Ik ben in de hemel

I am in heaven

Adam als type van Christus

Adam als type van Christus

Inleiding – Typologie

Wat is een type?
In deze brochure willen wij nadenken over Adam als type van Christus, oftewel: de eerste mens als een type van de tweede Mens. Het woord “type” is afkomstig van het Griekse “tupos” en kent een rijke schakering aan betekenissen: (schaduw)beeld, voorbeeld, model, figuur, afdruk e.d.
Het bezig zijn met “typen” noemen wij typologie. Kort gezegd komt het erop neer, dat we bij het lezen van Bijbelse geschiedenissen een diepere betekenis ontdekken, vaak heenwijzend naar de Persoon en het werk van onze Here Jezus Christus. Zo leren wij bijvoorbeeld uit de woorden van de Heiland in Matt.12:40, dat Jona een beeld of type is van de Messias Zelf. Daarnaast geloven wij, dat hij ook gezien mag worden als een type van het volk Israël (vgl. hiervoor Hos.6:2).

Let wel: Bijbelse geschiedenissen c.q. gebeurtenissen moeten natuurlijk in de eerste plaats gelezen worden in hun historische kontekst. Ik bedoel maar: wij hebben geen enkele reden om eraan te twijfelen, dat de geschiedenis van Jona, hoe wonderlijk ook, ooit werkelijk heeft plaatsgevonden zoals in de Bijbel beschreven is! Naast de primaire betekenis ligt er echter vaak een diepere, profetische waarheid in verborgen.
Het merkwaardige is, dat het boek Jona gerangschikt wordt onder de (kleine) profeten. Het boek bevat namelijk geen enkele profetie! Dat leidt ons tot de konklusie, dat de profetie verborgen ligt in de geschiedenis zelf.
Typologie is een moeilijk vak, omdat er eigenlijk geen regels voor te geven zijn. Wat de ene serieuze Bijbelstudent c.q. -uitlegger in een bepaalde geschiedenis “ziet”, dat gaat de ander soms te ver. Het omgekeerde is ook waar: sommigen zien niets in een Bijbelgedeelte dan alleen de historische betekenis, terwijl de diepere strekking ervan voor anderen overduidelijk is. Het zij zo!

Een paar dingen mogen worden opgemerkt:
“Typen” zijn er niet om Bijbelse waarheden te bewijzen; het zijn meer bevestigingen daarvan. Het zijn beelden die een illustratie zijn van de werkelijkheid.
Sommige typen worden in de Bijbel zelf aangewezen 1), andere worden ontdekt tijdens de bestudering van de Schrift…
Er zitten twee kanten aan de typologische verklaring van Bijbelgedeelten:
Enerzijds is daar het gevaar, dat de typologie veel te ver wordt doorgevoerd.
De typologische uitleg moet natuurlijk wel haar wortels vinden in de Schrift zelf en niet in de gedachten van de uitlegger.
Anderzijds toont de typologie ons nog meerde rijkdommen van het Woord van God.
Immers, hoe wonderbaarlijk is het, dat in het verleden mensen geleefd hebben wier leven een verborgen prediking bevatte… hoe rijk is het, dat gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, waarin God een verborgen profetie heeft neergelegd…
Maar het blijft waar: alle Bijbelstudie moet de ziel leiden tot Christus als Degene van wie wordt getuigd!


Er zijn vele Bijbelse figuren, die algemeen herkend zijn en aanvaard worden als “typen” van de Here Jezus Christus.
Denk bijv. aan Jozef. Hij is één van de schoonste typen van Christus die in de Bijbel gevonden wordt 2).
Een ander bekend voorbeeld is David. Zijn naam betekent ”geliefde” en is een heenwijzing naar dé Geliefde, de Zoon, nl. Christus.
Ook Salomo zouden wij kunnen noemen als een geweldig type van de Vredevorst!


  1. zie bijv. de geschiedenis van Israël (1 Cor.10:6 en 11), de zondvloed (1 Petr.3:21) en de tabernakel (Hebr.8:5, 9:24 e.a).
  2. zie voor een nadere beschouwing de prachtige brochure “Het leven van Jozef’ (Uitgave Het Morgenrood).

Vele, vele Bijbelse personen zijn op één of andere wijze een type van Christus te noemen. Eén ding hebben alle typen gemeen: zij zijn nooit volmaakt in zichzelf. Zij zijn slechts een schaduw van de Volmaakte. Elk type is slechts een gedeeltelijke weergave van de heerlijkheid van Christus!

Hoe bekend bovenstaande figuren ook zijn als typen van Christus, nergens leert de Schrift ronduit, dát ze het zijn! Er is er maar één van wie de Bijbel ronduit zegt, dat hij een type is van Christus en dat is… Adam.
In de brief aan de Romeinen lezen wij: “Toch heeft de dood als koning geheerst van Adam tot Mozes, ook over hen, die niet gezondigd hadden op een gelijke wijze als Adam overtrad, die een beeld is van de komende” (hfdst.5:14).
Het woord ”beeld” is hier in de grondtekst: “tupos”. De “komende” was een bekende Hebreeuwse uitdrukking voor de Messias, die volgens de profeten komen zou (vgl. ook Matt.11 :3). Adam is dus een type van (de komende) Christus.
Ondanks het feit, dat de Bijbel alleen Adam rechtstreeks aanwijst als een type van Christus, wordt er in ‘t algemeen weinig over gezegd en/of geschreven. Vandaar de notities in deze brochure.

HOOFDSTUK 1

Adam, de mens

“En God zeide: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. En God zegende hen en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt…”

“… toen formeerde de HERE God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen”

(Genesis 1:26-28 en 2:7).

Deze woorden voeren ons terug naar het begin van de menselijke geschiedenis. Nadat God de aarde ‘ter bewoning” geformeerd had (Jes.45:18), schiep Hij op de zesde dag de mens.

Uit de woorden: “Laat Ons…” blijkt wel, dat de creatie van de mens een daad geweest is van de – zoals wij dat dikwijls noemen – drieënige God, die “in alles werkt naar de raad van Zijn wil” (Efe.1:11).

De schepping van de mens lag opgesloten in de Raad Gods en was dus een onderdeel van Zijn eeuwig voornemen.

Het woord “mensen” in vs.26 is de vertaling van het Hebreeuwse ”Adam”.

Letterlijk staat er: “Laat Ons adam maken”.

“Adam” komt in het Hebreeuws niet als meervoud voor.

”Adam” betekent soms de soortnaam voor het menselijk geslacht, dus: de mensheid in ‘t algemeen. Daarom wordt het ook vertaald met “mensen”, zoals in vs.26, waarop volgt: “… en dat zij heersen over…”

Verder kan “adam” ook betekenen: de afzonderlijke mens, als de man, zoals bv. in Gen.4:1 De mens nu had gemeenschap met Eva. zijn vrouw…”.

Als “adam” in het Hebreeuws geen lidwoord heeft, dan is het met nadruk de persoonsnaam Adam.

De betekenis van het woord “adam” is afgeleid van het woord “adamah” = aardbodem, rode aarde.

Een aanverwante betekenis is dan ook: rood (zijn).

Adam is heel duidelijk verbonden met het aardse, en zo wordt het ook vermeld in 1 Cor.15:47 “De eerste mens is uit de aarde…”.

God wilde de mens maken ”naar ons beeld, als onze gelijkenis”. Je zou het vanuit de grondtekst ook kunnen vertalen als: “in ons beeld, naar onze gelijkenis”, of: “in de gelijkenis van ons beeld”. Het woord “beeld” (Hebr. = tselem) duidt op een standbeeld, bijv. van een afgod. Zo’n beeld vertegenwoordigt iets of iemand, maar hoeft hem nog niet af te beelden. M.a.w.: het hoeft niet per definitie een gelijkend portret te zijn.

Dat de mens het beeld van God is, betekent dus vooral dat hij Hem op aarde vertegenwoordigt.

Het woord “gelijkenis” (Hebr. = demoeth) duidt op overeenkomst. De mens lijkt op God, vooral in geestelijke zin. De mens heeft verstand, gevoel, wil en is daardoor principieel verschillend van een dier, dat een “redeloos wezen” is.

Nu zijn er ook wel mensen die lijken op redeloze wezens, zoals we dat in de brief van Judas lezen, maar daar moeten wij bepaald geen voorbeeld aan nemen. Judas schrijft met name over dwaalleraars, goddelozen, die misschien de Bijbel nog wel gebruiken, maar in ieder geval niet de waarheid van God vertegenwoordigen!

Maar er is meer!

Want de Schrift zegt na de zondeval nergens meer, dat de mens naar de “gelijkenis Gods” is!

In Gen.5:3 lezen wij: “toen Adam 130 jaar geleefd had verwekte hij (een zoon) naar zijn gelijkenis, als zijn beeld, en noemde hem Seth”. “Gelijkenis” wijst ook op een zedelijke overeenkomst, en die overeenkomst met God was door de zondeval vervallen.

Voor de zondeval verkeerde de mens in een staat waarin hij omgang kon hebben met God. Er was geen scheiding tussen God en de mens. Die was er wel na de zondeval!

Na de zondeval plantte de mens zich voort. Dat wil zeggen: alle mensen die later geboren zijn, zijn dus naar het beeld en de gelijkenis van Adam! Hoewel zij wat de “vorm” (het uiterlijk) betreft min of meer gelijk gebleven zijn, is er door de zonde een wezenlijke scheiding gekomen tussen God en de mens. Daarom is het nodig, dat een mens “hervormd” wordt naar het beeld Gods.

Er is echter één belangrijke uitzondering, en dat is de Here Jezus Christus, de Zoon van God en de Zoon des mensen.

Hij is geboren uit de Maagd Maria en dat betekent, dat Hij ons in alles gelijk geworden is, uitgenomen de zonde. De Here Jezus was niet belast met de ‘zonde-natuur, zoals elk ander mens. Tijdens Zijn omwandeling op aarde klinkt een paar maal de stem van God uit de hemel: “Deze is mijn Zoon, de Geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb”.

Adam is in de eerste plaats een type van Christus als de mens. En daarmee wordt dan vooral bedoeld: in zijn lichamelijkheid. Adam leefde en wandelde op aarde als mens in gehoorzaamheid aan God, totdat de zonde zijn intrede deed. De zonde van Adam is niet zozeer, dat hij per ongeluk iets fout gedaan heeft of zo, nee, we lezen van Adam, dat hij overtrad. Hij onttrok zich aan de gehoorzaamheid aan God. Wij komen hier later nog op terecht. Feit is, dat Adam een zondaar werd en dat had verstrekkende gevolgen voor zijn gehele nageslacht. De apostel Paulus zegt dan ook duidelijk in de Romeinenbrief, dat in Adam allen gezondigd hebben. Ieder mens die geboren wordt in deze wereld is een afstammeling van Adam en daardoor ook een zondaar. En omdat de mens een zondaar is doet hij zonden…

Nu zal dit de meeste lezers niet vreemd in de oren klinken, maar bedenk wel, dat men in de wereld vandaag heel anders redeneert. In de psychologie (en dat geldt ook voor de moderne theologie) gaat men liever uit van het goede in de mens. De mens is in principe “goed”, maar wordt meer of minder “verpest” door z’n omgeving. Natuurlijk, de gang van een mens door deze wereld laat hem niet onberoerd. Hij kan op allerlei manieren beïnvloed worden en dat kan leiden tot “slechte daden”. Maar de waarheid blijft overeind staan, dat de mens geboren wordt als zondaar en dus geneigd is tot alle kwaad: “… er is niemand die doet wat goed is, zelfs niet één” (Rom.3:12).

Vandaag de dag rekent men niet (meer) met de Schrift en men verdraait de waarheid ten faveure van de mens. Dat is de leugen van de satan, waarmee hij ook Eva kon verleiden, namelijk door de woorden van God te verdraaien. Die verleiding is eigenlijk nog steeds aktueel! Wij moeten niet denken dat wij hier alleen maar te doen hebben met een heel oude geschiedenis. Natuurlijk, historisch gezien wel. Maar al deze zaken die zich hier hebben afgespeeld zijn er vandaag nog. Want precies dezelfde gedachten, dezelfde verleidingen die er toen waren, en zo’n grote invloed gehad hebben op het bestaan van de eerste mens, zijn er nu nog. De kerngedachte van de New Age-beweging bijvoorbeeld is, dat de mens van nature goed is, ja, hij is zelfs goddelijk.

En dat moet eruit komen. En als dat gebeurt zal de wereld geleidelijk aan verbeteren en zal de tijd aanbreken waar ook de Bijbel over spreekt (zegt men): een tijd van vrede, harmonie en welvaart.

Het klinkt geweldig mooi, maar denk erom, ook hier doet de satan zich voor als een “engel des lichts’! Hij gebruikt Bijbelse woorden en uitdrukkingen om daarin zijn leugen te verpakken.

Maar het is en blijft waar wat de Bijbel duidelijk zegt, namelijk: ”allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods” (Rom.3:23). De mens is een zondaar en zondigt… en er is maar één weg om van die zondelast bevrijd te worden en dat is de weg die God Zelf heeft aangegeven in de Persoon van de Here Jezus Christus!

Christus is op aarde gekomen als mens. Wij lezen dat in Fil.2, waar bijzonder veel nadruk gelegd wordt op dat feit. In vs.5-7 staat, dat Christus Jezus, die in ”de gestalte Gods” was, Zichzelf heeft ontledigd, de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen en aan de mensen gelijk geworden is. En dan staat erbij in vs.8, dat men dat ook gekonstateerd heeft, want Hij is “in Zijn uiterlijk als een mens bevonden“. Men heeft Hem als mens op aarde gezien. Het gaat hier dus om de komst van de Heer als de Zoon des mensen. En Hij kwam om te dienen: “Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en Zijn leven te geven als losprijs voor velen” (Marc.10:45).

Toen Hij als mens op aarde kwam werd Hij niet geplaatst in een Hof, maar kwam terecht midden in een Gode-vijandige wereld. En daar werd Hij verzocht als mens. Wij lezen daar o.a. over in Lucas 4. Deze geschiedenissen zijn opgetekend om te laten zien, dat Hij inderdaad deel gekregen heeft aan het menselijk leven, zoals bijvoorbeeld de Hebreeënbrief vermeldt: “Want wij hebben geen Hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar één, Die in alle dingen op gelijke wijze (als wij) is verzocht geweest, doch zonder te zondigen” (Hfdst.4:15).

In een vijandige wereld, onder vaak barre omstandigheden, werd Hij verzocht als mens… en Hij volhardde tot het einde!

Zoals de ongehoorzaamheid van Adam scheiding maakte zo brengt de gehoorzaamheid van de “Zoon van Adam”, de Zoon des mensen, herstel, zie Rom.5:19. Adam was een beeld van de Komende. Hij was de vertegenwoordiger van God op aarde. Christus was dat ook, maar dan volmaakt.

Adam was uit de aarde, Christus is de hemelse. Adam was “zoon van God” (Luc.3:38) door schepping, Christus is DE Zoon, en wel op tweevoudige wijze.

In de eerste plaats is Hij de Zoon van God door geboorte. In Luc.1 lezen wij dat: … “Zoon des Allerhoogsten”…

In de tweede plaats is Hij de Zoon van God door de erfopvolging. Als “Zoon van Adam” (zie het geslachtsregiSter in Luc.3) is Hij ook de “Zoon van God”. Het woord “zoon” (Hebr. “ben”) betekent allereerst: erfgenaam.

De laatste Adam, de tweede Mens

Christus is de Zoon, de Erfgenaam van alle dingen (Hebr.1:3).

Alles wat God met de eerste mens, Adam, besproken heeft, alles wat God aan Adam beloofd heeft is via Seth, Enos… via de hele lijn van het erfgenaamschap terechtgekomen bij de Here Jezus. Vandaar dat Hij genoemd wordt ”de laatste Adam”.

Die uitdrukking betekent niet, dat Hij de laatste is van het Adamitisch geslacht. Na Hem zijn er nog vele Adamieten (mensen) geboren! Nee, de Here Jezus is de laatste in de erfopvolging. De erfenis van Adam is via al die genoemde personen in het register overgegaan op Jezus. En die erfenis gaat niet meer op een ander over, want de Here Jezus is gestorven en opgestaan en leeft tot in eeuwigheid.

Christus is ook de tweede Mens. Hij is het Hoofd van een nieuwe mensheid, een nieuw menselijk geslacht. Zoals Adam de eerste en dus het hoofd was van de oude schepping, zo is Christus de Eerste en dus het Hoofd van de nieuwe schepping. En allen die door het geloof “in Christus’ zijn behoren tot die nieuwe schepping: “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen” (2 Cor.5:17).

Wie gelooft in de Here Jezus Christus als zijn of haar persoonlijke Verlosser en Heer wordt door God vereenzelvigd met de Zoon. En daarom kan Paulus zeggen in Gal.2:20 “Met Christus ben ik (d.i. de oude mens, de zondaar Paulus) gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij”.

Paulus zegt eigenlijk: ik ben een kompleet nieuwe mens geworden. Ik ben geen Adamiet meer, maar een Christen. Deze nu nog geestelijke realiteit zal straks ook een lichamelijke werkelijkheid worden. Wij hebben nu reeds, zegt Paulus in Rom.8:23, ”de Geest als eerste gave ontvangen” en wij leven in “de verwachting van het zoonschap (de erfenis): de verlossing van ons lichaam”.

Middelaar

Om die heerlijke werkelijkheid van die nieuwe schepping tot stand te (kunnen) brengen, moest er eerst recht gedaan worden. Immers, mensen zijn zondaren en “allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods”. Zondaren kunnen de heerlijkheid van God niet beërven. Zij moeten eerst hun zondelast kwijtraken, zij moeten gerechtvaardigd worden. En daartoe is Christus Jezus verschenen als Mens op aarde, om die gerechtigheid tot stand te brengen, door Zijn verzoenend lijden en sterven én door Zijn opstanding uit de dood.

God heeft in Christus de zonde geoordeeld. De Heiland betaalde de (los)prijs met Zijn dierbaar bloed. In 2 Cor.5:21 lezen wij: “Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem”.

God heeft in Christus Zelf een oplossing gebracht voor het zondeprobleem van de mens. God daalde Zelf in Christus neder op aarde om de mens te verlossen. Dat is het wonderbare en unieke van de Persoon van Jezus Christus, dat Hij God én Mens is, beide in Eén. Ik kan dat niet begrijpen met het verstand, ik kan het wel geloven met het hart!

Daarom is Hij en kan alleen Hij de Middelaar zijn tussen God en mensen. Want iemand die een (be)middelaar is moet twee partijen kunnen vertegenwoordigen. Hij moet voor beide kanten acceptabel zijn. De Bijbel zegt in 1 Tim.2:5 ”Want er is één God en ook één middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen”.

De mens CHRISTUS JEZUS… d.i. de verheerlijkte Heer, die nu in de hemel is en eens op aarde was als Mens om te lijden en te sterven (vgl. Fil.2).

Hij gaf Zijn leven tot een losprijs voor allen.

Dat wil zeggen: elk mens, wie hij ook is, kan de gemeenschap met God beleven, krijgt toegang tot de nabijheid en de heerlijkheid van God, door de Persoon van Christus. Dat is ook wat we lezen in Rom.3:23 en 24 “Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods EN worden om niet gerechtvaardigd uit Zijn genade door de verlossing in Christus Jezus”.

De enige voorwaarde om deel te hebben aan deze volkomen verlossing is: geloof!

Het feit, dat de Here Jezus Zijn leven gaf tot een losprijs voor allen wil niet zeggen, dat elk mens automatisch behouden wordt.

Er is in de Bijbel wel sprake van een algemene verzoening, d.w.z. de verzoening is beschikbaar voor ieder mens, maar niet van een alverzoening.

Nogmaals, voorwaarde om deel te hebben aan de gerechtigheid van God is: geloof. Al van Abraham lezen wij in Gen.15:6 “En hij geloofde in de HERE, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid”. De gerechtigheid Gods kunnen wij niet verdienen, we kunnen er niet voor werken, we kunnen het alleen maar ontvangen.

Op het moment, dat we geloven – ons vertrouwen stellen op de Here Jezus Christus – ontvangen wij van God een toegerekende gerechtigheid. Het is de gerechtigheid die tot stand gebracht is door het lijden en sterven en de opstanding van Christus.

Híj kwam op aarde als Mens, leefde rechtvaardig voor God, was gehoorzaam ”tot de dood, ja, tot de dood des Kruises” (Fil.2:8). De Kruisdood was een misdadigersdood. Hij werd gekruisigd in onze plaats; Hij droeg onze zonde(n) en stierf… om ten derde dage weer op te staan. Hij is Overwinnaar!

Wat Hij heeft volbracht ontvangen wij “om niet”, enkel en alleen op grond van geloof. Dat is genade van God!

Genade van God, zo rijk en vrij,

gená van God voor u en mij!

HOOFDSTUK 2

Adam, beelddrager van God

De eerste opdracht die Adam kreeg was, dat hij vruchtbaar moest zijn. En dat was hij ook. Uit hem is na duizenden jaren de Verlosser voortgekomen, de Ben Ha’adam, de Zoon des mensen. En het verlangen van God om de mens niet alleen naar Zijn beeld te maken, als Zijn vertegenwoordiger op aarde, maar ook naar Zijn gelijkenis, is eerst ten volle werkelijkheid geworden in de Zoon. Wij hebben al gezien, dat Christus op tweevoudige wijze de Zoon van God is. In Hebr.1 wordt van de Zoon gezegd, dat Hij de “afstraling Zijner heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen” is (vs.3).

In Col.1 gaat het over Christus en daar zegt Paulus: “Hij is het beeld van de onzichtbare God…” (vs.15). En in Col.2 lezen wij: “… in Hem woont al de volheid der godheid lichamelijk’ (vs.9).

De Bijbel maakt dus op tal van plaatsen duidelijk, dat Christus, de Zoon, het volmaakte beeld Gods is.

Als God het voornemen gehad heeft, zoals vermeld in Genesis 1: “laat Ons mens(en) maken naar ons beeld en naar onze gelijkenis”, dan is dat volmaakte werkelijkheid geworden in Christus, de Zoon des mensen.

Dit is uitermate belangrijk! Adam was, in tegenstelling tot wat over het algemeen gedacht wordt, niet volmaakt!

Men leidt dat meestal af uit het feit, dat er staat: “En God zag dat het goed was…”. Maar “goed” is niet helemaal hetzelfde als “volmaakt”. Dat is trouwens in ons dagelijks gebruik van het woord goed eveneens zo. Wie het cijfer 8 op z’n rapport krijgt is wel goed, maar niet volmaakt!

Hoe weten wij dat Adam niet volmaakt was? Het enige, Bijbelse antwoord moet zijn: omdat hij zondigde!

De schepping van de mens op de zesde dag is een onderdeel van het formeringswerk van God. De aarde was ”woestheid en ledigheid en duisternis…” (Gen.1:2 lett. vertaald).

Daarin heeft God orde op zaken gesteld en de aarde ter bewoning geformeerd, niet om daarmee, maar om daardoor de volmaaktheid tot stand te brengen. Niet in Adam is het volmaakte gekomen, maar in Hem van wie Adam een type was, Christus.

En wie in Christus is, is een nieuwe schepping en heeft in Hem deel gekregen aan de volmaaktheid.

En wij kunnen er zeker van zijn: de tweede Mens is niet in zonde gevallen en dat zal ook nooit gebeuren! Hij is volmaakt.

Eeuwig leven

Het leven, dat de eerste mens bezat, in de Hof van Eden, was voorwaardelijk.

Hij zou dat leven bezitten zolang hij niet zou eten van de boom der kennis van goed en kwaad. Dat was de voorwaarde. De HERE zei: … ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven” (Gen.2:17). Letterlijk staat er: zult gij stervende sterven.

Het leven, dat gelovigen ontvangen hebben is onvoorwaardelijk. Dat leven is in Christus en Hij zal dat leven niet verliezen, Hij zal niet (meer) sterven.

Johannes getuigt in zijn 1e brief: “En dit is het getuigenis: God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit leven is in Zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet” (hfdst.5:11, 12).

Dat leven ontvangen wij niet door al of niets te doen, maar door te geloven! En dát wij dat leven ontvangen is genade: “… de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here” (Rom.6:23).

Zie mij voor U staan…

Dat betekent dus, dat als de Zoon het beeld Gods is, dan moet een
mens inderdaad gelijkvormig worden aan Zijn beeld. Precies zoals wij dikwijls zingen in een lied: “Ja Heer, hervorm mij naar Uw beeld” (187 Joh.de Heer).

Als een mens wil beantwoorden aan zijn oorspronkelijke roeping, zoals God die heeft neergeschreven in Genesis 1, nl. om het beeld Gods te zijn, dan is het nodig dat hij in Christus is!

Want door de zonde is dat beeld op z’n zachtst gezegd ernstig verminkt.

Sommigen zeggen zo heel gemakkelijk over mensen: zij zijn het beeld van God. Voorzichtigheid is hier geboden: zij zijn het beeld van Adam! Mensen moeten juist hervormd worden tot het beeld Gods.

En dat kan, nogmaals, alleen door het geloof in de Here Jezus Christus.

In Rom.8:29 zegt Paulus: “Want die Hij tevoren gekend heeft (het gaat hier om gelovigen), heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld Zijns Zoons…”.

Als wij gelijkvormig geworden zijn aan het beeld van de Zoon, dan zijn we daarmee automatisch een “beeld Gods”, want de Zoon IS de afstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen. Dat mag voor ons als gelovigen nu reeds een geestelijke werkelijkheid zijn. We zijn in Christus een beeld Gods.

God heeft een welbehagen in ons, die geloven. Wij hebben vrede met God en zijn “mensen des welbehagens”. Wat een voorrecht: God ziet ons niet meer aan in Adam, maar in Christus! Hoevelen zijn er niet, die de Here Jezus belijden als hun Verlosser en Heer, maar dan vervolgens uit volle borst zingen: zie mij voor U staan, zondig en onrein. Hebben zij dan de boodschap van het Evangelie niet verstaan? Want hóe staat u voor de Heer? Zondig en onrein? Lieve mens, zo kunt u niet eens voor de Heer staan! Mozes vroeg eens de heerlijkheid des HEREN te zien (Exod.33:18). Maar niemand kan God zien en leven! Toch is er voor Mozes een mogelijkheid. De HERE zegt: “Zie, bij Mij is een plaats, waar gij op de rots kunt staan…” (vs.21).

Staande op de rots zag Mozes iets van de heerlijkheid des HEREN. Wij ontdekken hier in de rots een geweldig type van Christus. Hij is de Rots des heils. Hij is het fundament, door God Zelf gelegd. Alleen wie op deze Rots plaatsneemt kan voor God verschijnen. De Rots draagt hem, zodat hij niet valt!

In Hebr.9 lezen wij: ‘Want Christus is niet binnengegaan in een heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding (Grieks: tupos) van het ware, maar in de hemel zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen…” (vs.24).

Christus staat voor het aangezicht Gods, heilig en volmaakt, volkomen rein, zonder zonde… en als wij staan voor Gods aangezicht, dan staan wij daar in Christus, ja, alleen in Christus! Zouden wij daar niet van zingen? Nooit genoeg kunnen wij God danken voor zo’n rijkdom van genade. Hij alleen is waardig daarvoor onze lof, dank en eer te ontvangen.

De Here Jezus zei: “Zalig zij die niet gezien hebben en toch geloven”. Inderdaad, God wil dat wij geloven. Daarin wordt Hij verheerlijkt. Wij eren God niet door over onze eigen zondigheid, fouten en tekortkomingen te zingen. Die dingen zijn er in overvloed, maar Gode zij dank, Hij heeft ons volkomen gereinigd voor eeuwig en altijd!

Laten wij wandelen in geloof, d.w.z. dat ons spreken (zingen) en handelen voortkomt uit geloof, uit gehoorzaamheid aan het Woord. Als wij dat niet doen, dan kan het misschien wel vroom lijken voor de mensen, maar dan is het, zoals Paulus zegt “zonder enige waarde (en dient slechts) tot bevrediging van het vlees” (Co1.2:23). In Christus is het oude weggedaan. Er is een volkomen nieuwe relatie, een nieuwe verhouding met God: “Met Christus ben ik gekruisigd…”. Ik ben geen Adamiet meer. Ja, wel naar het vlees nog, het oude lichaam. Maar de (geestelijke) werkelijkheid is van Christus. De naam van Christus is op mij gelegd, het leven van Christus is in mij en ik ben in Hem het beeld Gods. Nu nog in geestelijke zin, straks ook lichamelijk!

Aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig

In FiI.3 spreekt Paulus, geïnspireerd door Gods Geest, over onze (nieuwe) positie. Hij noemt de gelovigen daar “burgers van een rijk in de hemelen” (vs.20). Natuurlijk, zij leven nog in het lichaam op aarde, zij werken hier, zij hebben hier hun aardse bestaan, maar zij zijn hemelburgers.

Vanuit die hemelse positie, in Christus ontvangen (zie ook Efe.1:3 en 2:6), leven en werken wij op aarde als dienaren van God.

En terwijl wij hier op aarde “de levende en waarachtige God” dienen, verwachten wij Zijn Zoon uit de hemelen (1 Thess.1:10).

Wij mogen Hem nu reeds kennen als de Verlosser van ons leven; wij verwachten Hem echter nog als de Verlosser van ons lichaam. Straks komt de Here Jezus terug en zal er iets groots plaatsvinden. De dag komt spoedig, dat hij ons “vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt…” (vs.21a).

Ons vernederd lichaam wordt veranderd. Het woord “vernedering” wijst op de toestand waarin het lichaam verkeert. Het menselijk lichaam is niet meer wat het ooit (in de Hof van Eden) was. Het is vernederd door de zonde. Nauwelijks had het eerste mensenpaar van de verboden vrucht gegeten of “zij bemerkten, dat zij naakt waren” (Gen.3:7) en zij werden overvallen door een gevoel van schaamte (vgl. Gen.2:25).

Ons lichaam zal daarvan worden verlost. Het zal gebracht worden in de staat, die wij nu reeds geestelijk bezitten. Ons toekomstig lichaam zal een geestelijk lichaam zijn, gelijkvormig aan het (opstandings)lichaam van de Here Jezus.

De Here God zal dat wonder verrichten, “naar de kracht, waarmede Hij ook alle ()algen aan Zich kan onderwerpen” (vs.21 b).

Daarmee zal het bestemmingsplan van God volkomen worden vervuld. Wij zullen dan zowel geestelijk als lichamelijk gelijkvormig zijn aan het beeld Zijns Zoons!

Onze roeping en bestemming zal dan volmaakt in overeenstemming zijn met Gods bedoeling. In de meest letterlijke zin zijn we dan beelddragers Gods.

In het machtige hoofdstuk 1 Cor.15 zegt Paulus: “En gelijk wij het beeld van de stoffelijke (Adam) gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de hemelse (Christus) dragen” (vs.49).

Ons lichaam zal worden opgewekt in onvergankelijkheid, heerlijkheid en kracht (vs.42, 4.3).

Dat zal gebeuren bij de wederkomst van Christus. Dan zullen de doden “onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden” (vs.52).

Wat een feest zal dat zijn!

O, dan zullen zij juichen rondom Jezus’ troon;

‘s Heren lof dan vermelden zo heerlijk en schoon.

In 2 Cor.5 ziet Paulus uit naar de dag dat hij overkleed zal worden, opdat “het sterfelijke door het leven worde verslonden” (vs.4). Hij weet dat dát het einddoel is: “God is het, Die ons juist dáártoe bereid heeft en Die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft” (vs.5). En dan vervolgt hij met die blijde woorden: “Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed…” (vs.6).

In 1 Thess.4 beschrijft Paulus die wonderbaarlijke gebeurtenis in de (nabije) toekomst: “Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Here Zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht en zó zullen wij altijd met de Here wezen” (vs.15-17).

De wederkomst van de Heer zal ons dus de volkomen zaligheid brengen. Wij zullen geopenbaard worden in Zijn heerlijkheid. Wij weten niet wat dat betekent. Ons voorstellingsvermogen schiet te kort. Maar… het zal wonderbaar zijn.

Meer nog dan de koningin van Scheba ooit uitriep toen zij de heerlijkheid van Salomo zag, zullen wij roepen als wij Christus zien in al Zijn heerlijkheid: “waarlijk, de helft was mij niet aangezegd; gij hebt in wijsheid en welvaart de roep overtroffen, die ik vernomen had”.

Door het Woord hebben wij al iets van die heerlijkheid mogen ontdekken. Telkens als wij de Bijbel lezen en bestuderen komen wij terecht bij Christus. Er klinkt een loflied in ons hart waardoor wij zeggen: Hoe groot zijt Gij!

Toch is dat slechts een fraktie van de heerlijkheid die over ons geopenbaard zal worden. Daarom zien wij ook vol verwachting uit naar die dag: de Dag van Christus Jezus, onze Here.

Dus: “vertroost elkander met deze woorden” (1 Thess.4:18, St.Vert.).

Die hoop moet al ons leed verzachten

Komt reisgenoten, ‘t hoofd omhoog!

Voor hen, die ‘t heil des Heren wachten,

Zijn bergen vlak en zeeën droog.

O zaligheid niet af te meten,

O vreugd die alle smart verbant.

Daar is de vreemd’lingschap vergeten;

En wij, wij zijn in ‘t Vaderland!

HOOFDSTUK 3

Adam, de Heerser

De uitdrukking “Zoon des mensen” is al een paar keer genoemd. D. i. de hoogste titel, die een mens kan ontvangen, en is van toepassing op de Here Jezus Christus.

Deze titel wijst op het feit, dat Hij de Erfgenaam van Adam is. Als zodanig is Hij “de laatste Adam”.

Alle rechten en plichten van Adam komen toe aan Christus.

In de toekomst zal Christus Zich als de Zoon des mensen openbaren:

“… en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid” (Matt.24:30).

Psalm 8

Die “Zoon des mensen” komen wij ook tegen in Ps.8.

Dit is een profetische Psalm, die in de eerste plaats betrekking heeft op de Here Jezus Christus.

Ps.1 beschrijft de mens, die vruchtdraagt. Hij is als een boom, geplant aan waterstromen, die zijn vrucht geeft, op zijn tijd…

Ps.2 spreekt over de Zoon Die als koning gesteld is over “Sion, Mijn heilige berg”.

Ps.8 brengt ons bij de Zoon des mensen als heerser over alles. De mens als koning der aarde.

Wie is die mens? Ik zei al, ook deze Psalm spreekt uiteraard over Christus.

Het is een profetische Psalm. Dat blijkt in de eerste plaats uit vs.2: “0 HERE, onze Here, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde…”.

“HERE” (Hebr. JaHWeH) is de Naam van God en “Here” (Hebr. Adonai) is een aanspreektitel.

Hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde… zegt u nou zelf, is dat zo? Nee toch. De Naam van de HERE wordt vandaag belasterd, bekritiseerd, bespot, enz. Er zijn allerlei andere namen, die men veel belangrijker acht. De tijd, dat de Naam van de HERE voor een ieder belangrijk zal zijn, komt nog.

Die tijd zal komen als de HERE Koning zal worden. Zacharia 14 zegt: “De HERE zal Koning worden over de gehele aarde; te dien dage zal de HERE de Enige zijn en Zijn Naam de enige” (vs.9). Dan zal alles voor Hem buigen en Hem eren.

In de tweede plaats staat er in deze Psalm, dat de mens zal heersen over alles. Ook dat zal nog vervuld moeten worden.

In de derde plaats wordt er gesproken over de “Zoon des mensen” en dat is Christus.

In vers 5 lezen wij: “Wat is de mens, dat gij zijner gedenkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet?”

De N.B.G. heeft vertaald: “mensenkind”, maar er moet eigenlijk staan: “des mensen zoon”, oftewel: “zoon des mensen” (Hebr. Ben-Adam), zoals de St.Vertaling vermeldt.

Vaak wordt deze Psalm gebruikt om over de mens te roemen als de kroon der schepping. Immers, hij is “bijna goddelijk gemaakt” en met “heerlijkheid en eer” gekroond (vs.6).

Het gaat echter in deze Psalm niet om de mens, zoals u en ik, die verhoogd wordt, maar het gaat om Hem, die Zich vernederd heeft: “een weinig minder gemaakt dan engelen” (zie de Statenvertaling), en vervolgens met heerlijkheid en eer is gekroond.

Wat de strekking van deze Psalm werkelijk is wordt duidelijk als we een aantal teksten in het Nieuwe Testament opslaan.

In Matt.28:18 zegt de Here Jezus: “Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde”.

We lezen vervolgens 1 Cor.15:25, 26 “Want Hij (d.i.Christus) moet als koning heersen, totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten gelegd heeft. De laatste vijand, die onttroond wordt is de dood. want alles heeft Hij aan Zijn voeten onderworpen”.

Hier worden bijna dezelfde woorden gebruikt als in Ps.8 “alles hebt Gij onder Zijn voeten gelegd”. Bij dat “alles”, zo blijkt hier, hoort zelfs de dood. Kennelijk gaat het in Ps.8 dus inderdaad over de “Zoon des mensen”, de opgestane Heer, Die de dood heeft overwonnen!

Dezelfde uitspraak vinden wij ook in Efe.1. Daar lezen wij eerst, dat Christus uit de doden is opgewekt en gezeten is ter rechterhand Gods “in de hemelse gewesten, boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw” (vs.21). En dan volgt vs.22, 23 met opnieuw een citaat uit Ps.8: “En Hij heeft alles onder Zijn voeten gesteld en Hem als Hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die Zijn lichaam is, vervuld met Hem, Die alles in allen volmaakt”.

Degene, van Wie in Ps.8 gesproken wordt is dus het “Hoofd boven al wat is”. Dit kan alleen maar van toepassing zijn op de wonderbare Persoon van Christus!

Hier wordt trouwens ook de innige verbondenheid van Christus en de Gemeente weergegeven. Hij, Die het Hoofd is boven alles, is gegeven aan de Gemeente, die Zijn lichaam is. Daarmee komen wij terecht bij het grote geheimenis waar de apostel Paulus in zijn brieven over spreekt: de Gemeente als het Lichaam van Christus. Een grotere eenheid als hoofd en lichaam bestaat er niet! In Efe.5 noemt de apostel dit een groot geheimenis. Het is een relatie, die een wezenseenheid met Christus betekent. De Gemeente hoort niet zomaar bij Christus, nee, wij zijn in Christus en Hij is in ons! Zijn leven is ons leven; Zijn positie is ook onze positie, wij hebben deel aan het hoofdschap boven al wat is. Vandaar ook dat Paulus kan zeggen in 1 Cor.6:2 ”Of weet gij niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen?” en in vs.3 ”Weet gij niet, dat wij over engelen oordelen zullen?”.

Het zou nu te vervoeren om daar dieper op in te gaan, maar bedenk wel, dat, als de Bijbel spreekt over de heerschappij van Christus, wij daar als gelovigen deel aan hebben. In Rom. 8 zegt Paulus, dat wij de Geest van het zoonschap hebben ontvangen. En ”die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn. Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus…” (vs.15-17).

Tenslotte gaan we nog naar Hebreeën 2.

In dit hoofdstuk wordt Ps.8 uitvoerig geciteerd. Het 5e vers spreekt over de onderwerping der wereld: “Want niet aan engelen heeft Hij De eerste mens kreeg een drie-voudige opdracht van God de toekomende wereld, waarvan wij spreken, onderworpen. Maar iemand (d.i.David) heeft ergens (d.i.in Ps.8) betuigd, zeggende:

Wat is de mens, dat Gij Zijner gedenkt, of des mensen Zoon, dat Gij naar Hem omziet? Gij hebt Hem voor een korte tijd beneden de engelen gesteld, met heerlijkheid en eer hebt Gij Hem gekroond, alle dingen hebt Gij onder Zijn voeten onderworpen” (vs.6-8).

Uit het kommentaar dat volgt, blijkt, dat deze Psalm profetisch spreekt over de Here Jezus. En dan blijkt het inderdaad niet te gaan om de mens als zodanig, die “bijna goddelijk gemaakt” is, maar om de Mens Christus Jezus, Die voor een korte tijd “een weinig minder gemaakt” (St.Vert.) is!

Hij, die de vernederde Mens was, “… opdat Hij door de genade Gods voor een ieder de dood zou smaken…” (Hebr.2:9) is ook de opgestane en verheerlijkte Mens, “… met heerlijkheid en eer gekroond…”.

Hij zal Zich in de (nabije) toekomst openbaren en alle dingen aan Zich onderwerpen.

Toen Hij Zijn lijdensweg op aarde had afgelegd, gehoorzaam tot de dood, heeft God Hem “… uitermate verhoogd en Hem de Naam boven alle naam geschonken, opdat in de Naam van Jezus zich alle knie zou buigen… en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader!” (Fil.2:9b, 10).

Wij denken nog even terug aan de woorden van Genesis 1:26-28. Het was Gods verlangen om de mens te maken naar Zijn beeld en gelijkenis met de bedoeling om over de aarde te heersen. Daartoe schiep God de mens, namelijk: Adam. De eerste mens is echter een “beeld van de komende” (Rom.5:14), van de tweede Mens, namelijk: Christus.

In Hem en door Hem zal Gods bedoeling volledig worden vervuld!

De opdracht van de mens

De eerste mens kreeg een drie-voudige opdracht van God (Gen.1:28):

  1. Weest vruchtbaar
  2. Vervult de aarde
  3. Onderwerpt haar en heerst over haar

In de praktijk is gebleken (en blijkt nog), dat de mens niet in staat is om deze opdracht volledig te vervullen!

Immers: Hoe zou een mens vandaag kunnen heersen over de vissen? Of over de vogels? Met alle technische kennis en hooggeroemde wetenschap lukt het geen sterveling om ook maar één zwaluw naar beneden te roepen. Voor zover de mens heerst komt daar over het algemeen grof geweld aan te pas!

Als wij de Bijbel goed lezen ontdekken wij, dat Adam de opdracht kennelijk niet geheel zelf behoefde te vervullen!

Want het is toch wonderlijk: God plaatst hem in een Hof om die te bewaren en te bewerken (Gen.2:15). De “Hof’ was een tuin, een omheind gebied, een beperkt gebied dus!

Adam hoefde slechts op beperkte wijze te voldoen aan de opdracht van God, en wel dáár waar God hem heeft geplaatst!

Zit daar niet een geestelijke les in voor ons? Wij menen de hele wereld te bezitten, de Afrikaan is onze naaste geworden. Maar God heeft ons geplaatst in de wereld, ieder op onze eigen plaats om Hem dáár te dienen. Onze verantwoordelijkheid ligt in de eerste plaats dáár waar God ons gesteld heeft, in welke positie ook.

Na de zondeval is Adam buiten de Hof gezet. Daarmee kwam er een eind aan zijn taak, want hoe zal Adam de Hof “bewerken en bewaren” als hij er niet in kan? (vgl.Gen.3:24).

Om de zonde van de mens is de aardbodem vervloekt (Gen.3:17) en de mens zou ”al zwoegende” moeten eten van een aarde die “doornen en distelen” voortbrengt!

Mij dunkt, dat is heel wat anders dan “onderwerpt haar en heerst…”! Uit het vervolg van de Bijbelse geschiedenis blijkt dan ook duidelijk, dat God deze opdracht niet heeft laten vervallen, maar de vervulling ervan heeft uitgesteld tot in een verre toekomst.

Want waar Adam niet aan toe gekomen is, dat zal zijn zoon, de Zoon des mensen, alsnog uitvoeren.

Als Hij komt zal Hij de aarde onderwerpen en over haar heersen, zodat het Woord van God doen zal wat Hem behaagt. Dan zullen, volgens Jes.55, de bomen des velds “in de handen klappen. Voor een doornstruik zal een cypres opschieten, voor een distel zal een mirt opschieten, en het zal de HERE zijn tot een naam…” (vs.12, 13).

Het is na de zondeval genoeg voor God, dat Adam voldoet aan het eerste deel van de opdracht: weest vruchtbaar, hoewel ook dat meer moeite zou gaan kosten! (zie Gen.3:16).

Doordat hij en zijn nakomelingen vruchtbaar geweest zijn, mensen hebben voortgebracht, is uiteindelijk de Verlosser, al beloofd in Gen.3:15, geboren. En hij zou de opdracht alsnog volledig vervullen.

Dat het God nog slechts te doen was om het vruchtbaar-zijn, blijkt ook uit wat Hij zegt tegen Noach in Genesis 9. Als de Here God de gelegenheid had gehad om die volledige opdracht opnieuw aan de mens te geven, om de aarde te onderwerpen, etc. dan was het wel vlak na de zondvloed.

De mensheid was omgekomen in het oordeel van God en met Noach en de zijnen maakt Hij een nieuw begin. Noach was op dat moment de “zoon” (d.i. erfgenaam) van Adam! En Noach krijgt inderdaad opnieuw aanwijzingen van God. De opdracht die God eerst aan Adam gaf wordt herhaald, alleen… er valt iets weg!

Lees maar in vs.1 : “En God zegende Noach en zijn zonen (net zoals hij Adam zegende) en zeide tot hen: Weest vruchtbaar, wordt talrijk en vervult de aarde“.

In vs.7 wordt die opdracht nog eens herhaald en in beide verzen valt op, dat het laatste aspekt van de oorspronkelijke opdracht niet genoemd wordt. Kennelijk blijft dat nog even liggen voor een latere tijd…!

Als wij nu terugzien op deze woorden, duizenden jaren geleden uitgesproken, dan moeten wij konstateren, dat deze opdracht aardig uit de verf gekomen is. ‘Wemelt op de aarde…”, en inderdaad, dat is vandaag zo!

De mens noemt het tegenwoordig: overbevolking. Het feit, dat de mens “wemelt op aarde” vormt één van de grootste “problemen” van onze generatie. De bevolkingsaanwas is gigantisch toegenomen, vooral de laatste anderhalve eeuw.

Statistisch ziet het er ongeveer zo uit:

Bevolkingsaantal A.D.1850: 1 miljard
1930: 2 miljard
1960: 3 miljard
1975: 4 miljard
1985: 5 miljard
verwachting begin jaren 1990: 6 miljard

Volgens de “deskundigen” (wil de echte opstaan?) is de grens van het toelaatbare en het mogelijke bijna bereikt. Men zit met de handen in het haar!

U begrijpt wel, dit mag voor de wereld een probleem zijn, voor God is het dat niet. Als gelovigen weten wij, dat dit alleen maar een teken kan zijn van de spoedige komst van de Here Jezus en dan zal ook dit “probleem” worden opgelost…!

In ieder geval is het zo, dat de Here de opdracht, die Hij eerst aan Adam gaf, herhaalt, met weglating van de onderwerping der aarde. En dat “vruchtbaar-zijn” is belangrijk voor Noach en zijn erfgenamen, want het past in Gods Plan om zodoende de Messias voort te brengen, de Zoon des mensen.

HOOFDSTUK 4

Adam, de Erfgenaam

De openbaring van de Zoon des mensen

Christus is de waarachtige Mens naar het beeld en de gelijkenis Gods, Die met de titel “Zoon des mensen” wordt aangewezen als de wettige Ergenaam. Hij zal Zich spoedig openbaren in Zijn heerlijkheid en Zijn erfenis in bezit nemen. Daarover spreekt met name het boek Openbaring.

Het grote thema van het laatste Bijbelboek is: de openbaring ( = zichtbaarwording) van Jezus Christus… (Hfdst.1:1).

Johannes zag ‘temidden van de kandelaren iemand als eens mensen zoon…” (1:13). Ongetwijfeld een beschrijving van de verheerlijkte Christus, de Zoon des mensen.

In Openb.5 zien wij Hem opnieuw. Daar is Hij de Leeuw uit de stam Juda. Hij is de Koning. Hij zal de wereldheerschappij overnemen en komen “tot wederoprichting aller dingen” (Hand.3 :21).

In dit machtige hoofdstuk lezen wij, dat alleen Hij waardig is dat te doen. De geschiedenis van de eindtijd wordt daar voorgesteld in “een boekrol, beschreven van binnen en van buiten, welverzegeld met zeven zegels” (vs.1).

Dan wordt er gevraagd wie waardig is deze boekrol te openen en niemand in de hemel, op de aarde of onder de aarde blijkt die waardigheid te bezitten. En dan lezen wij van Johannes “en ik weende zeer(vs.4). Waarom was Johannes nu zo diep ontroerd? Wel, het antwoord staat erachter: “omdat niemand waardig was gebleken de boekrol te openen of die in te zien”!

Dat zou dus betekenen, dat er niemand is die de geschiedenis van deze wereld kan vol- of beëindigen! Daarom is Johannes uiterst bedroefd. De konsekwentie daarvan is namelijk, dat de wereld volkomen aan zichzelf is overgeleverd en zou wegzinken in haar eigen moeras van zonde en verderf! Er zou geen einde komen aan al de problemen die er zijn. De ellende, onvrede, haat en nijd, bloedvergieten etc., het zou alsmaar voortduren. De samenleving zou volkomen ontspoord raken.

Dat is het eerste wat we uit deze woorden leren. Het tweede is, dat geen enkel schepsel in staat blijkt te zijn de (wereld)geschiedenis ter hand te nemen en onder kontrole te houden. Niemand: geen engel uit de hemel, geen mens op aarde, geen onderaardse macht! Mensen denken hun eigen boontjes te kunnen doppen. Voortvarend als altijd pleegt men overleg, worden konferenties gehouden, allemaal onder hetzelfde thema: Een (betere) wereld van gerechtigheid en vrede. Koortsachtig wordt gewerkt aan “het paradijs op aarde”.

Echter, elke poging van dien aard is gedoemd te mislukken, want sinds de zondeval is de mens(heid) niet meer in staat opbouwend werkte verrichten! Bijna 6000 jaar (!) menselijke geschiedenis heeft dat voldoende bewezen.

In feite is het zo, dat in Openb.5 het schepsel (lees: de mensheid) failliet verklaard wordt!

Is er dan geen hoop meer? Wie zou dan wel voor een fundamentele, konstruktieve wending kunnen zorgen? Het antwoord vinden wij in vs.5: “En één uit de oudsten zeide tot mij: Ween niet; zie, de leeuw uit de stam Juda, de wortel Davids, heeft overwonnen om de boekrol en haar zeven zegels te openen”.

Hij, Die eeuwen tevoren is aangekondigd als de Messias van Israël, is de Verlosser der wereld!

Johannes slaat bij het horen van dit goede nieuws zijn betraande ogen op en ziet “een lam staan, als geslacht” (vs.6). Daarmee wordt de geschiedenis van 2000 jaar overbrugd. Alleen Hij is waardig de boekrol te openen, de leeuw uit de stam Juda, de Here Jezus Christus, Die eens op aarde kwam als het Lam van God om de losprijs te betalen. Toen is de Leeuw gedood, als een Lam ter slachting geleid. Maar die Leeuw is opgestaan uit de dood en God heeft Hem “uitermate verhoogd en Hem de Naam boven alle naam geschonken…” (Fil.2:9).

En als Hij Zich straks zal openbaren als de Koning der koningen en de Here der heren (Opb.19), zal Hij de boekrol nemen en de zegels verbreken. Hij zal door de oordelen heen Zijn Rijk van gerechtigheid en vrede stichten (Vgl. Jes.9:6) en alle dingen weder oprichten. Dan zullen de tongen in beweging komen en Hem de eer geven:

“Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de macht en de rijkdom, en de wijsheid en de sterkte, en de eer en de heerlijkheid en de lof” (Opb.5:12).

Dan zullen de woorden van Psalm 8 e.v.a. worden vervuld: alles zal onder Zijn voeten worden gelegd.

“En alle schepsel in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem, Die op de troon gezeten is, en het Lam zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden” (Opb.5:13).

Wat is het machtig om die Here persoonlijk te mogen kennen als onze Heiland. Als onze Leidsman, Die ons vasthoudt in Zijn krachtige armen. Die ons de overwinning geeft door Zijn kracht.

De opdracht vervuld

Adam, de 1 e mens, is dus een type (schaduwbeeld) van Christus, de 2e mens. Van Hem is de werkelijkheid.

Gods bedoeling met de mens, zoals aangegeven in Gen.1:28-30, wordt in Christus, de opgestane en verhoogde Zoon des mensen/Zoon van God, volkomen en volmaakt vervuld.

  1. Weest vruchtbaar en wordt talrijk…Christus is vruchtbaar! Weliswaar op een wat andere manier dan waaraan in Gen.1 gedacht wordt, maar toch…!Psalm 1 is al eerder geciteerd. De “man” waarover de Psalmist spreekt is, in profetisch perspektief gezien, Christus. Hij is de mens, Die volkomen wandelde in overeenstemming met de wil van God. En Hij geeft Zijn vrucht, d.w.z.: Hij is vruchtbaar.Dat is ook wat Jes.11:1 zegt: “En er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van Isaï en een scheut uit zijn wortelen zal vruchtdragen”. Dit “rijsje”, deze “scheur, is niemand anders dan de Messias. Natuurlijk kun je zeggen: het is David. Maar wie is de Erfgenaam van David, oftewel: de Zoon van David? De Here Jezus (vgl. Luc.1:32,33). Bovendien blijkt uit de beschrijving die volgt in Jes.11, dat het wel degelijk een profetie is over de komst van de Messias-Koning.

    … en talrijk…

    Als van Adam gezegd wordt dat hij nakomelingen heeft gekregen, staat dat voor iedereen vast. Minder bekend is misschien, dat het van de Zoon van Adam eveneens gezegd wordt, alleen dan natuurlijk weer op een andere manier.

    Zie bijvoorbeeld Jes.53:10 “Wanneer Hij Zichzelf tot schuldoffer gesteld zal hebben, zal Hij nakomelingen zien en een lang ( = eeuwig) leven hebben en het voornemen des HEREN zal door Zijn hand voortgang hebben”.

    Wie deze nakomelingen zijn wordt verklaard in vs.11. Het gaat om hen, die Hij “rechtvaardig maken” zal. Het zijn dus gelovigen, met name uit Israël. In Psalm 22 spreekt de Messias door de mond van David en zegt: “Ik zal Uw naam aan mijn broeders verkondigen, in het midden der gemeente zal ik U lofzingen” (zie ook Ps.24:6, 25:13 en vgl. Hebr.2:12).

  2. Vervult de aarde…In Daniël 2 lezen wij over de bekende droom van Nebukadnezar. De koning ziet een groot beeld, waarvan de aanblik “schrikwekkend” is. Daniël legt uit, dat dit zgn. Statenbeeld een voorstelling is van de opeenvolgende wereldrijken.De droom van koning Nebukadnezar eindingt niet met het beeld alleen. Er komt nog iets achteraan. Ook dat weet Daniël tot in de details te vertellen:

‘Terwijl gij bleeft toezien, raakte, zonder toedoen van mensenhanden, een steen los, die het beeld trof aan de voeten van ijzer en leem en deze verbrijzelde; toen werden tegelijkertijd het ijzer, het leem, het koper, het zilver en het goud verbrijzeld, en zij werden gelijk kaf op een dorsvloer in de zomer, en de wind voerde ze mee, zodat er geen spoor meer van te vinden was…” (Dan.2:35).

Het lijkt of het beeld onaantastbaar overeind staat. Toch houdt het geen stand. Een steen raakt los en verplettert met enorm geweld het hoge beeld op zo’n manier, dat er niets meer van overblijft dan wat stof. Wie of wat de steen is, daarover is al veel geschreven. De verklaring is, gezien in het licht van dit hele gedeelte, niet zo moeilijk te geven. Immers het gaat hier om koninkrijken, koningschap en heerschappij. In de uitleg van Daniël wordt duidelijk gezegd, dat God in de laatste dagen van het laatste rijk een Koninkrijk zal oprichten (Dan 2:44), waarbij de vorige rijken worden vernietigd en weggedaan. De vorige rijken vormden samen het komplete beeld. Het beeld van de menselijke heerschappij verdwijnt en Gods heerschappij wordt op aarde zichtbaar. De steen die verbrijzelt en zelf tot een grote berg wordt heeft dus te maken met de komst en de openbaring van Gods Rijk op aarde; het Rijk uit de hemel, daarom ook genoemd: Koninkrijk der hemelen. Alleen, en dat is belangrijk, een koninkrijk bestaat alleen maar als er ook een koning is. En daarom is de steen die hier in Daniël verschijnt, niet alleen maar een beeld van het koninkrijk, maar ook van de koning, de Here Jezus Christus. Als de Here Jezus straks opnieuw op aarde komt als Koning, dan is het Koninkrijk nabij (en dat evangelie wordt dan ook gepredikt), en zal spoedig zichtbaar op aarde gevestigd worden. Zo wordt het ook beschreven in de geweldige profetie van Daniël.

De steen raakte los zonder toedoen van mensenhanden. Hier vindt dus een gebeuren plaats, dat helemaal buiten de mens om gaat! Handen hebben te maken met werk, met dienstbaarheid. Hier gebeurt iets, dat niet het werk is van mensenhanden, maar van Gods (Rechter)hand. Op Zijn tijd en op Zijn wijze zal Zijn Woord in vervulling gaan. God houdt de eer aan Zichzelf, opdat niemand roeme!!

De losgeraakte steen treft het beeld aan de voeten, onderaan dus. Het rijk der mensen wordt verbrijzeld als het Koninkrijk van God komt, met aan het hoofd de Zoon des mensen. De komst van de Koning en Zijn Rijk betekent aanvankelijk een grote katastrofe voor de heidense naties. Het betekent het absolute einde van alle menselijke heerschappij. De val van het laatste rijk betekent tegelijkertijd (Dan.2:35) de ondergang van alle wereldmachten. Als de Koning der Koningen, komt Hij Zelf om de heidenen te slaan en te hoeden, zie Openb.19:15. Er blijft niets meer over van het grote mensbeeld. De laatste stofdeeltjes worden weggevoerd door de wind:

“Hij geeft de machthebbers over ter vernietiging, Hij maakt de regeerders der aarde tot ijdelheid… en een storm neemt ze op als stoppels” (Jes.40:23, 24).

De Here Jezus Christus komt als de Steen in Zijn soevereine macht om alle tegenstand teniet te doen, Zijn vijanden te verslaan, en Zijn eigen (lang beloofde) Koninkrijk op te richten over de gehele aarde. En dat wordt als volgt gezegd:

“… en de steen, die het beeld getroffen had, werd zelf tot een grote berg, die de gehele aarde vulde” (Dan.2:35).

De steen die het beeld heeft verpulverd, wordt tot een berg. Oftewel: Christus komt en zal de aarde (ver)vullen met Zijn heerschappij en alle heerlijkheid, die daaruit voortvloeit.

In Jer.23:24 zegt de HERE: ”Vervul Ik niet de hemel en de aarde?” Zowel de profeet Jesaja alsook Habakuk getuigen ervan, dat de aarde “vol zal worden van de kennis van des HEREN heerlijkheid, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken”.

Paulus wijst in 1 Cor.15:28 op het einddoel van God: “Wanneer alles Hem onderworpen is, zal ook de Zoon zelf Zich aan Hem onderwerpen, Die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen”.

  1. Onderwerpt haar…Zoals gezegd: Adam werd ”slechts” de Hof toebedeeld. Christus zal heel de aarde onderwerpen, d.w.z.: de vijand (en) verdrijven en door Zijn gerechtigheid vrede op aarde brengen.

Ps.72:8 zegt: “Hij heerse van zee tot zee, van de Rivier tot de einden der aarde”.

De Here Jezus Christus zal in de toekomst Zijn voeten zetten op de Olijfberg (Zach.14). Daar gaat het beginnen, in Jeruzalem, de stad van God, zoals Zacharia beschrijft in hfdst.8, vs.3:

“Zo zegt de HERE: Ik keer weder tot Sion en Ik woon binnnen Jeruzalem; Jeruzalem zal de stad der trouw, en de berg van de HERE der heerscharen zal de berg der heiligheid genoemd worden.”

Wie Zacharia verder uitleest komt onder de indruk van het komende heil van God, dat begint bij een teruggekeerd, gelovig Israël. Wie kan zich voorstellen dat straks “vele natiën en machtige volken zullen komen om de HERE der heerscharen te Jeruzalem te zoeken, en de gunst des HEREN af te smeken” (Zach.8:22).

Christus onderwerpt de aarde. Het Koninkrijk zal zich vanuit Jeruzalem uitbreiden: “En de HERE zal koning worden over de gehele aarde…”.

Vele Oud-Testamentische vergezichten met betrekking tot de zegenrijke regering van de Messias zullen in vervulling gaan. Ik noem er een paar: Jes.9, 11, 35, 60, 61, 62; Jer.30, 33; Ezech.37, 40 e.v.; Dan. 2, 7:12; Amos 9:11-15; Micha 4, 5; Zef. 3:9 e.v.; Haggaï, Zach.8, 14 e.v.a.

In het boek Openbaring zien wij, dat Hij Zijn Koningschap aanvaardt: “Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here (en) Zijn Gezalfde, en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden” (11:15, zie ook vs.17, 12:10, 15:3, 4 en 19:1, 6).

Eindelijk zal de mensheid gaan ervaren wat het betekent, dat God daadwerkelijk regeert. In de laatste wereld-dag, de Sabbat, zal alle aandacht gericht zijn op de Zoon des mensen, Die zal komen op de wolken des hemels met grote macht en heerlijkheid.

Hij zal eerst Zijn Lichaam, de Gemeente in veilige heerlijkheid brengen. Daarna zal Hij wederkomen op aarde en dwars door de reinigende oordelen heen Zijn geliefde volk Israël en de overige volkeren rust geven, 1000 jaar lang. Totdat Hij alle dingen nieuw heeft gemaakt en Gods plan voltooid wordt in een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want “Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en Zijn Koningschap is één, dat onverderfelijk is” (Dan.7:14).

Aan de Zoon des mensen, de tweede Mens, zal alles zijn onderworpen. Hij zal heersen over de dieren des velds, de vissen der zee en de vogelen des hemels.

Alles wat in de hemel is en op de aarde zal worden samengebracht onder één Hoofd, Christus!

Tijdens Zijn eerste komst (in lijden) heeft Hij de vaste grond gelegd van het bouwwerk naar Gods Plan. Zijn wederkomst is dan ook de ENIGE hoop voor de wereld. Hij (alleen) is waardig om te voleindigen en bestemd om het wonderbare Heilsplan van God te volvoeren.

Ooit is de mens (Adam) aangesteld als heerser, de laatste Adam, de tweede Mens zal, naar de bedoeling van God, waarachtig Heerser zijn!

HOOFDSTUK 5

Adam, beeld van de Komende

Tenslotte wil ik nog graag stilstaan bij een bijzondere manier waarop Adam een type is van Christus als de Zoon van God in Zijn vernedering.

In de inleiding is al gezegd, dat vele personen in de Bijbel worden aangemerkt als typen van Christus. Hun leven is in meer of mindere mate een voorafschaduwing van het leven en werk van Christus. De enige echter van wie direkt gezegd wordt, dat hij een type is van Christus, is Adam, in Rom.5:14. En misschien is hij bij de gelovigen wel het minst bekend als type!

Het bijzondere nu aan het type heeft te maken met de liefdevolle overgave van Christus om Zich te vernederen en onze zonden, en die der wereld, op zich te nemen!

Er staat in 1 Tim.4:10 een merkwaardig woord, nl. dat God een Heiland is voor “alle mensen, inzonderheid voor de gelovigen”. Hieruit blijkt, dat Christus Zich vernederd heeft en gestorven is voor alle mensen, maar vooral voor de gelovigen. Zij hebben namelijk deel aan het resultaat van Zijn volbrachte werk!

In Efeze 5 wordt speciaal gesproken over de verhouding tussen man en vrouw en daarbij wijst Paulus op de unieke relatie die er is tussen Christus en de Gemeente. Deze innige verbondenheid wordt als voorbeeld gesteld voor de verbondenheid van man en vrouw binnen het huwelijk. Even op een rijtje:

vs.23 . De man is het hoofd van de vrouw

GELIJK

Christus het Hoofd is van Zijn Gemeente

vs.24 De vrouw is onderdanig aan haar man

GELIJK

de Gemeente onderdanig is aan Christus.

vs.28 Daar de Gemeente het Lichaam van Christus is, moet

OOK

de man de vrouw als zijn eigen lichaam zien.

vs.25 Mannen, hebt uw vrouw lief

GELIJK

Christus Zijn Gemeente heeft liefgehad…

Hier wordt dus gesproken over de overgave van Christus uit liefde voor Zijn Gemeente!

In dit verband citeert Paulus de bekende tekst uit Gen.2:24 “Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn”.

De eenheid van man en vrouw in het huwelijk is een (zwakke) afschaduwing van de eenheid tussen Christus en de Gemeente, waarmee trouwens niet gezegd is, dat de Gemeente de bruid van Christus is! Daar gaat het ook niet om in dit Bijbelgedeelte.

Het gaat om de verbondenheid. Meer nog als een bruidegom en bruid is Christus verbonden met de Gemeente, die immers Zijn Lichaam is. Een grotere eenheid als Hoofd en Lichaam is niet denkbaar!

Nu naar Gen.2:24. Dit vers begint met: “daarom…”. Logische vraag is dan: waarom? Het antwoord is: om vs.23: De vrouw (Eva) is genomen UIT de man (Adam). Dus Eva is iets van hemzelf, een deel van hem, eigenlijk: onlosmakelijk met hem verbonden.

”Daarom” (want dit slaat terug op het vorige vers) zal hij oorspronkelijke banden (hier aangeduid als: ”vader en moeder”) opzij zetten voor deze band. Anders gezegd: Hij zal zijn oorspronkelijke plaats en positie verlaten terwille van zijn vrouw.

En zo waren die beiden tezamen in de Hof van Eden, in harmonie met God, met hun omgeving en met elkaar: “zij beiden waren naakt, de mens (Adam) en zijn vrouw, maar zij schaamden zich voor elkander niet” (2:25).

Ja, maar als nu de vrouw zich laat verleiden en in zonde valt, wat dan?

En deze vraag is niet hypothetisch, want dat gebeurde ook! Het verslag daarvan vinden wij in Gen.3.

In vs.1 horen wij satan zeggen: “God heeft zeker wel gezegd…”. God had inderdaad gesproken tot Adam: ”En de HERE God legde de mens (Adam) het gebod op…” (zie Hfdst.2:16, 17).

Eva heeft dat later ongetwijfeld vernomen, ofwel van de Heer Zelf, of van Adam. En dat laatste lijkt logischer, want in het verslag van Gen.2 komt Eva pas tevoorschijn nadat God tot Adam gesproken had.

In ieder geval is het opvallend, dat Eva iets in haar antwoord toevoegt: “… noch die aanraken…” (vs.3).

Enfin, de vrouw laat zich verleiden en neemt van de vrucht… en dat betekent de overtreding van Gods gebod, met alle gevolgen van dien.

Maar nu Adam. Wat moest hij nu? Ongetwijfeld kende hij de konsekwenties van deze daad!

Niet eten zou betekenen, dat hij voor altijd gescheiden zou zijn van zijn vrouw, die uit hem genomen was! De vrouw, waarmee hij zo innig verbonden was; de vrouw die hij ongetwijfeld liefhad. Dat zou óók betekenen: geen gemeenschap, geen voortplanting (terwijl er toch duidelijk nog een opdracht van God lag, vgl. Gen.1:28). Het zou moeten inhouden dat Eva zou sterven en Adam niet…!

Wat Adam ook allemaal gedacht heeft op dat moment, dat weten wij niet. Wel is duidelijk, dat hij een bewuste keuze maakte door WEL te eten. Hij gaf zich over en vernederde zichzelf ten behoeve van en uit liefde voor zijn “eigen” vrouw!

Hierin blijkt Adam eveneens een geweldig type van Christus te zijn.

De gedachte, dat Adam zich bewust vernederde wordt bevestigd door wat er in het Nieuwe Testament over hem gezegd wordt. Daarom gaan wij eerst naar Rom.5:14, waar Adam wordt genoemd: “een beeld (tupos) van de Komende”.

Toen Adam van de vrucht nam ging het Woord van God in werking: “ten dage dat gij daarvan eet zult gij – letterlijk – stervende sterven”. De dood ging heersen over Adam en vervolgens over allen die na hem kwamen.

Wij lezen vs.14:

“Toch heeft de dood als koning geheerst van Adam tot Mozes, ook over hen, die niet gezondigd hadden op een gelijke wijze als Adam overtrad, die een beeld is van de Komende”.

Mensen zondigen van nature, omdat zij zondaars zijn. Adam was geen zondaar in die zin. Hij was een overtreder van Gods gebod… heel bewust! Zijn zondigen was heel bijzonder, omdat hij heel bewust deze stap nam. De vrouw werd verleid en kwam terecht in de strik van de satan.

Dat geldt niet voor Adam. Hij werd niet verleid, maar deed een bewuste keuze.

Laten wij ook lezen wat er staat in 1 Tim.2:13-15:

“Want eerst is Adam geformeerd, en daarna Eva. En Adam heeft zich niet laten verleiden, maar de vrouw is door de verleiding in overtreding gevallen; doch zij zal behouden worden, kinderen ter wereld brengende, indien zij blijft in geloof, liefde en heiliging, met ingetogenheid”.

Hier staat dus heel duidelijk, dat Adam zich niet heeft laten verleiden, zoals dat bij Eva wel het geval was.

In dit Bijbelgedeelte zegt Paulus dat de vrouw onderdanig moet zijn aan de man! Waarom? Omdat, verklaard de apostel in vs.13, Adam eerst geformeerd is en daarna Eva: “het hoofd der vrouw is de man” (1 Cor.11 :3).

Die onderdanigheid is tot haar eigen bescherming! Daarvoor gebruikt Paulus de zondeval als voorbeeld, zie vs.14. Wij vinden hier dus een kommentaar op de gebeurtenissen in Gen.3. Uitdrukkelijk zegt Paulus: Adam heeft zich NIET laten verleiden…! Dus: hij wist wat hij deed!

Hij “overtrad” (Rom.5:14) op een heel bijzondere wijze.

Hij was daarin een “beeld van de Komende”, letterlijk: van Hem, Die komen zou, van Christus.

Waarom deed hij dat? Het meest voor de hand liggende antwoord is: uit liefde!

De liefde van Adam voor Eva is een beeld van de liefde van de Here Jezus voor de Zijnen!

Adam gaf zich, uit liefde voor zijn vrouw, over en vernederde zich. Hij maakte zich gelijk aan de (zondige) staat van zijn vrouw… en uiteindelijk bracht die vernedering de redding voor zowel Adam als Eva!

God belooft direkt na de zondeval verlossing in het zaad van de vrouw (Gen.3:15). In Gen.3:20 lezen wij vervolgens: “En Adam noemde zijn vrouw Eva, OMDAT zij de moeder van alle levenden IS GEWORDEN.” Dat was ze dus eerst niet! Hoe? Door haar zaad, namelijk Christus!

Eigenlijk heeft vs.15 van 1 Tim.2 een dubbelzinnige betekenis!

In de eerste plaats gaat het over de vrouwen tot wie Paulus spreekt: zij zullen kinderen voortbrengen en behouden worden door het geloof.

Geloof is de enige grond waarop een mens gerechtvaardigd kan worden, want door het geloof krijgt men deel aan het volbrachte werk van Christus!

In de tweede plaats gaat het over Eva (en allen na haar).

Letterlijk vertaald staat er: doch zij zal behouden worden door de kind(er)geboorte, en dan denken wij uiteraard vooral aan de geboorte van hét Kind Jezus, vgl. Jes.7:1 4 en 9:5 ‘Want een Kind is ons geboren…”.

Jozef en Maria krijgen uitdrukkelijk de opdracht om het Kind de naam Jezus te geven (Matt.1 :21 ; Luc.1 :31).

De naam ”Jezus” betekent: de HERE redt.

En die HERE vertelde in Gen.3:21 reeds aan het eerste mensenpaar langs welke weg die redding zou plaatsvinden: “En de HERE God maakte voor de mens en voor zijn vrouw klederen van vellen en bekleedde hen daarmee”.

Dit wijst op het plaatsvervangend Offer, dat de HERE Zelf zou brengen in Christus, de laatste Adam. Hebr.9:22 zegt: ‘ … zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving”.

Bovendien werd later ook duidelijk, dat de weg der verlossing de weg van dood en opstanding zou zijn. Hun eigen zoon, Abel, stierf nadat hij een bloedig offer gebracht had, de HERE welgevallig, en toen werd er een andere zoon geboren, Seth. Waarom hij zo heette, wordt verklaard door wat er staat in Gen.4:25: “En Adam had weer gemeenschap met zijn vrouw en zij baarde een zoon en gaf hem de naam Seth, want (zeide zij) God heeft mij een andere zoon gegeven in plaats van Abel…”. Zo komen wij ertoe om Abel te zien als een beeld (type) van Christus in Zijn dood en Seth als beeld van Christus in Zijn opstanding! Seth werd in de plaats van Abel de erfgenaam van Adam…, Christus is de laatste Adam, de tweede Mens!

Door deze gang van zaken is Adam dus inderdaad “een beeld van de Komende”, zoals Rom.5:14 zegt. En dan gaat het uiteraard niet om de overtreding, want Christus was zonder zonde. Nee, het gaat om de vrijwillige overgave van Adam, zowel als van de Here Jezus Christus.

Toen Adam zich vernederde (om Eva te redden) werd hij een zondaar. Dat geldt uiteraard niet voor de Here Jezus. Toch heeft Hij Zich met onze zonde één gemaakt, zoals wij lezen in 2 Cor.5:21 “Hem, Die geen zonde gekend heeft, heeft God voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem”. De Here Jezus Christus heeft onze zonden op Zich genomen. Dat betekende voor Hem de dood, maar Hij heeft Zich vrijwillig gegeven!

Zo werd de levende God (1 Tim.4:10) “een Heiland (Redder) voor alle mensen, inzonderheid voor de gelovigen”.

Christus gaf Zich over uit liefde voor de wereld, en in het bijzonder voor al de Zijnen, die “uit Hem” zijn, en nu ook “in Hem” zijn: De Gemeente, die Zijn Lichaam is.

Voordat Adam en Eva gemeenschap hadden en ‘tot één vlees” werden, gaf Adam zich voor haar over.

Voordat wij in de gemeenschap met Christus zijn opgenomen en waarachtig één vlees met Hem geworden zijn, gaf Hij Zich voor ons over… uit liefde! Hij was in de gestalte Gods, maar vernederde zich. om ons te verhogen. Hij was rijk, maar werd arm om ons rijk te maken. Hij is tot een vloek geworden (Gal.3:13). om ons ervan te bevrijden. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem.

Om onze ongerechtigheden werd Hij doorboord.

Hij was het Offer, dat op het altaar werd gelegd. in onze plaats. Hij stierf de dood, om ons leven te geven.

Kent U, lezer(es), dat leven?

Hebt U dat liefdesgeschenk van God ontvangen? Niemand kan zeggen: het is niet voor mij, want “DE GENADE GODS IS VERSCHENEN, HEILBRENGEND VOOR ALLE MENSEN… (rit.2:11).

God heeft alles gedaan in de Here Jezus Christus om ook U te redden voor de eeuwigheid. Misschien zegt U: ja. maar mijn zonden? De Bijbel zegt: “… het bloed van Jezus. Zijn Zoon. reinigt ons van alle zonde” (1 Joh.1:7).

De enige reden waarom U na het horen van het Evangelie verloren zou kunnen gaan is: ongeloof!

Joh.3:36 zegt het duidelijk: “Wie in de Zoon gelooft. heeft eeuwig leven; doch wie aan de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem”.

Bedenk toch eens, dat U zou moeten sterven, zonder dat U bent verlost! En dat terwijl God al het mogelijke heeft gedaan om U te redden. Kom, twijfel niet langer, geef Uw leven aan de Here Jezus. Leg Uw hand in Zijn doorboorde handen… en geloof!

Dan mag U met al Gods kinderen met blijdschap uitzien naar die grote Dag die komen zal: de Dag van Zijn heerlijkheid.

Gods bazuin zal weldra klinken,
Jezus komt in majesteit.
Allen die in Hem geloven,
neemt Hij op in heerlijkheid.
Hoor, Gods kind’ren bidden smekend:
“Kom, Heer Jezus, spoedig weer’.
Geef, mijn vriend, uw hart aan Jezus,
En verwacht Hem als uw Heer!

Updated: August 31, 2020 — 6:44 pm
My CMS © 2018 Frontier Theme