hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel; en de gewassen zeug tot de wenteling in het slijk.

12 Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! dVan een zot is meer verwachting dan van hem.

d: Spr 29:20 Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem.

13 eDe luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten.

e: Spr 22:13 De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!

14 Een deur keert om op haar herre, alzo de luiaard op zijn bed.
15 fDe luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen.

f: Spr 19:24 Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.

16 De luiaard is wijzer in zijn ogen, dan zeven, die [met] rede antwoorden.
17 De voorbijgaande, die zich vertoornt in een twist, [die] hem niet aangaat, is [gelijk] die een hond bij de oren grijpt.
18 Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt;
19 Alzo is een man, die zijn naaste bedriegt, en zegt: Jok ik er niet mede?
20 Als er geen hout is, gaat het vuur uit; gen als er geen oorblazer is, wordt het gekijf gestild.

g: Spr 22:10 Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.

21 De dove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur; alzo is een hkijfachtig man, om twist te ontsteken.

h: Spr 15:18 Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
Spr 29:22 Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.

22 iDe woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.

i: Spr 18:8 De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.

23 Brandende lippen, en een boos hart, zijn [als] een potscherf met schuim van zilver overtogen.
24 Die haat draagt, gelaat zich vreemd met zijn lippen; maar in zijn binnenste stelt hij bedrog aan.
25 Als hij met zijn stem smeekt, geloof hem niet, want zeven gruwelen zijn in zijn hart.
26 [Wiens] haat door bedrog bedekt is, diens boosheid zal in de gemeente geopenbaard worden.
27 kDie een kuil graaft, zal er in vallen, en die een steen wentelt, op hem zal hij wederkeren.

k: Psa 7:16 Hij heeft een kuil gedolven, en dien uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft.
Psa 10:2 De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed den ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben.
Psa 57:7 Zij hebben een net bereid voor mijn gangen, mijn ziel was nedergebukt; zij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven; zij zijn er midden ingevallen. Sela.
Pre 10:8 Wie een kuil graaft, zal daarin vallen; en wie een muur doorbreekt, een slang zal hem bijten.

28 Een valse tong haat degenen, die zij verbrijzelt; en een gladde mond maakt omstoting.

Updated: August 25, 2019 — 4:11 pm

Spreuken 25

Wijsheid in het spreken

1 Dit zijn ook spreuken van Salomo, die de mannen van Hizkia, den koning van Juda, uitgeschreven hebben.
2 Het is Gods eer een azaak te verbergen; maar de eer der koningen een zaak te doorgronden.

a: Rom 11:33 O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!

3 Aan de hoogte des hemels, en aan de diepte der aarde, en [aan] het hart der koningen is geen doorgronding.
4 Doe het schuim van het zilver weg, en er zal een vat voor den smelter uitkomen;
bDoe den goddelozen weg van het aangezicht des konings, en czijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.

b: Spr 20:8 Een koning, zittende op den troon des gerichts, verstrooit alle kwaad met zijn ogen.

c: Spr 20:28 Weldadigheid en waarheid bewaren den koning; en door weldadigheid ondersteunt hij zijn troon.

6 Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;
7 Want het is beter, dat men tot u zegge: dKom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht eens prinsen, dien uw ogen gezien hebben.

d: Luk 14:7 En Hij zeide tot de genoden een gelijkenis, aanmerkende, hoe zij de vooraanzittingen verkozen; zeggende tot hen:
Luk 14:8 Wanneer gij van iemand ter bruiloft genood zult zijn, zo zet u niet in de eerste zitplaats; opdat niet misschien een waardiger dan gij van hem genood zij;
Luk 14:9 En hij, komende, die u en hem genood heeft, tot u zegge: Geef dezen plaats; en gij alsdan zoudt beginnen met schaamte de laatste plaats te houden.
Luk 14:10 Maar wanneer gij genood zult zijn, ga heen en zet u in de laatste plaats; opdat, wanneer hij komt, die u genood heeft, hij tot u zegge: Vriend, ga hoger op. Alsdan zal het u eer zijn voor degenen, die met u aanzitten.

eVaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.

e: Spr 18:17 Die de eerste is in zijn twistzaak, schijnt rechtvaardig te zijn; maar zijn naaste komt, en hij onderzoekt hem.

9 Twist uw twistzaak met uw naaste; maar openbaar het heimelijke van een ander niet;
10 Opdat degene, die het hoort, u niet smade; want uw kwaad gerucht zou niet afgekeerd worden.
11 Een rede, op zijn pas gesproken, is [als] gouden appelen in zilveren gebeelde schalen.
12 Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud.
13 fEen trouw gezant is dengenen, die hem zenden, als de koude der sneeuw ten dage des oogstes; want hij verkwikt zijns heren ziel.

f: Spr 13:17 Een goddeloze bode zal in het kwaad vallen; maar een trouw gezant is medicijn.

14 Een man, die zichzelven beroemt over een valse gift, is [als] wolken en wind, waar geen regen bij is.
15 gEen overste wordt door lankmoedigheid overreed; en een zachte tong breekt het gebeente.

g: Spr 15:1 Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
Spr 16:14 De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.

16 Hebt gij honig gevonden, eet dat u genoeg is; opdat gij misschien daarvan niet zat wordt, en dien uitspuwt.
17 Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate.
18 Een man, tegen zijn naaste een valse getuigenis sprekende, is heen hamer, en zwaard, en scherpe pijl.

h: Psa 11:2 Want ziet, de goddelozen spannen den boog, zij schikken hun pijlen op de pees, om in het donkere te schieten naar de oprechten van harte.
Psa 57:5 Mijn ziel is in het midden der leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, welker tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.
Psa 59:8 Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het?
Psa 120:4 Scherpe pijlen eens machtigen, mitsgaders gloeiende jeneverkolen.
Spr 12:18 Daar is een, die woorden als steken van een zwaard onbedachtelijk uitspreekt; maar de tong der wijzen is medicijn.

19 Het vertrouwen op een trouweloze, ten dage der benauwdheid, is [als] een gebroken tand en verstuikte voet.
20 iDie liederen zingt bij een treurig hart, is gelijk hij, die een kleed aflegt ten dage der koude, [en] edik op salpeter.

i: Rom 12:15 Verblijdt u met de blijden; en weent met de wenenden.

21 kIndien dengene, ldie u haat, hongert, geef hem brood te eten; en zo hij dorstig is, geef hem water te drinken;

k: Rom 12:20 Indien dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; indien hem dorst, zo geeft hem te drinken; want dat doende, zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hopen.

l: Exo 23:4 Wanneer gij uws vijands os, of zijn dwalenden ezel, ontmoet, gij zult hem denzelven ganselijk wederbrengen.
Exo 23:5 Wanneer gij uws haters ezel onder zijn last ziet liggen, zult gij dan nalatig zijn, om het uwe te verlaten voor hem? Gij zult het in alle manier met hem verlaten.

22 Want gij zult vurige kolen op zijn hoofd hopen, en de HEERE zal het u vergelden.
23 De noordenwind verdrijft den regen, en een vergramd aangezicht de verborgen tong.
24 mHet is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.

m: Spr 21:9 Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.
Spr 21:19 Het is beter te wonen in een woest land, dan bij een zeer kijfachtige en toornige huisvrouw.

25 Een goede tijding uit een ver land is als koud water op een vermoeide ziel.
26 De rechtvaardige, wankelende voor het aangezicht des goddelozen, is een beroerde fontein, en verdorven springader.
27 Veel honigs te eten is niet goed; maar de onderzoeking van de heerlijkheid van zulke dingen is eer.
28 nEen man, die zijn geest niet wederhouden kan, is een opengebrokene stad zonder muur.

n: Spr 16:32 De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.

Updated: August 25, 2019 — 4:06 pm

Spreuken 24

Lessen der wijsheid

1 Zijt aniet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.

a: Psa 37:1 Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.
Spr 3:31 Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen.
Spr 23:17 Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt te allen dage in de vreze des HEEREN.

2 Want hun hart bedenkt verwoesting, ben hun lippen spreken moeite.

b: Psa 10:7 Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.

3 Door wijsheid wordt een huis gebouwd, en door verstandigheid bevestigd;
4 En door wetenschap worden de binnenkameren vervuld met alle kostelijk en liefelijk goed.
cEen wijs man is sterk; en een man van wetenschap maakt de kracht vast.

c: Spr 21:22 De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.

dWant door wijze raadslagen zult gij voor u den krijg voeren, en in de veelheid der raadgevers is de overwinning.

d: Spr 11:14 Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid der raadslieden.
Spr 15:22 De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door veelheid der raadslieden zal elkeen bestaan.
Spr 20:18 Elke gedachte wordt door raad bevestigd, daarom voer oorlog met wijze raadslagen.

eAlle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.

e: Spr 14:6 De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht.

8 Die denkt om kwaad te doen, dien zal men een meester van schandelijke verdichtselen noemen.
9 De gedachte der dwaasheid is zonde; en een spotter is den mens een gruwel.
10 Vertoont gij u slap ten dage uwer benauwdheid, uw kracht is nauw.
11 fRed degenen, die ter dood gegrepen zijn; want zij wankelen ter doding, zo gij u onthoudt.

f: Psa 82:4 Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand.

12 Wanneer gij zegt: Ziet, wij weten dat niet; zal Hij, Die de harten weegt, [dat] niet merken? En Die uwe ziel gadeslaat, zal Hij het niet weten? gWant Hij zal den mens vergelden naar zijn werk.

g: Job 34:11 Want naar het werk des mensen vergeldt Hij hem, en naar eens ieders weg doet Hij het hem vinden.
Psa 62:13 En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk.
Jer 32:19 Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen der mensenkinderen, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijner handelingen.
Rom 2:6 Welke een iegelijk vergelden zal naar zijn werken;
Rev 22:12 En zie, Ik kom haastiglijk en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn.

13 Eet honig, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte.
14 hZodanig is de kennis der wijsheid voor uw ziel; als gij ze vindt, izo zal er beloning wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden.

h: Psa 19:11 Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem.
Psa 119:103 Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!

i: Spr 23:18 Want zekerlijk, er is een beloning; en uw verwachting zal niet afgesneden worden.

15 Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.
16 Want de rechtvaardige zal kzevenmaal vallen, en opstaan; maar lde goddelozen zullen in het kwaad nederstruikelen.

k: Job 5:19 In zes benauwdheden zal Hij u verlossen, en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren.
Psa 34:20 Resch. Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem de HEERE.

l: Amo 5:2 De jonkvrouw Israels is gevallen, zij zal niet weder opstaan; zij is verlaten op haar land, er is niemand, die haar opricht.
Amo 8:14 Die daar zweren bij de schuld van Samaria, en zeggen: Zo waarachtig als uw God van Dan leeft, en de weg van Ber-seba leeft! en zij zullen vallen, en niet weder opstaan.

17 mVerblijd u niet als uw vijand valt; en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen;

m: Job 31:29 Zo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond;
Spr 17:5 Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.

18 Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.
19 nOntsteek u niet over de boosdoeners; zijt niet nijdig over de goddelozen.

n: Spr 24:1 Zijt niet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.
Psa 37:1 Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.
Psa 73:3 Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.
Spr 3:31 Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen.
Spr 23:17 Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt te allen dage in de vreze des HEEREN.

20 Want de kwade zal geen beloning hebben, ode lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.

o: Job 18:5 Ja, het licht der goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.
Job 18:6 Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden.
Spr 13:9 Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.
Spr 20:20 Wie zijn vader of zijn moeder vloekt, diens lamp zal uitgeblust worden in zwarte duisternis.

21 Mijn zoon! vrees den HEERE en den koning; vermeng u niet met hen, die naar verandering staan;
22 Want hun verderf zal haastelijk ontstaan; en wie weet hun beider ondergang?
23 Deze [spreuken] zijn ook van de wijzen. pHet aangezicht in het gericht te kennen, is niet goed.

p: Exo 23:3 Ook zult gij den geringe niet voortrekken en zijn twistige zaak.
Exo 23:6 Gij zult het recht uws armen niet buigen in zijn twistige zaak.
Lev 19:15 Gij zult geen onrecht doen in het gericht; gij zult het aangezicht des geringen niet aannemen, noch het aangezicht des groten voortrekken; in gerechtigheid zult gij uw naaste richten.
Deu 1:17 Gij zult het aangezicht in het gericht niet kennen; gij zult den kleine, zowel als den grote, horen; gij zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht is Godes; doch de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult gij tot mij doen komen, en ik zal ze horen.
Deu 16:19 Gij zult het gericht niet buigen; gij zult het aangezicht niet kennen; ook zult gij geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen der wijzen, en verkeert de woorden der rechtvaardigen.
Spr 18:5 Het is niet goed, het aangezicht des goddelozen aan te nemen, om den rechtvaardige in het gericht te buigen.
Spr 28:21 De aangezichten te kennen, is niet goed; want een man zal om een stuk broods overtreden.
Joh 7:24 Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel.
Jas 2:1 Mijn broeders, hebt niet het geloof van onzen Heere Jezus Christus, den Heere der heerlijkheid, met aanneming des persoons.

24 qDie tot den goddeloze zegt: Gij zijt rechtvaardig; dien zullen de volken vervloeken, de natien zullen hem gram zijn.

q: Spr 17:15 Wie den goddeloze rechtvaardigt, en den rechtvaardige verdoemt, zijn den HEERE een gruwel, ja, die beiden.
Isa 5:23 Die den goddeloze rechtvaardigen om een geschenk, en de gerechtigheid der rechtvaardigen van dezelven afwenden.

25 Maar voor degenen, die [hem] bestraffen, zal liefelijkheid zijn; en de zegen des goeds zal op hem komen.
26 Men zal de lippen kussen desgenen, die rechte woorden antwoordt.
27 Beschik uw werk daarbuiten, en bereid het voor u op den akker, en bouw daarna uw huis.
28 Wees niet zonder oorzaak getuige tegen uw naaste; want zoudt gij verleiden met uw lip?
29 rZeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.

r: Rom 12:17 Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle mensen.
Rom 12:19 Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere.

30 Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens;
31 En ziet, hij was gans opgeschoten van distelen; zijn gedaante was [met] netelen bedekt, en zijn stenen scheidsmuur was afgebroken.
32 Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte; ik zag het, [en] nam onderwijzing aan;
33 sEen weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;

s: Spr 6:10 Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;
Spr 6:11 Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.

34 Zo zal uw armoede [u] overkomen, [als] een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man.

Updated: August 25, 2019 — 4:04 pm

Spreuken 23

Levenswijsheid

1 Als gij aangezeten zult zijn om met een heerser te eten, zo zult gij scherpelijk letten op dengene, die voor uw aangezicht is.
2 En zet een mes aan uw keel, indien gij een gulzig mens zijt;
3 Laat u niet gelusten zijner smakelijke spijzen, want het is een leugenachtig brood.
4 Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft.
5 Zult gij uw ogen laten vliegen op hetgeen niets is? Want het zal zich gewisselijk vleugelen maken gelijk een arend, die naar den hemel vliegt.
6 Eet het brood niet desgenen, die boos is van oog, en wees niet belust op zijn smakelijke spijzen;
7 Want gelijk hij bedacht heeft in zijn ziel, alzo zal hij tot u zeggen: Eet en drink! maar zijn hart is niet met u;
8 Uw bete, die gij gegeten hebt, zoudt gij uitspuwen; en gij zoudt uw liefelijke woorden verderven.
aSpreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.

a: Spr 9:8 Bestraf den spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf den wijze, en hij zal u liefhebben.
Mat 7:6 Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uw paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelve met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren.

10 bZet de oude palen niet terug; en kom op de akkers der wezen niet;

b: Spr 22:28 Zet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben.

11 Want hun Verlosser is sterk; Die zal hun twistzaak tegen u twisten.
12 Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.
13 cWeer de tucht van den jongen niet; als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven.

c: Spr 13:24 Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging.
Spr 19:18 Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden.
Spr 22:15 De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.
Spr 29:15 De roede, en de bestraffing geeft wijsheid; maar een kind, dat aan zich zelf gelaten is, beschaamt zijn moeder.
Spr 29:17 Tuchtig uw zoon, en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uw ziel vermakelijkheden geven.

14 Gij zult hem met de roede slaan, en zijn ziel van de hel redden.
15 Mijn zoon! zo uw hart wijs is, mijn hart zal blijde zijn, ja, ik.
16 En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
17 dUw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt ten allen dage in de vreze des HEEREN.

d: Psa 37:1 Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.
Psa 73:3 Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.
Spr 24:1 Zijt niet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.

18 eWant zekerlijk, er is een beloning; en uw verwachting zal niet afgesneden worden.

e: Spr 24:14 Zodanig is de kennis der wijsheid voor uw ziel; als gij ze vindt, zo zal er beloning wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden.

19 Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
20 fZijt niet onder de wijnzuipers, noch onder de vleesvreters;

f: Isa 5:22 Wee dengenen, die helden zijn om wijn te drinken, en die kloeke mannen zijn om sterken drank te mengen!
Luk 21:34 En wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens over kome.
Rom 13:13 Laat ons, als in den dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid;
Eph 5:18 En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest; 

21 Want een zuiper en vraat zal arm worden; en de sluimering doet verscheurde klederen dragen.
22 gHoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is.

g: Spr 1:8 Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;

23 hKoop de waarheid, en verkoop ze niet, [mitsgaders] wijsheid, en tucht, en verstand.

h: Spr 4:7 De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting.

24 iDe vader des rechtvaardigen zal zich zeer verheugen; en die een wijzen [zoon] gewint, zal zich over hem verblijden.

i: Spr 10:1 De spreuken van Salomo. Een wijs zoon verblijdt den vader; maar een zot zoon is zijner moeder droefheid.
Spr 15:20 Een wijs zoon zal den vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder.

25 Laat uw vader zich verblijden, ook uw moeder; en laat haar zich verheugen, die u gebaard heeft.
26 Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
27 kWant een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put.

k: Spr 22:14 De mond der vreemde vrouwen is een diepe gracht; op welken de HEERE vergramd is, zal daarin vallen.

28 Ook loert zij als een rover; en zij vermenigvuldigt de trouwelozen onder de mensen.
29 Bij wien is wee? bij wien och arme? bij wien gekijf? bij wien het beklag? bij wien wonden zonder oorzaak? bij wien de roodheid der ogen?
30 lBij degenen, die bij den wijn vertoeven; bij degenen, die komen om gemengde drank na te zoeken.

l: Isa 5:11 Wee dengenen, die, zich vroeg opmakende in den morgenstond, sterken drank najagen, en vertoeven tot in de schemering, totdat de wijn hen heeft verhit!
Isa 5:22 Wee dengenen, die helden zijn om wijn te drinken, en die kloeke mannen zijn om sterken drank te mengen!

31 Zie den wijn niet aan, als hij zich rood vertoont, als hij in den beker zijn verve geeft, [als] hij recht opgaat;
32 [In] zijn einde zal hij als een slang bijten, en steken als een adder.
33 Uw ogen zullen naar vreemde vrouwen zien, en uw hart zal verkeerdheden spreken.
34 En gij zult zijn, gelijk een, die in het hart van de zee slaapt; en gelijk een, die in het opperste van den mast slaapt.
35 Men heeft mij geslagen, [zult] [gij] [zeggen], ik ben niet ziek geweest; men heeft mij gebeukt, ik heb het niet gevoeld; wanneer zal ik opwaken? Ik zal hem nog meer zoeken!

Updated: August 25, 2019 — 4:02 pm

Spreuken 22

De waarde van een goeden naam.

1 De anaam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud.

a: Pre 7:1 Beter is een goede naam, dan goede olie, en de dag des doods, dan de dag, dat iemand geboren wordt.

bRijken en armen ontmoeten elkander; de HEERE heeft hen allen gemaakt.

b: Spr 29:13 De arme en de bedrieger ontmoeten elkander; de HEERE verlicht hun beider ogen.

cEen kloekzinnig mens ziet het kwaad, en verbergt zich; maar de slechten gaan henen door, en worden gestraft.

c: Spr 27:12 De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.

4 Het loon der nederigheid, [met] de vreze des HEEREN, is rijkdom, en eer, en leven.
5 Doornen [en] strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.
6 Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.
7 De rijke heerst over de armen; en die ontleent, is des leners knecht.
dDie onrecht zaait, zal moeite maaien; en de roede zijner verbolgenheid zal een einde nemen.

d: Job 4:8 Maar gelijk als ik gezien heb: die ondeugd ploegen, en moeite zaaien, maaien dezelve.
Hos 10:13 Gij hebt goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid, en de vrucht der leugen gegeten; want gij hebt vertrouwd op uw weg, op de veelheid uwer helden.

eDie goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood den armen gegeven.

e: 2Co 9:6 En dit zeg ik: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien.

10 Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.
11 fDie de reinheid des harten liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn, diens vriend is de koning.

f: Psa 101:6 Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen in het land, dat zij bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen.

12 De ogen des HEEREN bewaren de wetenschap; maar de zaken des trouwelozen zal Hij omkeren.
13 gDe luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!

g: Spr 26:13 De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten.

14 hDe mond der vreemde vrouwen is een diepe gracht; op welken de HEERE vergramd is, zal daarin vallen.

h: Spr 2:16 Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;
Spr 5:3 Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.
Spr 7:5 Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.
Spr 23:27 Want een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put.

15 iDe dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.

i: Spr 13:24 Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging.
Spr 19:18 Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden.
Spr 23:14 Gij zult hem met de roede slaan, en zijn ziel van de hel redden.
Spr 29:15 De roede, en de bestraffing geeft wijsheid; maar een kind, dat aan zich zelf gelaten is, beschaamt zijn moeder.
Spr 29:17 Tuchtig uw zoon, en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uw ziel vermakelijkheden geven.

16 kDie den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, [en] den rijke geeft, [komt] zekerlijk tot gebrek.

k: Spr 14:31 Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem.
Spr 17:5 Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.

17 Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
18 Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
19 Opdat uw vertrouwen op den HEERE zij, maak ik u [die] heden bekend; gij ook [maak] [ze] [bekend].
20 Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap?
21 Om u bekend te maken de zekerheid van de redenen der waarheid; opdat gij de redenen der waarheid antwoorden moogt dengenen, die u zenden.
22 lBeroof den arme niet, omdat hij arm is; en mverbrijzel den ellendige niet in de poort.

l: Zec 7:10 En verdrukt de weduwe noch den wees, den vreemdeling noch den ellendige; en denkt niet in uw hart de een des anderen kwaad.

m: Exo 23:6 Gij zult het recht uws armen niet buigen in zijn twistige zaak.
Job 31:13 Zo ik versmaad heb het recht mijns knechts, of mijner dienstmaagd, als zij geschil hadden met mij;
Psa 82:3 Doet recht den arme en den wees; rechtvaardigt den verdrukte en den arme.
Psa 82:4 Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand.

23 nWant de HEERE zal hun twistzaak twisten, en Hij zal dengenen, die hen beroven, de ziel roven.

n: Exo 22:22 Gij zult geen weduwe noch wees beledigen.
Exo 22:23 Indien gij hen enigszins beledigt, en indien zij enigszins tot Mij roepen, Ik zal hun geroep zekerlijk verhoren;
Psa 10:18 Om den wees en verdrukte recht te doen; opdat een mens van de aarde niet meer voortvare geweld te bedrijven.

24 Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;
25 Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.
26 oWees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn.

o: Spr 6:1 Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt;
Spr 11:15 Als iemand voor een vreemde borg geworden is, hij zal zekerlijk verbroken worden; maar wie degenen haat, die in de hand klappen, is zeker.

27 Zo gij niet hadt om te betalen, pwaarom zou men uw bed van onder u wegnemen?

p: Spr 20:16 Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed; en pand hem voor de onbekenden.

28 qZet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben.

q: Deu 19:14 Gij zult uws naasten landpale, die de voorvaderen gepaald hebben, niet verrukken in uw erfdeel, dat gij erven zult, in het land, hetwelk u de HEERE, uw God, geeft, om dat erfelijk te bezitten.
Deu 27:17 Vervloekt zij, die zijns naasten landpale verrukt! En al het volk zal zeggen: Amen.
Spr 23:10 Zet de oude palen niet terug; en kom op de akkers der wezen niet;

29 Hebt gij een man gezien, die vaardig in zijn werk is? Hij zal voor het aangezicht der koningen gesteld worden; voor het aangezicht der ongeachte lieden zal hij niet gesteld worden.

Updated: August 25, 2019 — 4:01 pm
My CMS © 2018 Frontier Theme