Ik ben in de hemel

I am in heaven

Alverzoening

1. Wat houdt de alverzoeningsleer in?

Het is bepaald niet aangenaam je met dwaalleer te moeten bezighouden. Maar laten we wel bedenken dat de alverzoeningsleer een grote bedreiging vormt voor de gelovigen. Ook heel wat christenen die als ‘bijbelgetrouw’ bekendstaan, zijn erdoor besmet. En dat is naar de mens gesproken ook begrijpelijk, want deze dwaalleer heeft een geweldige aantrekkingskracht, zowel voor het menselijk verstand als het menselijk gevoel.

1.1 Ons gemoed — Gods Woord

Bijna de hele kerkgeschiedenis door, vanaf de kerkvader Origenes tot bekende kerkleiders vandaag, zijn er hoogvereerde voorgangers geweest die de leer van de apokatastasis (de alverzoeningsleer) gepredikt hebben. (De term apokatastasis betekent ‘wederherstelling’ en is ontleend aan Hand.3:21.) Steeds weer heeft deze dwaalleer veel gelovigen aangesproken, die diep in hun hart het verlangen hadden dat een verzoening van alle mensen toch eens wáár mocht zijn. Wat zou het mooi zijn te weten dat er zelfs aan de hel eenmaal een einde komt en dat uiteindelijk door Gods, almacht en genade de mensen behouden zullen worden. Op wie heeft deze schone gedachte, dat God uiteindelijk op deze wijze over alle kwaad zal triomferen, eigenlijk géén aantrekkingskracht…? Wie heeft zich nog nóóit de vraag gesteld hoe de eeuwige verlorenheid van zoveel van Gods eigen schepselen met zijn
liefde te rijmen valt? Wie hier niet op z’n minst heel moeilijke vragen ziet, heeft nog nooit echt over dit onderwerp nagedacht. Juist zulke onnadenkende mensen vallen aan deze dwaalleer zo gemakkelijk ten prooi. Voor ons eigen gemoed immers is de gedachte van een uiteindelijke wederherstelling van alle mensen ongetwijfeld aantrekkelijker dan de gedachte aan de nimmer eindigende pijniging van zoveel verlorenen; niet alleen van een Hitler of een Stalin, maar ook van een Mahatma Gandhi of een Albert Schweitzer (voorzover we weten).

Maar let wel, ik zei: ‘voor ons eigen gemoed’. En dat is een slechte scheidsrechter in zulk soort vragen! Juist waar ons hart op eigen houtje begint te redeneren, doen we er nog des te wijzer aan dit te onderbreken om scherp te luisteren naar Gods eigen getuigenis in de Schrift. Dat alleen beslist elke vraag. Gedachten als ‘Ik kan mij niet voorstellen dat God zus of zo…’ spelen daarbij geen enkele rol. Als wij niet eens kunnen begrijpen waarom God de mens schiep mèt de mogelijkheid tot zondigen, of waarom God de zondeval toeliet, of waarom God al zoveel eeuwen de mensheid laat zitten met de gevolgen van de zondeval, wat heeft het dan te betekenen dat wij ons ook niet kunnen voorstellen dat zoveel zondaren voor eeuwig verloren zullen gaan? Er is zovéél dat ik mij niet kan `voorstellen’; maar dat doet niets terzake. God vraagt van mij slechts ootmoedige onderwerping aan zijn Woord. Het is trouwens opmerkelijk dat de christelijke Kerk in meerderheid de alverzoeningsleer steeds heeft afgewezen, zelfs wanneer die het vurigst en bekwaamst verdedigd werd. Daarin zien we de bewarende leiding van Gods Geest, die in de Gemeente het besef van Gods heiligheid en gerechtigheid en van de klare uitspraken van zijn Woord levend hield. Steeds bleef de Gemeente (in haar grote geheel) zich ervan bewust dat Gods heiligheid nooit tegen zijn liefde uitgespeeld mag worden; dat geen gevoelens of redeneringen ooit mogen ingaan tegen Gods eigen uitspraken; en dat de alverzoeningsleer het enorme gevaar van onbekommerdheid ten aanzien van de eeuwigheid in zich bergt, die de ernst van het evangelie ondergraaft.

1.2 Omschrijving van de dwaalleer

Zoals gezegd, is de alverzoeningsleer hoofdzakelijk gebaseerd op menselijke redeneringen, ongeveer in deze geest:

  1. Een eeuwige hellestraf is in strijd met de liefde van God; Hij kan er geen behagen in scheppen mensen tot in eeuwigheid te pijnigen en eeuwig het geween en het tandengeknars van miljoenen ongelukkigen aan te horen.
  2. Een eeuwige straf is in strijd met de rechtvaardigheid van God, omdat zij in geen verhouding staat tot de zonden die de mens, hoe erg ze ook zijn, toch gepleegd heeft in een kort leven, dat qua tijdsduur wegvalt tegen de eeuwigheid.
  3. Een eeuwige straf is in strijd met de heiligheid van God, want zij zou betekenen dat God zou toestaan dat miljoenen mensen tot in eeuwigheid voortgaan met tegen Hem te zondigen door hun haat en gescheld.
  4. Een eeuwige straf is in strijd met de verhevenheid van de mens als schepsel en beelddrager van God, want zij veronderstelt dat de verlorenen zich onder zo’n eeuwige straf voortdurend zouden blijven verharden zonder zich ooit gewonnen te geven en zich voor God te verootmoedigen.

De argumenten van de alverzoeningsleer die meer rechtstreeks op de Schrift gebaseerd lijken te zijn, luiden als volgt:

  1. De Schrift leert geen letterlijke eeuwige straf, maar spreekt over een hel slechts in figuurlijke taal; zij gebruikt immers uitdrukkingen als vuur, worm en duisternis, die slechts beelden zijn en niet letterlijk opgevat mogen worden (waar vuur is, kan bijv. niet tegelijkertijd duisternis zijn).
  2. De Schrift spreekt wel over eeuwige pijn, het eeuwige vuur enz , maar ‘eeuwig’ heeft daar, net als op andere plaatsen, niet de betekenis van eindeloos, nimmer ophouden, maar duidt een niet nader bepaalde maar wel beperkte tijdsperiode aan.
  3. De Schrift leert (a) dat God de behoudenis van alle mensen wil (en wie kan zijn wil weerstaan?), (b) dat Christus voor alle mensen gestorven is (en hoe zou iemand daar dan geen deel aan
    kunnen krijgen?), en (c) dat ook daadwerkelijk eenmaal allen verzoend (hersteld, levend gemaakt) worden en zich voor Christus zullen neerbuigen.

1.3 Tweeërlei universalisme

Ter nadere precisering moet hieraan nog toegevoegd worden dat we onder degenen die een eindeloze hellestraf voor de ongelovigen loochenen, verschillende varianten in de dwaalleer kunnen aantreffen. Naast het (absolute) universalisme, dat inderdaad meent dat alle mensen (en zelfs de duivel en zijn engelen) eenmaal door Gods genade tot bekering zullen komen, onderscheiden we ook het hypothetisch universalisme. Dit is de opvatting dat de mogelijkheid van bekering altijd open blijft, zowel in de tussentoestand (d.i. tussen sterven en opstanding) alsook in de eeuwige toestand, maar dat niet gezegd is dat allen ook inderdaad van deze mogelijkheid gebruik zullen maken. Of iemand dus inderdaad een eindeloze hellestraf zal moeten ondergaan, heeft hij in eigen hand. Ook in de eeuwigheid blijft hij beschikken over zijn vrije wil, waardoor hij kan besluiten alsnog tot inkeer te komen en zich voor God en Christus te buigen. Hij behoudt echter in die zin een eeuwige straf dat de hellepijn hem eeuwig zal bijblijven, waardoor hij altijd zal achterstaan bij hen die al in dit leven het evangelie hebben aangenomen.

Het universalisme moeten we ten slotte nog onderscheiden van de zg. vernietigingsleer oftewel het annihilationisme (het Lat. annihilatio betekent: ‘tot niets [= nihil] maken’). Dit is de leer dat uiteindelijk de ongelovigen (alsmede de satan en zijn engelen) zullen worden vernietigd, d.w.z. zullen ophouden te bestaan. Dit zou dan de tweede dood zijn. Men noemt deze leer ook wel het conditionalisme, omdat zij uitgaat van de idee van een conditionele (= voorwaardelijke) onsterfelijkheid. Men betoogt dat alleen God, en van nature geen enkel schepsel, onsterfelijkheid heeft (1Tim.6:16), en dat de gave van de onsterfelijkheid of onvergankelijkheid alleen door het geloof in Christus verkregen kan worden (Rom.2:7; 2Tim.1:10). De ongelovigen zijn en blijven dus vergankelijk, en zullen na het oordeel voor de grote witte troon dan ook inderdaad ‘vergaan’. Dit ophouden te bestaan is (zo redeneert men) dan ook de betekenis van uitdrukkingen als ‘verderf’, `verdorven worden’.

2. Tegenargumenten

2.1 Het getuigenis van de Schrift

Laten wij nu, om de alverzoeningsleer in haar verschillende varianten te bestrijden, allereerst luisteren naar het meest klare en duidelijke getuigenis van Gods Woord. Wij zullen eerst de schriftuurlijke argumenten geven voor de eindeloosheid van de hellestraf voor alle verlorenen. Daarna zullen wij enkele termen nader bespreken, nl. de betekenis van de Griekse woorden voor ‘eeuwig(heid)’ en voor ‘verderf/-ven’. Vervolgens gaan wij in op de argumenten die de voorstanders van de alverzoeningsleer zelf aanvoeren.

(a) De eeuwigheid van de hellestraf

Het Nieuwe Testament spreekt ten aanzien van de ongelovigen (en ook van de duivel en zijn engelen) over:

— de eeuwige straf (Matth.25:46);
— het eeuwige vuur (Matth.18:8; 25:41; Jud.:7);
— het eeuwig verderf (2Thess. 1: 9) ;
— eeuwige boeien (Jud.:6).

In Mark.3:29 wordt gesproken over een eeuwige zonde, wat blijkens het verband betekent een zonde die tot in eeuwigheid niet uitgeboet wordt. (Sommige handschriften lezen hier eeuwige straf of eeuwig oordeel; vgl. de Statenvert.)

Openb.14:11 zegt van de ongelovigen die het beest en zijn beeld aanbeden hebben: `(…) de rook van hun pijniging stijgt op tot in alle eeuwigheid.’

Openb.20:10 zegt van de duivel en ook van het beest en de valse profeet: `(…) zij zullen dag en nacht gepijnigd worden tot in alle eeuwigheid’, en wel in ‘de poel van vuur en zwavel’; vs.14v. zegt dat alle ongelovigen terechtkomen in deze zelfde ‘tweede dood: de poel van vuur’.
Wij gaan, zoals gezegd, later dieper in op de betekenis van ‘eeuwig’ en ‘tot in alle eeuwigheid’; eerst laten we zien dat er onafhankelijk van deze uitdrukkingen nog andere getuigenissen zijn die de eindeloosheid van de hellestraf duidelijk aantonen.

(b) De eindeloosheid van de hellestraf

Matth.25:10-12 geeft duidelijk aan — zij het dan in de beeldspraak van een gelijkenis — dat de verlorenheid van de ongelovigen onveranderlijk is, zelfs als zij in hun verlorenheid alsnog wroeging zouden krijgen (vgl. 7:22v.; Luk.13:25-28). Evenzo maakt Luk.16:26 duidelijk dat er (hoewel het hier nog niet de eeuwige, maar de tussentoestand betreft) een ‘grote kloof’ is tussen de gezaligden en de verlorenen, ‘zodat zij die van hier [de plaats der gelukzaligen] naar u [de plaats van de goddelozen] willen overgaan, niet kunnen, en zij vandaar niet naar ons kunnen overkomen’.

Mark.9:44 omschrijft de hel als het `onuitblusbare vuur’ (vgl. Jer.17:4), en in vs.48 wordt daaraan met betrekking tot de ongelovigen toegevoegd: ‘waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust’ (vgl. Jes.66:24). Wat dit niet sterven van hun worm ook moge betekenen (men denkt hier bijv. aan de nimmer eindigende wroeging van de verlorenen), en hoezeer het ‘vuur’ ook een bepaalde vorm van beeldspraak moge zijn, dat verandert niets aan het feit dat deze uitdrukkingen aangeven dat er aan de hellestraf van de ongeloyigen nimmer een einde komt.

Misschien minder sprekend, maar toch de vermelding waard, is de uitspraak in Joh.3:36: `(…) wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toom van God blijft op hem.’ Hebr.9:27 leert dat let de mensen beschikt is éénmaal te sterven en daarna het oordeel’, waarmee gezegd lijkt te zijn dat op het moment van de dood iemands bestemming voor altijd vastligt, zodat er daarna geen nieuwe kans op bekering meer gegeven is.

(c) Sommige mensen in ieder geval voor altijd verloren

Het Nieuwe Testament legt er duidelijk getuigenis van af dat op z’n minst een absoluut universalisme hiermee uitgesloten is. Matth.12:32 zegt dat ‘het spreken tegen de Heilige Geest’ (wat dat ook moge zijn) een mens niet zal `worden vergeven, noch in deze eeuw, noch in de toekomende’. Dat er inderdaad mensen zijn die deze zonde begaan hebben, blijkt uit het verband: een bepaalde groep Farizeeën had zich eraan schuldig gemaakt (vgl. Mark.3:30). Men kan hier nog tegenwerpen dat deze zonde weliswaar niet in deze of de volgende ‘eeuw’ wordt vergeven, maar mogelijk wel in een ‘eeuw’ daarná Maar de al genoemde paralleltekst in Mark.3:29 sluit deze verklaring uit: `(…) wie gelasterd heeft tegen de Heilige Geest, heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar staat schuldig aan eeuwige zonde.’ (Zie voor de betekenis van ‘eeuwig(heid)’ §2.3.)

Hebr.6:4-6 zegt dat het ‘onmogelijk’ is bepaalde mensen die van het christelijk geloof ‘afgevallen zijn, weder opnieuw tot bekering te brengen’. En Hebr.10:26v. zegt van zulke mensen dat er voor hen ‘geen offer voor de zonden meer overblijft, maar een vreselijk uitzicht op het oordeel en de felheid van een vuur dat de wederspannigen zal verteren’. Op zichzelf zijn deze Schriftplaatsen moeilijk genoeg als het gaat om de vraag wat voor mensen hier nu precies bedoeld zijn. Maar wie het ook zijn, er blijken in ieder geval mensen te zijn die zich niet meer zullen kunnen bekeren, voor wie geen zoenoffer meer beschikbaar is en die niets anders te wachten hebben dan de hel.

2.2 Het getuigenis van de Heer

Het mag nog wel bijzonder worden opgemerkt dat het in de meeste bovengenoemde Schriftplaatsen ging om uitspraken van de Here Jezus Zelf. Niemand in de Schrift heeft de liefde van God zó
tot uitdrukking gebracht als Hij; niemand kende een dieper mededogen met de verlorenen dan Hij. En toch spreekt niemand vaker dan Hij over de eeuwige hellestraf. Zozeer als niemand heerlijker dan Hij het eeuwige leven en de hemelse gelukzaligheid geschilderd heeft, zozeer heeft ook niemand zo ernstig gewezen op de eeuwige rampzaligheid van de verlorenen. Juist de openbaring van de hoogste liefde gaat noodzakelijk gepaard met de openbaring van de zwaarste straf. Juist Hij die het licht van de wereld is, openbaarde het bestaan van de buitenste duisternis. En zozeer als het eeuwige leven eeuwig is, zozeer is de eeuwige straf eeuwig; de parallel in Matth.25:46 laat daarover geen twijfel bestaan.

Ter afsluiting van dit gedeelte wijzen we op 1Petr.3:19v., dat vaak is aangehaald als argument dat er ook ná de dood nog een kans op bekering is. Daar lezen we dat Christus ‘heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis’ enz. Zeer dikwijls heeft men dat zo uitgelegd dat Christus na zijn sterven c.q. na zijn opstanding zou zijn afgedaald in de hel om daar tot de ongelovigen te prediken. Als argument voor de alverzoeningsleer is het zeer zwak, want er staat niet bij wat Christus gepredikt heeft. Zelfs al hield zijn prediking de triomf van Golgotha in, dan nog is daarmee niet gezegd dat allen die in de hel zijn (of zelfs maar één van hen) alsnog in die triomf zouden kunnen delen; een dergelijke aankondiging van Christus’ overwinning zou men zich evenzeer bedoeld kunnen denken als een onderstreping van de eeuwige verlorenheid van de ongelovigen.

Wij geloven trouwens helemaal niet dat Christus is afgedaald in de hel. Het doet binnen ons betoog niet veel terzake, maar wij lezen de tekst zo: 1de] Geest, in Welke Christus [ten dage van Noach] ook heengegaan is [vgl. Gen.6:3!] en gepredikt heeft [d.m.v. Noach; vgl. 2Petr.2:5] tot de [mensen van wie de] geesten [thans] in gevangenschap [zijn], die destijds ongehoorzaam waren toen de lankmoedigheid van God bleef afwachten in [de] dagen van Noach (…)’ (Telosvertaling).

2.3 Aioon: eeuw, eeuwigheid

We hebben een groot aantal Schriftplaatsen geciteerd die duidelijk maken dat de hellestraf voor de ongelovigen ‘eeuwig’ is. Maar we hebben ook al gememoreerd dat de alverzoeningsleer beweert dat dit woord ‘eeuwig’ op een beperkte tijdsduur doelt. We zullen nu dit argument nader onder de loep moeten nemen. Dit zal helaas leiden tot een nogal technische uiteenzetting, wat wij echter gezien het enorme belang van het onderwerp niet uit de weg moeten gaan.

`Eeuwig’ is in het Grieks aioonios, een bijvoeglijk naamwoord dat is afgeleid van aioon, dat zowel ‘eeuw’ als ‘eeuwigheid’ kan betekenen (soms ook ‘wereld’). Het is volkomen juist dat aioon soms duidt op een beperkte tijdsperiode, waarbij het overigens niet zozeer gaat om de lengte alswel om de geestelijke kenmerken van die tijdsperiode. Denken we aan uitdrukkingen als de ‘tegenwoordige eeuw’1, de ‘toekomstige (Messiaanse) eeuw’2, en ‘eeuw’ in meer algemene zin van ‘bedeling’3. Ook kan het woord doelen op een ‘lange tijd’ in het verleden, en wel in de uitdrukking `van oudsher’4.

Maar even duidelijk is, dat het woord zeer dikwijls doelt op de (eindeloze) ‘eeuwigheid’, zowel het beginloze verledene alsook de eindeloze toekomst. Letten we op de volgende uitdrukkingen.

  • eis ton aioona, ‘tot in eeuwigheid’, lett. ‘tot de eeuw(igheid)’6; soms is de uitdrukking afgesleten tot ‘nooit’, zonder letterlijk naar de ‘eeuwigheid’ te verwijzen (bijv. Joh.13:8); maar ook dan wordt nooit aan een einde in de tijd gedacht;
  • eis tous aioonas, ‘tot in eeuwigheid’, lett. ‘tot de eeuw(ighed)en’7;
  • eis pantas tous aioonas, ‘tot in alle eeuwigheid’, lett. ‘tot al de eeuw(ighed)en’ (Jud.:25);
  • eis ton aioona tou aioonos, ‘tot in alle eeuwigheid’, lett. ‘tot de eeuw(igheid) van de eeuw(igheid)’ (Hebr.1:8);
  • eis tous aioonas <toon> aioonoon, ‘tot in alle eeuwigheid’, lett. ‘tot de eeuw(ighed)en van <de> eeuw(ighed)en’8;
  • eis pasas tas geneas tou aioonos toon aioonoon, ‘tot in alle geslachten van alle eeuwigheid’, lett. ‘tot al de geslachten van de eeuw(igheid) van de eeuw(ighed)en’ (Ef.3:21).

Uit deze opsomming blijkt duidelijk dat, als we even afzien van de teksten die over het eeuwig oordeel spreken, niemand eraan kan twijfelen dat aioon in de geciteerde plaatsen `(eindeloze) eeuwigheid’ betekent. In geen enkele Schriftplaats waar we constructies met eis (`tot’) vinden, zijn aanwijzingen te vinden dat het om een beperkte tijdsperiode zou (kunnen) gaan. Integendeel, in verre­weg de meeste plaatsen is het onmiddellijk volkomen duidelijk dat het over de (eindeloze) eeuwigheid gaat. Dit is zo mogelijk neg duidelijker het geval in de overtreffende trap: ‘tot de eeuwigheden van de eeuwigheden’, waarin we maar liefst tweemaal het meervoud `eeuwigheden’ vinden. Welnu, dan kan er geen enkele twijfel over bestaan dat in Openb.14:11 en 20:10 over een eeuwige, d.i. nimmer eindigende, hellestraf voor het beest en de valse profeet en hun aanbidders gesproken wordt. Op z’n minst déze (zeer grote) categorie mensen zal dus een eindeloze hellestraf ondergaan. Daarmee is het absolute universalisme in feite al weerlegd.

2.4 Aioonios: eeuwig

Kijken we nu naar het bijvoeglijk naamwoord aioonios, ‘eeuwig’. Hier is de balans nog veel verder doorgeslagen van ‘eeuw’ naar `eeuwigheid’. Slechts in drie plaatsen hangt aioonios samen met de betekenis aioon, ‘eeuw’ (= beperkte tijdsperiode). Dat zijn Rom. 16:25; 2Tim.1:9 en Tit.1:2, waar we steeds de uitdrukking `[de] tijden van de eeuwen’ vinden. De voetnoot in de Telosvertaling bij de eerste tekst zegt: Tett. “eeuwige tijden”; maar het woord voor “eeuwig” duidt hier op “eeuw”, niet “eeuwigheid”.’ Hier zijn niet alle uitleggers het trouwens mee eens; sommigen willen ook hier aan de betekenis ‘eeuwigheid’ denken. Maar in ieder geval is er in alle overige (tientallen) plaatsen geen enkele innerlijke aanwijzing dat het woord in deze beperkte betekenis zou moeten worden opgevat. Integendeel: het woord dient er in het
Nieuwe Testament juist toe om het onvergankelijke, onverderfelijke, boven de tijd verhevene aan te duiden dat ons door het werk van Christus ontsloten is.

Denken we alleen al aan de uitdrukking liet eeuwige leven. Dat kan oudtestamentisch eventueel nog met het Messiaanse rijk op aarde verbonden worden (Dan.12:2) en wordt in die zin door velen als beperkt in de tijd opgevat. Zelfs in dat geval echter hebben we geen enkele aanwijzing in de Schrift dat een gelovige ná de ‘toekomende eeuw’ dat leven weer zou kunnen verliezen, integendeel; in feite bezitten zij het eeuwige leven dus wel degelijk tot in alle eeuwigheid. Maar waar de Here Jezus de uitdrukking met name in het Johannes-evangelie verbindt met de hemelse dingen, is in ieder geval elke beperking in de tijd volstrekt onmogelijk. Wie dit leven heeft, gaat niet verloren ‘in eeuwigheid’ (Joh.10:28; 11:25v.). De gelovige die weet voor de hemel bestemd te zijn, bezit dan ook een ‘eeuwig heil’ (Hebr.5:9), een ‘eeuwige verlossing’ (9:12) en een ‘eeuwige erfenis’ (9:15), verwacht een ‘eeuwig huis’ (2Kor.5:1; vgl. 1Kor.15:53), ‘eeuwige heerlijkheid’ (2Tim. 2:10; vgl. 1Petr.5:10: de heerlijkheid van God Zelf!) en rijkelijke ingang in het ‘eeuwige Koninkrijk’ (2Petr.1:11; vgl. Luk.1:33). De gelovige is dan ook in betrekking gebracht tot de ‘eeuwige God’ (Rom.16:26, de ‘eeuwige Geest’ (Hebr.9:14) en Hem die is ‘tot in eeuwigheid’ (Hebr.13:8); tot Hem die ‘eeuwige kracht’ bezit (1Tim.6:16). Wie zou in ook maar een van deze gevallen aan een beperking in de tijd durven denken?

Nergens wordt deze typisch nieuwtestamentische betekenis van aioonios duidelijker tot uitdrukking gebracht dan in 2Kor.4:18, waar het ‘eeuwige’ in klaar contrast wordt gesteld tot het ‘tijdelijke’. Duidelijk is ook Filém.:15, waar aioonion ‘voor altijd’ betekent; het is trouwens de enige plaats waar het woord zonder zelfstandig naamwoord voorkomt.

Ook hier moeten we concluderen dat niemand het recht heeft om in de plaatsen die over de eeuwige hellestraf spreken, aan het woord aioonios ineens de idee van een beperkte tijdsduur te ver­binden. Kijken we bijvoorbeeld naar Matth.25:46; daar is de ‘eeuwige straf’ parallel met het ‘eeuwige leven’; als dit laatste eindeloos is, dan ook het eerste. In Jud.:6 lezen we van engelen die tot het oordeel van de grote dag met ‘eeuwige banden’ bewaard worden. Hier betekent ‘eeuwig’ niet: ‘durend tot aan die grote dag’, maar het geeft aan dat òp die grote dag het definitieve oordeel over deze engelen wordt uitgesproken en dat zij ook ná die grote dag in de duisternis van het eeuwige vuur zullen verblijven. Normale, gezonde, onbevooroordeelde uitleg van Gods Woord kan onder de ‘eeuwige straf’, het ‘eeuwige vuur’ en het ‘eeuwig verderf’ niets anders verstaan dan een hellestraf die altijd voortduurt, ‘tot in alle eeuwigheden’ (Openb.14:11; 20:10).

Als ‘toegift’ bij dit gedeelte wijzen we nog op Klaag1.3:31, dat in dit verband wel eens aangehaald wordt: ‘(…) niet voor eeuwig verstoot de Here.’ Welnu, redeneert men, als ‘eeuwig’ dan inderdaad eindeloos moet betekenen, dan hebben we hier toch een duidelijk getuigenis dat de Here niet ‘voor eeuwig’ zal verstoten. Dat is waar, maar over wie gaat het hier? Over elk denkbaar mens die ooit geleefd zal hebben? Nee, de wenende profeet vertolkt hier de gevoelens van het getrouwe overblijfsel van Israël, een overblijfsel ‘naar de verkiezing der genade’ (vgl. Rom.11:5), dat weet van Gods oordelen, maar ook van zijn genade en herstel (vgl. 5:20-22 en bijv. Jes.54:6-8). Daarbij valt te bedenken dat het hier niet om een eeuwig oordeel gaat, maar om de oordelen die God in zijn regeringswegen op aarde voor een tijd over zijn volk brengt. Zulke oordelen zijn niet ‘voor altijd’, maar dienen tot loutering en inkeer.

2.5 Vernietiging

Kijken we nu naar de plaatsen waar over het (eeuwig) verderf gesproken wordt. We moeten daar aandacht aan schenken omdat sommige uitleggers, zoals gezegd, dit woord willen opvatten in de zin van ‘vernietiging’. Zij leren dat de ongelovigen (alsook de duivel en zijn engelen) na het oordeel voor de grote witte troon `verdorven’ worden in de zin van ‘vernietigd’; d.w.z. zij zouden ophouden te bestaan.

Nu moeten we in de eerste plaats al opmerken dat een dergelijke uitleg van de woorden voor ‘verderf’ dan wel in volslagen strijd komt met die plaatsen die spreken van een eeuwige pijniging (Openb.4:11; 20:10), van een ‘straf van eeuwig vuur’ (Jud.:7), van een ‘onuitblusbaar vuur’ en een ‘nooit stervende worm’ (Mark. 9:43,48). Ook de uitdrukking ‘eeuwige straf’ kan niet worden opgevat als een voor eeuwig vernietigd worden. In welke zin is vernietigd worden een eeuwige (nimmer ophoudende) vergelding?? Het is dat net zomin als ‘ophangen’ beschouwd zou kunnen worden als een vorm van ‘levenslang’.

Trouwens, hoe is een dergelijke vernietiging te rijmen met een met vele of weinige slagen geslagen worden (Luk.12:47v.), met het feit dat ieder geoordeeld zal worden ‘naar zijn werken’ (bijv. Openb.20:12v.) en dat het de een ‘draaglijker’ in het oordeel zal zijn dan de ander (bijv. Matth.10:15)? Dergelijke Schriftplaatsen wijzen op kwellingen waaraan de ongelovige wordt blootgesteld, wat heel iets anders is dan vernietiging. Dit geldt ook voor plaatsen die spreken over ‘pijniging’, ‘onuitblusbaar vuur’, ‘geween en tandengeknars’ (Matth.8:12), ‘verdrukking en benauwdheid’ (Rom.2:9).

Men zou onder dit argument kunnen proberen uit te komen door te stellen dat de ongelovigen eerst een tijdlang gepijnigd en pas daarna vernietigd worden; de ‘vele’ of ‘weinige slagen’ zouden zelfs op een bepaalde beperkte toegemeten straf kunnen wijzen. Maar dan kan men niet meer volhouden dat `verderf’ ver­nietiging’ zou betekenen, omdat immers de hel zelf kennelijk dit `verderf’ is (vgl. Matth.10:28; 2Thess.1:9). Ook zou men dan onafhankelijke aanwijzingen in de Schrift moeten vinden die erop zouden wijzen dat de hellestraf in de tijd beperkt is. (Dat geldt ook voor degenen die menen dat de ongelovigen na een beperkte hellestraf alsnog het heil ontvangen.) We vinden echter het omgekeerde, nl. vele plaatsen die op de eindeloosheid van de hellestraf wijzen; de ‘vele’ en ‘weinige slagen’ moeten dus als beeldspraak worden opgevat voor de zwaarte van de toegemeten eeuwige hellestraf.

2.6 Wat is verderf?

Laten we nu naar de Griekse woorden voor ‘verderf’ kijken:

  1. Apoleia, ‘verderf’, waarbij apollumi, ‘verderven’, hoort. Dit werkwoord heeft niet de zin van ‘vernietigd worden’, maar van ‘teloorgaan’, ‘ten onder gaan’. Het gaat nooit om het verlies van ‘zijn’, maar van ‘wèlzijn’.9 Dit kin onder andere betekenen het verlies van het aardse leven,10 maar dat betekent ook volgens de aanhangers van de vernietigingsleer nog niet de vernietiging, het doen ophouden te bestaan. Maar dan is het volstrekt willekeurig het woord wèl zo te willen lezen in Matth.10:28 (`beide, ziel en lichaam, verderven in de hel’); Joh.3:16; 10:28; Rom.2:12; 2Kor. 2:15; 4:3; 2Thess.2:10; 2Petr.3:9 (`verloren gaan’); Jak.4:12 (`verderven’). Evenzo betekent apoleia nooit ‘vernietiging’, maar ‘morele ondergang, verlies (van het eeuwig heil)’11. Er is niet de geringste aanwijzing in de Schrift dat dit woord ooit een ophouden te bestaan betekent.
  2. Olethros, ‘verderf’, hangt samen met olethreuo, ‘verderven’, dat alleen in Hebr.11:28 voorkomt in het deelwoord ‘verderver’. Olethros vinden we in 1Kor.5:5: ‘verderf [= ondergang, verwoes­ting] van het vlees’ (géén vernietiging, want dit vlees wordt weer opgewekt; vgl. 1Tim.6:9); 1Thess.5:3: ‘verderf’ in de zin van oordeel, eventueel met insluiting van het eeuwig oordeel, maar zeker niet in de zin van vernietiging; 2Thess.1:9: het ‘eeuwig verderf’, dus de eindeloze hellestraf; zeker geen vernietiging, want dan zou de toevoeging ‘ver van het aangezicht des Heren’ geen enkele zin hebben (wie niet meer bestaat, is noch dichtbij noch veraf).
  3. Phtora, ‘verderf, vergankelijkheid’; het bijbehorende werk woord phteiro betekent ‘verderven’, ‘ten verderve gaan’, of moreel `bederven’, ‘te gronde richten’12. Vervolgens gaat het werkwoord in de richting van de betekenis ‘eeuwig verderf’ in 2Petr.2:12 hun verdelging verdelgd worden’ — Telosvert.: ‘in hun eigen verderf omkomen’; zowel phtora als phteiro vinden we hier) en Jud. :10 (ligt hun verderf’ — Telosvert.: ‘verderven zij zich’, d.i. richten zijzichzelf te gronde). Phtora heeft de zin van het vergankelijke, het bedervende, teloorgaande,13 maar nooit de zin van dat wat op­houdt te bestaan. Het is als een voorwerp dat overboord valt, in de zee verdwijnt, verloren gaat, nooit meer tevoorschijn komt, maar tegelijk ook nooit ophoudt te bestaan. In Ga1.6:8 slaat het woord al héél duidelijk op het eeuwig verderf, omdat het daar in contrast staat tot het eeuwig leven (vgl. ook 2Petr.2:12).

Samenvattend merken we op dat geen van de woorden voor ‘verderf’ of ‘verderven’ in het Nieuwe Testament ooit de zin hebben van vernietiging, dus ophouden te bestaan.

We voegen daar nog aan toe dat de voorstanders van de vernietigingsleer het begrip ‘dood’ verkeerd verstaan. We merkten al op dat deze voorstanders de tijdelijke, lichamelijke dood onmogelijk als een vernietiging kunnen opvatten. Evenmin is de morele dood die het gevolg is van de zonde (Ef.2:1), een vorm van vernietiging, in welke zin dan ook. De morele dood houdt in een van God afgewend zijn, een van de gemeenschap met Hem afgesneden zijn, maar geen vernietiging. Zo is de tweede dood niets anders dan een intensivering van de morele dood: een voor eeuwig van God afgesneden zijn (vgl. weer 2Thess.1:9!), maar niet een vernietigd zijn. ‘Verderf’ is niet een einde maken aan het bestaan van de mens, maar een hem voor eeuwig prijsgeven aan een plaats en een toestand van gescheiden zijn van God.

Op deze feiten stuiten de redeneringen over de ‘vergankelijkheid’ van de mens (de mens die van nature geen ‘onsterfelijkheid’ zou bezitten) zonder meer af. In zekere zin is een mens die aan de `tweede dood’ is prijsgegeven, trouwens ook niet ‘onsterfelijk’, d.i. niet kunnende sterven, want hij is dood; maar dat is heel wat anders dan vernietigd.

3. Andere argumenten van ‘alverzoeners’

Na deze weergave van de schriftuurlijke leer — de Schrift leert dat de ongelovigen voor altijd naar de hel verwezen worden, om daar eindeloos gestraft te worden — willen we dan ingaan op nog andere argumenten van de aanhangers van de alverzoeningsleer.

Wij hebben gezien dat de Schrift leert dat de ongelovigen een eeuwige, eindeloze, ononderbroken hellestraf moeten ondergaan. Deze leer staat tegenover de dwaalleer van de alverzoening, die beweert dat er òf helemaal geen hel is òf dat de ongelovigen er slechts een beperkte tijd zullen verblijven, zich daarna alsnog zullen bekeren en dan behouden zullen worden. Ook staat deze schriftuurlijke leer tegenover de vernietigingsleer, die beweert dat de ongelovigen na het oordeel voor de grote witte troon (eventueel na een beperkte hellestraf) vernietigd worden d.w.z. zullen ophouden te bestaan.

3.1 Hel letterlijk of figuurlijk?

Nu heeft de alverzoeningsleer ook zelf bepaalde ‘schriftuurlijke’ argumenten aangedragen, die wij in het begin al hebben opgesomd. Gedeeltelijk hebben we al geprobeerd die te ontzenuwen, maar aan verschillende argumenten moeten we nog aandacht besteden. Ten eerste is dat het argument dat de Schrift over de hel slechts in figuurlijke taal spreekt, en dat we uit dat taalgebruik dus niet een eeuwige hellestraf mogen concluderen.

Dit argument berust op een verwarring van twee punten: het spreken van de Schrift over een hel als zodanig enerzijds en de wijze waarop de Schrift deze hel en haar kwellingen beschrijft anderzijds. De hele kwestie is dat de Schrift spreekt over een letterlijke hel, maar die (inderdaad) beschrijft in figuurlijke taal. De Schrift spreekt over de hel in even reële zin als over de hemel. Zij spreekt echter bijvoorbeeld over het hemelse Jeruzalem evenzeer in figuurlijke taal: we kunnen toch moeilijk aannemen dat daar letterlijke paarlen poorten en gouden straten zullen zijn. Maar geen bijbelgetrouw christen kan toch menen dat het hemelse Jeruzalem als zodanig dáárom geen reële zaak zou voorstellen! De hemelse en de helse werkelijkheid móeten ons wel in figuurlijke (d.i. aan de aardse werkelijkheid ontleende) taal beschreven worden, omdat wij er ons anders totaal geen voorstelling van zouden kunnen maken. Maar dat doet niets af aan het feit dat hemel en hel als zodanig reële, letterlijk bestaande plaatsen zijn. Zo spreekt de Schrift dus over een werkelijke plaats waarheen de ongelovigen voor eeuwig verwezen worden. Dat de kwellingen van de verlorenen ons slechts in overdrachtelijke zin kunnen worden beschreven, doet niets af aan de realiteit van deze kwellingen als zodanig.

3.2 Het heil voor alle mensen?

Belangrijker zijn die argumenten van de alverzoeningsleer waarin met een beroep op de Schrift wordt betoogd dat God wil dat alle mensen behouden worden, dat Christus voor alle mensen gestorven is en dat uiteindelijk ook daadwerkelijk alles hersteld wordt. Inderdaad lijkt het bij oppervlakkige lezing dat de alverzoeningsleer hier heel wat pijlen op haar boog heeft. Laten we de belangrijkste Schriftplaatsen die in het geding zijn, kort opsommen.

(A) ‘God wil dat alle mensen behouden worden’

  • 1Tim.2:4: ‘God, onze Heiland, die wil, dat alle mensen behouden worden:
  • 2Petr.3:9: ‘Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen.’

(B) ‘Christus is voor alle mensen gestorven’

  • Joh.1:29: ‘Zie, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.’
  • 2Kor.5:14v.: `(…) dat Eén voor allen gestorven is (…) voor allen is Hij gestorven.’
  • 1Tim.2:5v.: ‘Want er is één middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen.’
  • Hebr.2:9: ‘opdat Hij (…) voor een ieder de dood zou smaken.’
  • 1Joh.2:2: ‘Hij is een verzoening voor onze zonden en niet al­leen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld.’

(C) ‘Het heil wordt alle mensen geschonken’

  • Joh.3:17: ‘God heeft zijn Zoon in de wereld gezonden opdat de wereld door Hem behouden worde.’
  • Joh.4:42: ‘Deze is waarlijk de Heiland der wereld’ (vgl. ijoh. 4:14).
  • Joh.12:47: ‘Ik ben gekomen (…) om de wereld te behouden.’
  • Rom.3:23v.: ‘Allen hebben gezondigd (…) en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade.’
  • Rom.5:18v.: ‘Derhalve, gelijk het door één daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, zo komt het ook door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven. Want, gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens zeer velen zondaren geworden zijn, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van één zeer velen rechtvaardigen worden.’
  • Rom.11:32: ‘God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om Zich over hen allen te ontfermen.’
  • 1Kor.15:22: ‘Allen zullen in Christus levend gemaakt worden:
  • 2Kor.5:19: ‘God was in Christus de wereld met Zichzelf. verzoenend.’
  • 1Tim.4:10: ‘God, die een Heiland is voor alle mensen, inzonderheid voor de gelovigen.’
  • Tit.2:11: ‘Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen.

(D) ‘God zal in Christus alle dingen herstellen’

  • Hand.3:21: `(…) de tijden van de wederoprichting van alle dingen?
  • 1Kor.15:28: `(…) God zij alles in allen.’
  • Ef.1:10: `(…) om al wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten.’
  • Fil.2:10v.: `(…) opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here.’
  • Ko1.1:20: `(…) door Hem alle dingen weder met Zich te verzoenen, (…) hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is.’
  • Openb.5:13: ‘En alle schepsel in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem die op de troon gezeten is, en het Lam, zij de lof (…)’
  • Openb.21:5: ‘En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw.’

Voordat we op deze Schriftplaatsen ingaan, moeten we allereerst opmerken dat geen van deze plaatsen de gedachte van een eeuwige hellestraf rechtstreeks weerspreekt. Geen enkele Schriftplaats leert dat de straf in de hel maar voor een beperkte tijdsduur is, dat diegenen die daarnaar verwezen worden, na een tijd tot bekering zullen komen en alsnog behouden worden. Geen enkele Schriftplaats leert dat er na de dood nog zoiets als een ‘tweede kans’ bestaat (integendeel: zie Hebr.9:27), dat men zich na de dood alsnog te eniger tijd zou kunnen bekeren. Dat moet diegenen die uit bovengenoemde teksten vlot concluderen dat uiteindelijk Mie mensen die ooit geleefd hebben, behouden zullen worden, toch wel iets zeggen. Zij kunnen niet om het bijbels getuigenis heen dat er een eindeloze hellestraf voor de ongelovigen is. Bovenstaande teksten zullen dan ook in dat licht verklaard moeten worden. Nu zou men natuurlijk het omgekeerde kunnen betogen. Men, zou kunnen stellen: bovenstaande Schriftplaatsen maken ondubbelzinnig duidelijk dat uiteindelijk alle mensen behouden worden, en das moeten de Schriftplaatsen die over een eindeloze hellestraf lijken te spreken, in dàt licht verklaard worden! Wie zo redeneert, draait dus het hele betoog precies om. Dit lijkt een tamelijk wanhopige situatie. Hier lijken immers twee groepen van Schriftplaatsen lijnrecht tegenover elkaar te staan: de ene groep leert de eeuwige hellestraf voor de ongelovigen, de andere groep leert de uiteindelijke behoudenis van alle mensen. Ieder die de héle Schrift serieus neemt, zal dus moeten kiezen welke van de twee groepen hij zonder meer aanvaardt, en zal dan vervolgens de andere groep teksten moeten proberen ‘weg te verklaren’ in het licht van de eerste groep teksten…

Is dit inderdaad de situatie? Ik geloof er niets van. Ik ben ervan overtuigd (en hoop dat ook aan te tonen) dat er enerzijds een onmiskenbaar Schriftgetuigenis voor de eindeloosheid van de hel­lestraf bestaat en dat anderzijds geen enkele van bovengenoemde teksten inderdaad leert dat alle mensen uiteindelijk daadwerkelijk behouden worden.

3.3 De wil van God

Wat de teksten in categorie (A) betreft: we lezen inderdaad in 1Tim.2:4 en 2Petr.3:9 dat God wil dat alle mensen behouden worden resp. tot bekering komen. Welnu, zou men kunnen vragen, wie zou Gods wil kunnen weerstaan (vgl. Rom.9:19)? Als God het wil, dan worden toch alle mensen ook behouden? Als een mens zich dan in dit leven niet bekeert, dan zal God er toch zeker wel voor zorgen dat die mens zich in het hiernamaals alsnog bekeert?

Dit lijkt inderdaad een sterk argument. Maar de grote vraag is maar in welke zin hier over de wil van God wordt gesproken. Uit de Schrift kan een duidelijk onderscheid tussen tweeërlei wil van God worden afgeleid:

(a) Zijn onwederstandelijke wil, d.i. de absolute, soevereine wil van God, die inderdaad Oen mens kan weerstaan Deze wil heeft te maken met Gods raadsbesluit. In dat besluit ligt bij voorbaat alles volkomen vast, geheel onafhankelijk van de wil en de verantwoordelijkheid van de mens. Treffende voorbeelden vinden we in
Ga1.1:4; Ef.1:5,9,11; vgl. ook Rom.9:16,18: ‘Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die Zich ontfermt. (…) Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil.’

(b) Zijn wederstandelijke wil, d.i. de wil van God die te maken heeft met zijn wegen, waarin Hij zijn wil aan de mens voorlegt, maar de mens in de hem gegeven verantwoordelijkheid van deze wil kan afwijken. Hier staat de wil van God tegenover de wil van de mens, die door de zonde Gods wil kan weerstaan c.q. deze ongehoorzaam kan zijn. Men zou hier van de wensende wil van God kun­nen spreken. Het treffendste voorbeeld hiervan in verband met de behoudenis is Matth.23:37 en Luk.13:34: `(…) hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, (…) en gij hebt niet gewild.’ Hier staat de wensende wil van Christus tegenover de zondige onwil van de mens die het aangeboden heil niet wil aanvaarden. In dit verband denken we ook aan plaatsen waar de uitnodigende stem van Christus een beroep doet op de wil van de mens, zoals in Joh.7:17 (Indien iemand diens wil doen wil’) en Openb.22:17 (`en wie wil, neme het water des levens om niet’). We komen er later op terug dat God vanuit het standpunt van de verantwoordelijkheid van de mens deze zondige onwil ‘respecteert’ en de mens tenslotte verwijst naar een plaats waar deze tot in eeuwigheid in deze zelf gekozen onwil kan volharden.

3.4 Voor alle mensen?

In categorie (B) vinden we twee teksten, in 2Kor.5 en Hebr.2, die zeggen dat Christus voor allen resp. voor alles (of: voor ieder) gestorven is. Aan deze twee uitspraken zijn twee vragen te verbinden:

  1. Betekent ‘allen’ of ‘ieder’ hier alle mensen die ooit geleefd hebben, of heeft het een beperktere betekenis?
  2. Betekent het feit dat Christus voor allen gestorven is, dat allen dan ook daadwerkelijk behouden worden?

De eerstgenoemde vraag zal nog bij verschillende andere Schriftplaatsen aan de orde komen. Men zal zich steeds moeten afvragen wat de precieze reikwijdte van dit ‘allen’ in elke afzonderlijke tekst is. Zo lijkt het in Hebr.2 weliswaar een universele betekenis te hebben; alleen is daar niet duidelijk of het ‘alles’ of ‘ieder’ moet zijn. Als het ‘alles’ moet zijn, betekent dit ‘alle dingen’, en we zullen straks zien dat dat niet noodzakelijk ‘alle mensen’ insluit. In 2Kor.5 is het niet zeker dat het ‘allen’ een universele betekenis heeft, aangezien vs.15 vervolgt: `(…) opdat zij, die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem, die voor hen gestorven is en opgewekt.’ Hieruit zou men kunnen opmaken dat Christus slechts gestorven is voor allen die ook daadwerkelijk tot nieuw leven komen. Men kan deze tekst dus niet als argument gebruiken om te stellen dat alle mensen tot dit nieuwe leven komen. De uitdrukking ‘zij die leven’ lijkt immers een categorie te veronderstellen ter onderscheiding van ‘hen die nog dood zijn’. In verband daarmee is wel begrijpelijk dat de gereformeerde theologie onder het ‘allen’, zowel hier als in veel andere Schriftplaatsen, zonder meer veronderstelt dat het hier om ‘alle uitverkorenen’ gaat. Dat klinkt wel gezocht, maar het is tenminste wel één oplossing voor de moeilijke leerstellige vraag hoe groot de reikwijdte van Christus’ verlossingswerk is.

Er zijn in de loop des tijds heel wat visies naar voren gebracht:

  1. Christus is alleen voor de uitverkorenen gestorven en heeft alleen hán zonden uitgeboet; de niet-uitverkorenen zijn dus voor eeuwig verloren, omdat er voor hun zonden geen verzoening aangebracht is.
  2. Christus is voor alle mensen gestorven, wat praktisch inhoudt dat het heil ook alle mensen kan worden aangeboden (dit is de kant van de verantwoordelijkheid van de mens, die moet beslissen of hij dit heil aanneemt of verwerpt); anderzijds heeft Chris­tus de zonden alleen van die mensen feitelijk uitgeboet die zich daadwerkelijk bekeren. resp. door God uitverkoren zijn (dit is de kant van Gods eeuwige, soevereine raadsbesluit).
  3. Christus is voor alle mensen gestorven c.q. heeft in beginsel de zonden van alle mensen gedragen; maar deze verzoening wordt de
    mens ook daadwerkelijk toegerekend als hij zich bekeert; doet hij dit niet, dan worden zijn zonden niet feitelijk uitgeboet en zal hij naar zijn eigen werken voor eeuwig veroordeeld worden.
  4. Christus is voor alle mensen gestorven c.q. heeft de zonden van alle mensen gedragen en ook daadwerkelijk uitgeboet, zodat diegenen die zich niet bekeren, niet verloren gaan om hun zonden, maar om hun ongeloof.
  5. De laatste ‘oplossing’ is dan die van de alverzoeningsleer: Christus heeft de zonden van alle mensen daadwerkelijk uitgeboet, zodat uiteindelijk ook daadwerkelijk alle mensen behouden zullen worden.

Nu is het niet mijn bedoeling al deze visies hier te bespreken. Het is slechts mijn bedoeling met deze opsomming aan te tonen dat het heel moeilijk is de vele betrokken Schriftplaatsen in hun rechte onderlinge verband te zien en de schriftuurlijke leer van de verzoening recht te verstaan. Maar daarmee is dan tevens gezegd dat het niet aangaat zomaar uit deze Schriftplaatsen tot de alverzoening te concluderen. Wie dat doet, heeft over de problemen kennelijk nog niet eens nagedacht. Immers, dit staat als een paal boven water: geen van deze Schriftplaatsen zegt met zoveel woorden dat uiteindelijk ook daadwerkelijk alle mensen behouden worden. We zullen dit uiteraard direct verder nagaan, maar in ieder geval stellen we hier al vast dat, zelfs als het juist zou zijn dat Christus voor alle mensen gestorven is (wat niet vaststaat!), dan betekent dat niet noodzakelijk dat dás ook alle mensen behouden worden. Een dergelijke vèrgaande conclusie zou door andere Schriftplaatsen gedekt moeten zijn.

Er blijven in categorie (B) (`Christus is voor alle mensen gestorven’) nog drie teksten over die we moeten behandelen.

* Joh.1:29 zegt dat Lam van God de zonde van de wereld wegneemt. Velen lezen hier alsof er stond: de zonden der wereld; in dat geval kan men niets anders dan lezen: de zonden van alle mensen. Maar zelfs als er had gestaan dat Christus de zonden van
alle mensen heeft weggenomen, dan zou dat geen bewijs voor de alverzoening zijn geweest, hoogstens een argument voor de ‘algemene verzoening’, d.w.z. voor de leer dat Christus weliswaar de zonden van alle mensen gedragen heeft, maar dat degenen die dat niet in geloof aannemen, toch verloren gaan. Maar er staat geen `zonden’, maar `zonde’; en in dat geval kan men onder de hele zinsnede minstens zo goed verstaan dat Christus de zondemacht uit de kosmos zal wegnemen. In dit geval verstaat men onder `wereld’ de ‘alle dingen’ (niet ‘alle mensen’!) die we later ook bijvoorbeeld in Ko1.1:20 zullen tegenkomen.

* 1Tim.2:6 zegt dat Christus Zichzelf gegeven heeft tot een losprijs ‘voor allen’. Ten eerste zitten we hier weer met de vraag: Staat het werkelijk vast dat het hier gaat om ‘alle mensen die ooit geleefd hebben of nog zullen leven’? Als men dit aanneemt, dan komt de tweede vraag: Wat is de reikwijdte en betekenis van het woordje ‘voor’ (hyper), dat hier gebruikt wordt? Deze tekst herinnert ons onmiddellijk aan Matth.20:28 en Mark.10:45: ‘De Zoon des mensen is gekomen (…) om zijn leven te geven als losprijs voor (anti) velen.’ We kunnen nu de vraag anders formuleren: Wat is het verschil tussen ‘voor (hyper) allen’ en ‘voor (anti) velen’? De voetnoot in de Telosvertaling zegt bij anti: ‘D.i. “in plaats van”; het door “voor” vertaalde Gr. woord in bijv. 1Tim. 2:6 betekent: “zich uitstrekkend tot”, in de zin van een aanbod.’ Dit betekent dus dat de bedoeling van 1Tim.2 is: Christus heeft een losprijs betaald waarvan de waarde aan alle mensen wordt aangeboden. De bedoeling van Matth.20 is: de losprijs die Christus betaald heeft, komt slechts daadwerkelijk ten goede aan een beperkte categorie, angeduid als ‘velen’. We realiseren ons terdege dat dit maar een menselijke verklaring is. Maar het is tenminste een verklaring die het verschil in voorzetsels en het verschil tussen ‘velen’ en `allen’ honoreert. Daaraan geven we de voorkeur boven die van de alverzoeningsleer, die van de twee uitdrukkingen feitelijk hetzelfde maakt.

* Ten slotte nog de plaats in 1Joh.2. Ook hier beperken we ons tot het stellen van de noodzakelijke vragen. Er staat in deze tekst
dat Christus het zoenoffer voor ‘onze’ zonden is, d.i. uiteraard voor de zonden van alle gelovigen. Maar deze tekst zegt niet noodzakelijk dat Christus de zonden van alle mensen heeft uitgeboet. Ten eerste kan men vertalen: ‘voor die van de hele wereld’, maar ook: ‘voor de hele wereld’, en dan kan ‘wereld’ hetzelfde betekenen als hierboven in Joh.1:29. Ten tweede: zelfs als men leest: ‘zoenoffer voor de zonden van de hele wereld’, dan is daarmee nog niet noodzakelijk gezegd dat alle zonden ook daadwerkelijk zijn uitgeboet c.q. dat niemand dus meer om zijn zonden verloren zou kunnen gaan. Het gaat ook hier weer om de precieze reikwijdte en betekenis van het gebruikte voorzetsel ‘voor’ (hier weer een ander: pen). Ook daarover hoeven we hier niet uit te weiden. Het is genoeg, op te merken dat 1Joh.2 niet noodzakelijk leert dat de zonden van alle mensen feitelijk zijn uitgeboet (en dus niet meer bestraft zouden kunnen worden).

3.5 Allen gerechtvaardigd?

We komen nu tot de teksten in categorie (C) (`Het heil wordt alle mensen geschonken’); we zullen die een voor een bespreken.

* Joh.3:17; 4:42; 12:47 en 1Joh.4:14 zeggen niet dat de hele wereld ook daadwerkelijk behouden wordt, maar geven alleen de intentie van God resp. van Christus weer. Men kan hier weer denken aan wat in §3.3 gezegd is over de wensende wil van God.

* Rom.3:23v. is (met 11:32) misschien wel het ‘sterkste’ argument van de alverzoeningsleer. Hier staat dan toch maar met zoveel woorden dat ‘allen’ gezondigd hebben (en dat kan toch alleen maar betekenen ‘alle mensen die ooit geleefd hebben of nog zullen leven’) èn om niet gerechtvaardigd worden! Hier stáát toch dat alle mensen voor eeuwig behouden worden!? Nee, dat staat hier niet. De rechtvaardiging wordt in vs.21-31 maar liefst negenmaal met eenzelfde voorwaarde verbonden, en wel het geloof. Anders gezegd: de context maakt onmiskenbaar duidelijk dat ‘allen’ slechts gerechtvaardigd worden in zoverre zij geloofd hebben. En
er is niets in deze passage of ergens anders in de Schrift dat er ook maar enigszins op wijst dat uiteindelijk inderdaad alle mensen tot geloof zouden komen. De Schrift leert dat de rechtvaardiging voor allen is; maar de Schrift zegt niet dat inderdaad ook allen door geloof daar deel aan krijgen.

Sommige uitleggers zien deze twee aspecten in vs.22: `(…) gerechtigheid van God door geloof in Jezus Christus tot <allen, en over> allen die geloven’; als de lezing tussen <> juist is, denken deze uitleggers hier enerzijds aan het aanbod van genade (` tot allen’ = alle mensen) en anderzijds aan de aanneming daarvan Cover allen die geloven’).

Er is trouwens blijkens de context nog een tweede reden waarom `allen’ in vs.24 niet ‘allen zonder uitzondering’ betekent; het betekent ‘allen zonder onderscheid’ (vgl. vs.22b), wat heel iets anders is. Het hele betoog van Paulus is erop gericht duidelijk te maken dat de morele positie van de Jood voor God gelijk is aan die van de heiden. Ondanks de uiterlijke bevoorrechting van de Jood was deze van nature evenzeer een zondaar als de heiden en evenzeer afhankelijk van Gods genade, op grond van geloof. In dit licht gezien kunnen we vs.23v. dus zo parafraseren: ‘Want allebei (Jood en heiden) hebben zij gezondigd (…) en zij kunnen allebei slechts om niet gerechtvaardigd worden door Gods genade, door de verlossing die Christus Jezus bewerkt heeft en die zowel Jood als heiden slechts ten deel valt op grond van geloof.’

* Rom.5:18v. is een treffend voorbeeld van de twee genoemde aspecten. In vs.18 gaat het om het aanbod van genade; we lezen daar over ‘alle mensen’, en Paulus gebruikt het voorzetsel ‘tot’: let [strekt] door één gerechtigheid tot alle mensen tot [de] rechtvaardiging van [het] leven’ (Telosvert.), d.w.z. alle mensen kunnen van de door Christus bewerkte gerechtigheid profiteren; de gevolgen van zijn werk ‘strekken zich uit tot alle mensen. In vs.19 daarentegen gaat het niet om het aanbod, maar om de feitelijke aanvaarding van de genade; het gaat er om hen die daadwerkelijk `tot rechtvaardigen gesteld worden’. Maar hier is dan ook geen
sprake van ‘alle mensen’ maar van ‘de velen’. Zeker, deze uitdrukking zou ook alle mensen kunnen omvatten — in vs.19a is dit inderdaad duidelijk het geval! — maar dit hoeft niet, integendeel; daarvoor is het verschil dat Paulus hier tussen ‘alle mensen’ en ‘de velen’ maakt, te treffend. In vs.18 bedoelt hij tweemaal de héle mensheid; maar in vs.19 plaatst hij als het ware twee families tegenover elkaar: ‘de velen’ die ressorteren onder de eerste Adam en ‘de velen’ die ressorteren onder de laatste Adam. Ook hier herhalen we dat het best mogelijk is dat iemand het met deze uitleg niet eens is. Maar het is in ieder geval een uitleg die zowel het verschil tussen ‘allen’ en ‘velen’ als het verschil in zinsconstructies honoreert, terwijl de alverzoeningsleer vs.18 en vs.19 in feite precies hetzelfde laat zeggen zonder deze verschillen te honoreren.

* Over Rom.11:32 kunnen we kort zijn, omdat dit vers helemaal vergelijkbaar is met Rom.3:23v. Net zoals we daar gedaan hebben, kunnen we op grond van de al genoemde argumenten de volgende parafrase van dit vers geven: ‘Want God heeft allebei (zowel de Jood als de heiden) onder [het] ongeloof besloten, opdat Hij aan allebei zonder onderscheid dezelfde barmharigheid zou bewijzen, althans op voorwaarde van geloof, die het tegendeel van ongeloof is’ (vgl. vs.30v.). Ook hier blijkt op grond van de context uitdrukkelijk dat de voorwaarde van het geloof bij vs.32 gedacht moet worden.

* 1Kor.15:22 zegt weliswaar dat in Christus alle mensen levend gemaakt worden, maar niets in deze passage geeft ons het recht te beweren dat dit betekent: behouden. Deze levendmaking staat in 1Kor.15 in verband met de opstanding. Welnu, iedere christen weet dat uiteindelijk alle gestorvenen weer zullen opstaan, maar er is een ‘opstanding ten leven’ en een ‘opstanding ten oordeel’ (Joh.5:29), een opstanding ter behoudenis en een opstanding ter verdoemenis. Maar, zegt de alverzoeningsleer, maakt nu juist Joh.5 niet duidelijk dat alleen de opstanding van de gelovigen een opstanding ten leven is? Als 1Kor.15 dan zegt dat alle mensen levend gemaakt worden, betekent dat dan niet dat zij die opstaan ten oordeel, uiteindelijk toch ook nog het leven zullen ontvangen? Noemt Openb.20 degenen die ten oordeel opstaan, niet nog steeds ‘doden’? Moet men dan niet aannemen dat hun feitelijke levendmaking in de zin van 1Kor.15 pas later zal plaatsvinden? Het eenvoudige antwoord op deze vragen staat in Openb.20:5: `De overige doden werden niet weder levend voordat de duizend jaren voleindigd waren.’ Hier zitten natuurlijk allerlei haken en ogen aan vast: wanneer worden deze ‘duizend jaren’ vervuld? en: staan alle doden tegelijk op, of staan de ongelovig gestorvenen pas duizend jaar later op? Maar dat doet er hier allemaal niet toe. Waar het om gaat, is dat deze opstanding na de ‘duizend jaren’ in ieder geval ook de ongelovigen omvat, dat zij weliswaar ook ná hun opstanding nog ‘doden’ worden genoemd, maar dat deze opstanding desniettemin een levendmaking’ wordt genoemd. ‘Levendmaking’ heeft gewoon twee betekenissen: het kan betrekking hebben op de levendmaking van het fysieke lichaam bij de opstanding, of het nu om gelovigen of ongelovigen gaat (dit is de betekenis in 1Kor.15:22 en Openb.20:5), èn levendmaking’ kan in verband staan met het nieuwe leven van de wedèrgeboorte (vgl. Ef.2:5; Ko1.2:13). Er is niets in 1Kor.15, ook de uitdrukking `in Christus’ niet, dat ons noopt aan wedergeborenen te denken, integendeel.

* 2Kor.5:19 zegt dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenend was. Hier staat niet dat God de wereld met Zichzelf verzoend hééft, zoals zoveel uitleggers al te gemakkelijk lezen. Trouwens, zelfs als dat er gestaan had, dan moest nòg nader bewezen worden dat hier méér bedoeld was dan dat God verzoening voor de wereld tot stand gebracht had, dus méér bedoeld dan het algemeen aanbod van genade (vgl. hierboven bij 1Joh.2:2). Maar er staat dat God ‘in Christus verzoenend was’. Toen Christus op aarde verkeerde, reikte God op heel bijzondere wijze aan de hele wereld de hand van de verzoening, zoals Hij thans dat ‘woord van de verzoening’ in handen van zijn dienstknechten heeft gelegd
(vs.19v.). Het feit dat ook dezen nog steeds uitgaan om het woord te prediken opdat mensen verzoend worden, geeft al aan dat de hele wereld nog niet verzoend is (en trouwens ook nooit zal worden).

* In 1Tim.4:10 betekent het door ‘Onderhouder’ vertaalde woord (in de Telosvert.) inderdaad in feite ‘Behouder’ of ‘Heiland’. Er staat dan dat God een ‘Behouder is van alle mensen’. Maar wat moet men dan met het vervolg: ‘het meest van [de] gelovigen’? Schenkt God eeuwige behoudenis aan de ongelovigen, maar het meest aan de gelovigen?? Wat moet men zich daarbij voorstellen? Behoudt God zelfs mensen die nooit tot geloof (willen) komen, zelfs in de eeuwigheid niet? En in welke zin behoudt God dan de gelovigen ‘het meest’? Er zijn hier, zover ik weet, slechts twee oplossingen te bedenken: òf het betreffende Griekse woord betekent hier inderdaad ‘Onderhouder’ in die zin dat het hier slechts over Gods voorzienigheid gaat, zijn zorg voor al zijn schepselen; èf het gaat hier werkelijk om de eeuwige behoudenis, maar dan in deze zin: God is in principe de Heiland van alle mensen (d.w.z. alle mensen kánnen in principe behouden worden), maar daadwerkelijk alleen van hen die geloven (vgl. weer 2:4-6).

* Tit.2:11 vertelt dat de genade van God ‘heilbrengend voor alle mensen’ is. Hier staat niet dat alle mensen ook daadwerkelijk dit heil deelachtig worden. Dit is weer een voorbeeld van wat men noemt het algemene aanbod van genade, zonder dat daarmee gezegd is dat alle mensen dat aanbod ook aannemen.

3.6 Alle dingen hersteld

In categorie (D) (`God zal in Christus alle dingen herstellen’) zijn enkele teksten bij elkaar gebracht die spreken over het uiteindelijk herstel van ‘alle dingen’ of ‘alles’ (in het Gr. hetzelfde). Het zijn Hand.3:21; Ef.1:10; Ko1.1:20 en Openb.21:5. In Hand.3 staat de uitdrukking in de tweede naamval (‘aller dingen’), en dan
kan men niet zien of het woord onzijdig of mannelijk is; men zóu daar dus kunnen lezen: ‘herstelling van alle mensen’, maar dit ligt op grond van de andere drie plaatsen niet voor de hand. In ieder geval kan niemand bewijzen dat het in Hand.3 ‘alle mensen’ moet zijn, zodat de tekst als argument voor de alverzoeningsleer vervalt. Uit de context blijkt o.i. dat als men ‘alle dingen’ leest, dit niet hetzelfde is als ‘alle mensen’ of zelfs maar ‘alle mensen’ omvat. In Hand.3 wordt het aanbreken van deze tijden van herstelling c.q. van verkwikking afhankelijk gesteld van berouw en bekering (vs.19). Het grote herstel houdt deze bekering dus niet in, en voert ook niet tot een algemene bekering, maar volgt op de bekering (in dit geval van Israël). De bekering van een categorie mensen leidt tot het herstel van alle dingen. Ditzelfde verschil vinden we in de andere genoemde plaatsen. In Ef.1:10v. worden ‘alle dingen’ die onder Christus worden samengebracht, onderscheiden van de gelovigen die erfgenamen met Christus zijn en dus mèt Hem over ‘alle dingen’ gesteld worden. Zijzelf zijn dus niet onder ‘alle dingen’ begrepen. In Ko1.1:20-22 wordt de verzoening van ‘alle dingen’ eveneens onderscheiden van die van de gelovigen: straks worden ‘alle dingen’ in het universum verzoend, maar ‘u’ bent nu al verzoend. In Openb.21:5 verklaart God dat Hij ‘alle dingen’ nieuw maakt; maar in vs.8 worden de ongelovigen hier uitdrukkelijk van uitgezonderd: ‘Maar de lafhartigen, de ongelovigen (…) — hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood.’ De verzoening of vernieuwing van `alle dingen’ in de hemelen en op aarde houdt de reiniging van het universum in, zodat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zullen komen (vgl. het verband in Openb.20:11; 21:1,5). In dit licht kan dan ook 1Kor.15:28 verstaan worden: ‘God zij alles in allen’ Vergelijk hiermee Ef.1:23 en Ko1.3:11, waar Paulus dezelfde uitdrukking gebruikt in verband met Christus. Deze formulering geeft een bepaalde volheid aan die moeilijk nader te omschrijven is. Maar in ieder geval is er geen enkele aanleiding, hier aan de verzoening van alle mensen te denken. De uitdrukking kan evengoed vertaald worden met ‘alles in alles’ (zie de
voetnoot in de Telosvert. bij Ef.1:23). De uitdrukking in 1Kor.15 staat geheel op één lijn met het ‘Zie, Ik maak alles nieuw’ in Openb.21, terwijl daar toch duidelijk een uitzondering voor de verlorenen gemaakt wordt. Ook het argument dat blijkens vs.26 als ‘laatste vijand de dood onttroond wordt’, en dat dus ook aan de twééde dood eenmaal een einde zou komen, gaat niet op. Het tenietdoen van de dood wordt immers nader beschreven in Openb.20:14: ‘En de dood en het dodenrijk werden in de poel des vuurs geworpen. Dat is de tweede dood: de poel des vuurs.’ Er komt dus een einde aan de lichamelijke dood (vgl. vs.5v.,11- 14!) doordat deze (in symbolische taal) ‘geworpen’ wordt in de `tweede’, de eeuwige dood.

Blijven ten slotte Fil.2:10v. en Openb.5:13 over, die sterk vergelijkbaar zijn. Hier zien we dat eenmaal ‘alle schepselen’, in alle domeinen van de geschapen wereld, zich voor Christus zullen neerbuigen, zijn heerschappij zullen erkennen en God zullen eren. Wij geloven dat er geen enkele reden is op de uitdrukking ‘alle schepselen’ enige beperking aan te brengen. Het hele punt is gewoon of deze knieval voor Christus noodzakelijk moet inhouden dat het hier om bekeerde schepselen gaat. In Fil.2 gaat het feitelijk om een citaat uit Jes.45:23, waar God alle volken weliswaar een aanbod van genade doet (vs.22), maar tegelijk meedeelt dat (of zij dit aanbod nu aannemen of niet) in elk geval allen zich voor Hem zullen neerbuigen.

In Rom.14:11 wordt ditzelfde woord uit Jesaja aangehaald, en daar wordt het in verband gebracht met onze verantwoording voor de rechterstoel van God. Welnu, wij weten dat alle mensen eenmaal voor die rechterstoel geopenbaard moeten worden (zie 2Kor.5:10; Matth.25:31v.; Openb.20:11-15), zowel gelovigen als ongelovigen. Uit Rom.14 blijkt dat allen, zowel gelovigen als ongelovigen, dan hun knieën voor God c.q. Christus zullen moeten buigen. Dit heeft niets met hun bekering te maken, maar laat zien dat ook de ongelovigen eenmaal tegen hun zin, gedwongen, de heerschappij van Christus en van God zullen moeten erkennen, ja, Hem gedwongen hulde zullen moeten brengen. Maar er is
niets in deze Schriftgedeelten dat ons noopt aan te nemen dat dit eenmaal bij allen van harte zal gaan.

We lezen dit ook met betrekking tot de Here: ‘Hoe geducht zijn uw werken; vanwege uw machtige grootheid brengen uw vijanden U veinzend hulde’ (Ps.66:3). ‘De volken zullen het zien en beschaamd worden, beroofd van al hun kracht (…) zij zullen bevend uit hun burchten komen, sidderend zullen zij komen tot de HERE, onze God, en zij zullen voor U vrezen’ (Micha 7:16v.).

4. Indirecte argumenten van ‘alverzoeners’

We zijn bijna aan het eind gekomen van onze behandeling van de alverzoeningsleer. Wat ons feitelijk nog rest, is een bespreking van de niet rechtstreeks aan de Schrift ontleende argumenten van die leer. Men kan zich afvragen of het wel nodig is ook nog tijd te besteden aan niet op de Schrift gebaseerde argumenten. Dit is echter zeker nuttig omdat dit juist de argumenten zijn die in het algemeen het meeste indruk op (ook bijbelgetrouwe!) gelovigen maken. We hebben deze argumenten al in het begin opgesomd; kort samengevat werd er gesteld dat het denkbeeld van een eeuwige hellestraf in strijd is (a) met Gods liefde (die geen eeuwige kwelling van zijn schepselen verdraagt), (b) met Gods rechtvaardigheid (die geen oneindige straf voor eindige zonden oplegt), (c) met Gods heiligheid (die niet kan toestaan dat mensen eeuwig zouden voortgaan met zondigen in de hel) en (d) met de verhevenheid van de mens als schepsel en beelddrager van God (die uitsluit dat de mens tot in eeuwigheid niet tot inkeer zou komen).

4.1 Menselijke redenering

Voordat we over deze argumenten kort iets willen opmerken, moeten we enkele dingen wel duidelijk vaststellen. Deze argumenten zijn niet alleen niet rechtstreeks aan de Schrift ontleend, zij zijn er ook indirect niet op terug te voeren. Alleen al daarom zijn het nietschriftuurlijke argumenten. Zij zijn het pure resultaat van menselijke redenering. Niet alle menselijke redenering
voert noodzakelijk tot onwaarheden, maar zij moet zich wel laten leiden door Woord en Geest. Wij moeten daarom uiterst beducht zijn voor het type argumentatie dat stelt: ‘Ik kan mij niet voorstellen dat de liefde/gerechtigheid/heiligheid van God werkelijk zus of zo…’ De vraag is immers niet wat wij ons kunnen ‘voorstellen’, maar wat God ons in zijn Woord openbaart.

Welnu, over dit laatste kan er geen enkele twijfel bestaan:

  1. Positief leert de Schrift onomstotelijk dat er een eeuwige (= eindeloze) hellestraf zal zijn voor de ongelovig gestorvenen.
  2. Negatief leert de Schrift nergens rechtstreeks dat er zoiets bestaat als een ‘tweede kans’ (een hernieuwde kans op bekering èn de dood) of dat er in de tussentoestand of in de hel alsnog mensen tot bekering zullen komen of dat God uberhaupt nog mensen uit de ‘plaats van pijn’ (de tussentoestand; zie Luk. 16:23,28) of de hel overbrengt naar de hemel.

Op dit punt wordt de discussie dus in feite een vraag of de tegenstander werkelijk wel bereid is zich volstrekt te onderwerpen aan het getuigenis van de Schrift. In de moderne theologie is, voorzover men uberhaupt de leer van de verzoening nog aanvaardt, de alverzoeningsleer wijdverbreid; maar met deze tegenstanders spreken we niet eens, omdat voor hen het bijbels getuigenis toch al niet meer maatgevend is. Wat valt er dan nog te discussiëren? Nee, wij spreken tot hen die althans nog van harte op de bodem van het geopenbaarde en geïnspireerde Woord van God willen staan. Welnu, lopen zij niet het enorme gevaar aan het overduidelijke getuigenis van de Schrift voorbij te willen gaan ter wille van puur menselijke logica? Zien zij niet dat hun hele stellingname op niets anders gebaseerd is dan (a) op het voortdurend weg­redeneren van overduidelijke teksten en (b) op het voortdurend, willen ‘inlezen’ van denkbeelden in andere teksten die daar niet werkelijk te vinden zijn? Dit aan te tonen was de bedoeling van de vorige hoofdstukken van deze bochure.

Maar dan nu deze ‘menselijke redeneringen’. Het valt niet te ontkennen dat zij voor het vlees een sterke aantrekkingskracht hebben. Ook ik kan (wat mijn natuurlijk voorstellingsvermogen betreft) mij niet indenken hoe Gods liefde kan toestaan dat miljoenen mensen voor eeuwig gekweld zullen worden. Maar wat zegt dat? Ik kan mij immers evenmin voorstellen hoe Gods liefde heeft kunnen toestaan dat de mens in de zonde viel. Ik kan mij nog wel enigszins indenken dat God alleen een echte ‘beelddrager’ kon scheppen als deze ook een eigen verantwoordelijkheid zou bezitten — wat de mogelijkheid van een zondeval inhield. Maar ik kan mij heel wat moeilijker voorstellen waarom Gods liefde niet verhinderd heeft dat dit ook daadwerkelijk gebeurde; of waarom God de val niet onmiddellijk weer ongedaan maakte; of waarom God niet van het begin af de gevolgen van de zondeval heeft weggenomen; of hoe Gods liefde nu al zoveel duizenden jaren het vreselijke lijden van de mensheid heeft kunnen aanzien.

Maar wat zègt het dat ik mij dat allemaal niet kan voorstellen? Ik aanvaard in geloof het getuigenis van de Schrift op deze punten en besef tegelijkertijd dat mijn verstand veel te klein is om deze geheimenissen Gods te kunnen doorgronden. Ook al kan ik het lijden in deze wereld niet rijmen met Gods liefde, toch móet het te rijmen zijn; want ik kan noch het lijden noch Gods liefde loochenen. Maar dan moet ook de hel met Gods liefde te rijmen zijn, ook al zou ik misschien niet kunnen zeggen hóe zij met elkaar te rijmen zijn.

Let wel: ik besef heel goed dat er op al deze kwesties heel de kerkgeschiedenis door allerlei scherpzinnige antwoorden zijn gegeven. Sommige van die antwoorden spreken mij wel aan, andere minder of helemaal niet. Maar ook dat zegt allemaal niets. Steeds gaat het hier immers om het menselijk intellect, dat met al zijn scherpzinnigheid toch niet anders dan gebrekkige theorieën weet op te stellen over datgene wat uiteindelijk een geheimenis Gods is en moet blijven. Het enige nut dat zulke theorieën op dit moment kunnen hebben, is dat zij de aanhangers van de alverzoeningsleer kunnen aantonen dat de logische conclusies van hun voorstellingsvermogen met evenveel scherpzinnigheid kunnen worden vervangen door andere logische conclusies. Die zijn net zo weinig waard, maar laten in ieder geval zien dat de logica van
de alverzoeningsleer niet het laatste woord heeft. Er zijn alternatieven te over, allemaal even scherpzinnig of het nu de gereformeerde uitverkiezingsleer is, of de leer van de zg. ‘algemene verzoening’, of andere oplossingen (zie 53.4).

4.2 Gods liefde — ‘s mensen grootheid

Toch willen we menselijke logica nu ook weer niet zei minachten alsof er tegenover de argumenten van de alverzoeningsleer helemáál niets in te brengen zou zijn. In de eerste plaats wat de liefde van God betreft. Daarover twee opmerkingen. Ten eerste geloven wij dat wij tegenover dat wat de alverzoeningsleer stelt, evengoed kunnen poneren dat ook het verschiet van een eeuwige hellestraf een bewijs van Gods liefde is. Dit hangt ook samen met het vierde genoemde argument, dat de verhevenheid van de mens als schepsel en beelddrager van God betreft. Waarom zou men niet het volgende kunnen stellen: God slaat in zijn liefde de mens in diens verhevenheid als Gods eigen beeld en gelijkenis zó hoog aan, dat, als de mens heel zijn leven geweigerd heeft tegen God te zeggen: ‘Uw wil geschiede’, God dan tenslotte tegen hèm zegt: ‘jouw wil geschiede’. God respecteert de beslissing van de mens als het ware — zo hoog slaat Hij diens vrijheid en verantwoordelijkheid (die Hijzelf hem gegeven heeft) aan. God zegt als het ware tegen de ongelovigen: ‘Goed, je hebt zelf gekozen Mij niet te willen dienen; je hebt mijn gemeenschap en liefde niet kunnen en willen verdragen. Welnu, dan heb Ik een plaats voor je waar je nooit meer ‘last’ van mijn gemeenschap en liefde zult hebben; alleen: je zult van deze volstrekte Godverlatenheid als vrij en verantwoordelijk schepsel ook de volle consequenties moeten dragen! Je zult op je keuze niet terug kunnen komen, want je bent geen klein kind meer — je hebt je keus bewust gemaakt en je wist wat daarvan de gevolgen zouden zijn.’ We geven toe dat ook dit slechts een menselijke redenering is; maar daarom nog niet van alle betekenis ontbloot. In ieder geval is de redenering niet bij voorbaat slechter dan wat de alverzoeningsleer over Gods liefde beweert.

Ook in een tweede opzicht blijkt Gods liefde (en trouwens ook
zijn rechtvaardigheid) ‘zelfs’ uit een eeuwige hellestraf, en wel hieruit dat er in deze straf duidelijke graduering zal zijn. De Schrift leert dat God de mens zal oordelen ‘naar zijn werken’ (Rom.2:6; 2Kor.5:10; 11:15; 2Tim.2:14; 1Petr.1:17; Openb.2:23; 18:6; 20:12v.; 22:12) en dat de één een strengere straf zal ontvangen dan de ander (Matth.10:15; 11:24; Luk.10:12,14; 12:46v.; in Matth.24:51 wordt gesproken over het bijzondere lot van de huichelaars in het oordeel). Hoe verschrikkelijk de zonde ook is in het oog van God, toch maken zijn liefde en gerechtigheid onderscheid tussen ‘groten’ en ‘kleinen’ onder de zondaars voor zijn rechterstoel (Op enb.20: 12) .

Als mensen menen zich een oordeel te kunnen aanmatigen over wat Gods liefde al of niet zou kunnen doen, geldt in zijn algemeenheid het woord van Paulus: ‘Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt? (…) En als God nu, zijn toorn willende tonen en zijn kracht bekendmaken, de voorwerpen des toorns, die ten verderve toebereid waren, met veel lankmoedigheid verdragen heeft (…)’ (Rom.9:20,22). Hier zien we enerzijds Gods liefde in het zolang verdragen van de zondaar; maar deze lankmoedigheid kan niet eindeloos doorgaan zonder de rechtvaardigheid van God èn de verantwoordelijkheidspositie van de mens te schenden. Daarom zegt Paulus anderzijds dat de voorwerpen van de toorn ondanks Gods lankmoedigheid toch tot het verderf zijn toebereid; niet in eerste instantie door God (vgl. in tegenstelling daarmee vs.23: ‘die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid’), maar door de mens zelf. Door diens keuze tégen God brengt de ongelovige ‘een schielijk verderf over zichzelf’, om het met 2Petr.2:1 te zeggen. En voor wat de mens nog verder aan te merken heeft, geldt: ‘Wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken?’

4.3 Gods gerechtigheid

We hebben gezien dat een eeuwige hellestraf niets afdoet aan Gods liefde. God ziet de kwellingen van de verlorenen bepaald niet met leedvermaak aan. Ook op de hel kan men het woord van
Klaagl.3:33 toepassen: `(…) niet van harte verdrukt en bedroeft Hij de mensenkinderen.’ Waarom doet Hij het dan toch? Omdat God niet alleen een God van liefde, maar ook van licht, gerechtigheid en heiligheid is.

De alverzoeningsleer lijkt wel op te komen voor Gods gerechtigheid door te stellen dat het onrechtvaardig bij God zou zijn eindige zonden met een oneindig oordeel te straffen; maar in wer­kelijkheid is misschien wel het grootste bezwaar dat wij tegen haar kunnen aanvoeren, dat zij aan de gerechtigheid van God tekortdoet. Dit komt (mede) daardoor dat zij aan het karakter van de zonde tekortdoet.

Zonde is maar niet een zwakheid, een tijdelijke onvolkomenheid, die bij het aanbreken van de volmaaktheid vanzelf zal verdwijnen. Zij is volgens 1joh.3:4 ‘wetteloosheid’, d.w.z. niet alleen maar overtreding van de wet, maar anarchie, het niet erkennen van enige wet boven zich. Het is vijandschap, rebellie jegens God, een loochening van zijn macht en gezag over ons, van zijn recht op ons en onze gehoorzaamheid. Natuurlijk is de zonde in zekere zin ‘eindig’, namelijk in zoverre zij door eindige schepselen in een eindig tijdsverband wordt begaan. Maar niet de tijdsduur van de zonde is de maatstaf voor haar beoordeling (alsof derhalve een oneindige straf onrechtvaardig zou zijn), maar haar innerlijke immorele aard. Ook in het aardse leven openbaart zich dit al. Tén uur van onbedachtzaamheid kan maken dat men jaren schreit: Een zonde van een ogenblik kan voor héél het verdere leven smart en schande met zich meebrengen, zoals wij dat duidelijk bij David zien na zijn zonde met Bathseba. Nòg duidelijker komt dit beginsel tot uiting in de doodstraf. Om één enkele misdaad kan een mens ter dood, en daarmee in een onherstelbare toestand gebracht worden. Parallel daarmee is de eeuwige dood: een léven van zonde brengt tenslotte over de mens een ééuwigheid van straf.

Is de zonde in zeker opzicht eindig, in ander opzicht is zij oneindig. Zij schendt immers de eer van de oneindige Majesteit Gods, zij vertreedt zijn rechten, zij beledigt Hem in het aangezicht. Hier gaat het trouwens ook niet alleen maar om de afzonderlijke zonden die jegens God begaan worden, maar ook om de zonde als concrete macht in de kosmos, een voortdurend aanwezige besmetting, die zich voortdurend geldend maakt. De zondaar is niet alleen maar iemand die vele zonden heeft gedaan, maar iemand die door de zonde wordt beheerst, wiens hele houding en instelling er een is van voortdurende rebellie jegens God. De zondaar heeft een verdorven natuur, waardoor hij voortdurend niet anders Un en wil dan zondigen. Ja, de zondaar zou ook tot in eeuwigheid niet anders willen; als hij al aanneemt dat er een eeuwig voortbestaan is, dan één waarin hij altijd zal kunnen voortgaan met zondigen (en dat trouwens ook zal doen, want dat is precies wat een bestaan buiten Gods gemeenschap inhoudt). Is het dan een wonder dat God de mens niet alleen met tijdelijke, maar ook met eeuwige straffen straft?

Zomin als we vaak veel besef hebben van de verdorvenheid van de zonde, zomin hebben we dat vaak van de eer van God. Beseffen we ook maar enigszins wat het betekent dat de zonde Gods eer schendt? Hoe gemakkelijk kan een mens zeggen dat hij zich niet kan ‘voorstellen’ dat Gods liefde een eeuwige hel zou kunnen verdragen; maar hoe gemakkelijk kan diezelfde mens, als zijn eer wordt aangetast, in woede uitbarsten en degene die hem in de weg staat heimelijk of openlijk dood wensen. De neiging daartoe steekt trouwens in ons aller hart; hoe goed weten we voor onze eigen rechten op te komen, maar over de rechten van God maken we ons heel wat minder druk. Wensen we een nog duidelijker bewijs dat wij bepaald niet de meest geschikte beoordelaars zijn van wat liefdevol, rechtvaardig of heilig bij God zou zijn?

4.4 Gods heiigheid

Wat hierboven over Gods gerechtigheid gezegd is, kan groten­deels ook worden toegepast op Gods heiligheid. Alleen nog dit over het argument van de alverzoeningsleer dat Gods heiligheid toch niet kan toestaan dat miljoenen verlorenen voor eeuwig zouden voortgaan met zondigen. We hebben al opgemerkt dat hierin juist het respect van God jegens zijn schepsel, dat zijn beeld is, te zien valt. Als de mens niet anders wil dan zondigen, bereidt God hem een plaats waar hij dat ongestoord kan doen — maar dan wel tegelijk in een voortdurende bestraffing van die zonde. Dit laatste mag niet vergeten worden.

Evenmin mag vergeten worden dat God tegelijkertijd verheerlijkt zal worden door en in de ongelovigen. Door de ongelovigen doordat zij, zoals we zagen, zich zullen moeten neerbuigen voor God en zijn Christus, Hem hulde moeten brengen en zijn lof moeten bezingen (Fil.2:10v.; Openb.5:13). In de ongelovigen doordat God Zich ook juist in en door het oordeel zal verheerlijken. De eeuwige hellestraf zal een eeuwige verheerlijking zijn van de volstrekte gerech­tigheid en heiligheid Gods, die ons begrip verre te boven gaan. `De Vader (…) heeft het gehele oordeel aan de Zoon gegeven, opdat allen de Zoon eren zoals zij de Vader eren’ (Joh.5:22v.). `God zij waarachtig en ieder mens leugenachtig, gelijk geschreven staat: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uw woorden, en overwint in uw rechtsgedingen’ (Rom.3:4; in Ps.51:6 staat: ‘Opdat Gij rechtvaardig blijkt in uw uitspraak, zuiver in uw gericht’). `Groot en wonderbaar zijn uw werken, Here God, Almachtige; rechtvaardig en waarachtig zijn uw wegen, Gij, Koning der volkeren! Wie zou niet vrezen, Here, en uw naam niet verheerlij­ken? Immers, Gij alleen zijt heilig. Want alle volken zullen komen en zullen voor U nedervallen, omdat uw gerichten (Telosvert.: gerechtigheden [= rechtvaardige daden, nl. in het oordeel] openbaar zijn geworden’ (Openb.15:3v.).

`Halleluja! De behoudenis en de heerlijkheid en de macht zijn van onze God! Want waarachtig en rechtvaardig zijn zijn oordelen’ (Openb.19:1v.; vgl. 16:7).

‘O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen! Want: wie heeft de zin des Heren gekend? Of wie is Hem tot raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst iets gegeven, waarvoor hij vergoeding ontvangen moet? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen’ (Rom.11:33-36).

Noten

  1. Matth.12:32; 13:22,39v.,49; 24:3; 28:20; Luk.16:8; 20:34; Rom.12:2; 1Kor.1:20; 2:6,8; 3:18; 2Kor.4:4; Ga1.1:4; 1Tim.6:17; 2Tim.4:10; Tit.2:12; Hebr.9:26.
  2. Matth.12:32; Mark.10:30; Luk.18:30; 20:35; Ef.1:21; 2:7; Hebr.6:5.
  3. 1Kor.10:11; Ef.3:9; Ko1.1:26; 1Tim.1:17.
  4. Luk.1:70; Hand.3:21; wellicht ook 15:18 en Joh.9:32.
  5. 1Kor.2:7: `vóór alle eeuwen’, lett. vóór de eeuwen’ = ‘van eeuwigheid af; Ef.3:11: ‘naar [het] eeuwig voornemen’, lett. ‘naar [het] voornemen van de eeuw(ighed)en’; Jud.:25: `vóór alle eeuwen’, lett. `vóór heel de eeuw[igheid]’.
  6. Matth.21:19; Mark.11:14; Luk.1:55; Joh.4:14; 6:51,58; 8:35,51v.; 10:28; 11:26; 12:34; 14:16; 1Kor.8:13; 1Petr.1:25; 1Joh.2:17; 2Joh.:2.
  7. Luk.1:33; Rom.1:25; 9:5; 11:36; 2Kor.11:31; Hebr.13:8.
  8. Rom.16:27; Ga1.1:5; Fil.4:20; 1Tim.1:17; 2Tim.4:18; Hebr.13:21;1Petr.4:11; 5:11; Openb.1:6,18; 4:9v.; 5:13; 7:12; 10:6; 11:15; 14:11; 15:7; 19:3; 20:10; 22:5.
  9. Enkele voorbeelden: Matth.26:8; Mark.14:4; Luk.5:37; 15:4,6,24; Joh.6:27; Hand.8:20; 1Petr.1:7.
  10. Bijv. Matth.2:13; 22:7; 27:20 (`ombrengen’); 8:25 (`vergaan’); Luk.13:3,5 (`omkomen’); Joh.17:12 (`verloren gaan’); 1Kor.15:18 (`verloren zijn’).
  11. Zie Matth.7:13; Rom.9:22; Fil.1:28; 3:19; Hebr.10:39; 2Petr.2:1,3; 3:7,16; Openb.17:8,11 (`verderf); 1Tim.6:9 (`ondergang’).
  12. Zie 1Kor.3:17a; 15:33; 2Kor.7:2; 11:3; Ef.4:22; Openb.19:2.
  13. Het is vertaald met ‘vergankelijkheid’ in 1Kor.15:42,50; ‘verderf in Ga1.6:8 en 2Petr.1:4; 2:12; ‘te niet gaan’ in Ko1.2

Willem J. Ouweneel

Updated: August 31, 2020 — 5:48 pm
My CMS © 2018 Frontier Theme