Ik ben in de hemel

I am in heaven

De Levende Steen

De titel van deze brochure doet eigenlijk wel een beetje vreemd aan. De ”levende steen”. Een steen die leeft, dat kan toch niet zou je zeggen. En wie dat zegt heeft gelijk. Naar onze begrippen is een steen een hard stuk natuurlijk materiaal, waarin weinig leven valt te bespeuren. Toch is de titel nog niet zo gek, temeer als we bedenken, dat het begrip ”levende steen” rechtstreeks uit de Bijbel is overgenomen. Om precies te zijn uit de eerste brief van de apostel Petrus:

”En komt tot Hem, de levende steen, door mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar…” (1 Petrus 2:4).

Als wij deze tekst in z’n verband lezen komen we al spoedig tot de ontdekking wat Petrus (wiens naam wonderlijk genoeg vertaald wordt met “rots”), met die levende steen bedoelt. Of beter gezegd, Wie hij daarmee bedoelt, want het gaat hier om niemand minder dan de Zoon van God, Jezus Christus, de Rots aller eeuwen. Hij wordt hier als opgestane Heer, de levende steen genoemd, waarmee direct is aangegeven, dat het dus niet om de steen zelf gaat, maar om Hem van wie de steen een beeld is: Christus, de Zoon van de levende God.
Die steen komen wij in de Bijbel vaak tegen. Het is bijzonder interessant en leerzaam om (aan de hand van de concordantie) de teksten na te lezen, waar over een steen of stenen gesproken wordt.

  • In Genesis 2:12 bijv. waar we het woord voor het eerst tegenkomen als de steen Chrysopraas, in het land Chavila.
  • In Gen.11 vinden wij de steen in verband met de mensheid, die van plan is een stad te bouwen en een toren!
  • We lezen van Jacob in Gen.28, dat hij met zijn hoofd op een steen lag, toen hij droomde van een geopende hemel. Een steen die hij de volgende morgen tot een ‘opgerichte steen’ stelde en de plaats noemde: Bethel ( = Huis van God).
  • Samuël richtte eveneens een steen op tussen Mispa en Sen, nadat God de Filistijnen had verjaagd: Eben-Haëzer, de steen der hulpe (1 Sam.7:12).
  • De reus Goliath, voor wie het leger van Israël sidderde, werd door een eenvoudige herdersjongen verslagen, met behulp van een steen! (1 Sam.17).
  • Nebukadnezar, de koning van Babel, werd verontrust in zijn geest, toen hij een (profetische) droom ontving over een groot (staten)beeld. Het is in die droom “de steen, die zonder toedoen van mensenhanden losraakte” en het beeld verbrijzelde.

Ook in het Nieuwe Testament komen wij de steen nog regelmatig tegen, tot in het laatste Bijbelboek toe, waarin de Here Jezus belooft:

“Wie overwint, hem zal Ik geven het verborgen manna, en Ik zal hem een witte steen geven en op die steen een nieuwe naam geschreven, welke niemand weet dan die hem ontvangt” (Openb.2:17).

Als Johannes tenslotte de nieuwe hemel en aarde in zicht krijgt, wordt hij door een engel uitgenodigd om het nieuwe Jeruzalem te aanschouwen:

“Kom hier, en ik zal u tonen de bruid, de vrouw des Lams. En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God; en zij had de heerlijkheid Gods en haar glans geleek op een zeer kostbaar gesteente, als de  kristalheldere diamant… En de fundamenten van de muur der stad waren met allerlei edelgesteente versierd” (Openb.21:9-10 en 19).

De steen heeft in de Bijbelse geschiedenis altijd een belangrijke rol gespeeld en zal dat in de toekomst ook doen, en dan in het bijzonder als de levende steen in de Persoon van onze Here Jezus Christus.

De Zoon van God

Dat stenen in de Bijbel telkens weer, en in tal van variaties, opduiken, en zelfs worden gebruikt als beeld van Christus, zoals wij zagen in 1 Petr.2:4 (zie ook Matt.21:42 e.a.), hoeft ons eigenlijk niet te verbazen. Immers, dat vloeit voort uit de eigenschappen die zij in zich dragen. Naast het feit dat er een enorme verscheidenheid in stenen bestaat wordt het materiaal gekenmerkt door hardheid en eenheid. Hoe harder de steen, hoe meer hij waard is! De diamant is bijvoorbeeld zo ongeveer de hardste steen op aarde. Zijn enorme hardheid en geweldige schittering maken hem tot de bekendste en meest gewilde onder de (edel)stenen.
Uit die hardheid, die de meeste stenen kenmerkt, vloeit nog een andere gewaardeerde eigenschap voort, en dat is de duurzaamheid. En dit nu is belangrijk in verband met de symbolische waarde van de steen. Als duurzame materie is de steen door de eeuwen heen hét symbool geweest van het vaste, het krachtige, het blijvende.
Daarom is het niet verwonderlijk dat de steen als zodanig in de Bijbel ook gebruikt wordt als het beeld van Christus en ook van gelovigen (zie bijv. 1 Petr.2:5). God, de Eeuwige, heeft Zich geopenbaard in Zijn Zoon.
Van de Zoon, Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen”, zegt de Bijbel:

“Deze, de Afstraling Zijner heerlijkheid en de Afdruk van Zijn wezen, Die alle dingen draagt door het woord Zijner kracht. heeft, na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge, zóveel machtiger geworden dan de engelen als Hij uitnemender Naam boven hen als erfdeel ontvangen heeft (Hebr.1:3, 4).

De Zoon van God heeft de heerlijkheid van de Vader in de hemel verlaten, en op aarde het machtige verlossingswerk volbracht. Hij heeft door zijn opstanding de dood overwonnen en nieuw, eeuwig leven aan het licht gebracht. Hij is ingedaald in de schepping, om haar van het juk der zonde te verlossen en haar te bevrijden van de vergankelijkheid. Hij is mens geworden om hem uit de macht der duisternis over te brengen in Zijn Licht. Hij is het, in Wie het oude is voorbijgegaan en het nieuwe is gekomen en altijd zal blijven! Hij is het, Die was, Die is en Die komt, “Christus, in Wie al de schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn’ (Ko1.2:3).
Hij is het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste… de levende Steen!

De Here Jezus Christus, de levende Steen, is het begin en het einde. In al Gods werken is Hij de eerste, niet alleen voor wat de tijd betreft, maar ook en vooral in de zin van: belangrijkste, voornaamste. Hij is ook de Laatste, in Wie al Gods beloften ja en amen zijn; in Wie de werkelijkheid en de voltooiing is. Zo schrijft de apostel Paulus over hem:

“Hij is het Beeld van de onzichtbare God, de Eerstgeborene der ganse schepping, want in Hem zijn alle dingen geschapen (…) alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; en Hij is vóór alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem; en Hij is het Hoofd van het Lichaam, de Gemeente. Hij is het Begin, de Eerstgeborene uit de doden, zodat Hij onder alles de Eerste geworden is” (Ko1.1 : 15-19).

Efeze 1:17, dat “de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen…”
God heeft “alles onder Zijn voeten gesteld en Hem als Hoofd boven al wat is, gegeven aan de Gemeente, die Zijn Lichaam is, vervuld met Hem, Die alles in allen volmaakt” (Efe.1:22, 23).

Christus is het Hoofd boven al wat is. Hij heeft de Naam boven alle naam (Fil.2). Hij is ook het Hoofd van het Lichaam, de Gemeente. Christus, en allen die “in Christus zijn”, vormen een volkomen eenheid. Hoofd en lichaam, een nauwere verbintenis bestaat er niet! Wij dienen hierbij goed te bedenken, dat als er in de Bijbel gesproken wordt over “het Lichaam van Christus”, dat dat dan niet maar een beeld is, maar volkomen realiteit. Paulus zegt in 1 Kor.12:27: “Gij nu zijt het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden De Gemeente is een levend organisme, een nieuwe schepping. Wie het menselijk lichaam bekijkt, ontdekt de eenheid van hoofd en ledematen. Elke cel in het lichaam draagt de kenmerken in zich van het geheel; er is een volkomen eenheid. Zo is het ook met Christus en Zijn Gemeente. Christus is het Hoofd, wij zijn de leden.
Eén in Christus. Eén in dood en opstanding. Eén in leven. Eén in heerlijkheid. Door het lezen van de Bijbel, onder leiding van Gods Geest, mogen wij iets gaan ontdekken van de heerlijkheid van de Here Jezus Christus. Een heerlijkheid die uitermate groot is. Toen de geliefde apostel Johannes, die de Here zo van nabij kende, Hem in Zijn heerlijke gestalte zag, viel hij als dood aan Zijn voeten. De aanblik was zo geweldig, dat de Here hem persoonlijk gerust stelde:

“Wees niet bevreesd, Ik ben de Eerste en de Laatste, en de Levende, en Ik ben dood geweest, en zie Ik ben levend tot in alle eeuwigheden…” (Openb.1:17, 18).

Die heerlijkheid die met Christus blijft tot in alle eeuwigheden, daaraan mogen wij persoonlijk, door het geloof, deelhebben. En
naarmate de dag van de wederkomst van de Here dichterbij komt, nadert ook het tijdstip waarop die heerlijkheid over ons geopenbaard zal worden. Dat is de geweldige hoop en zekerheid die gelovigen mogen bezitten. Zij mogen zingen van de geweldige rijkdom van Gods genade in verleden, heden en toekomst, want Hij is het Begin en het Einde!

O, dat nu ieder hart getuig’: God is goed!
Dat ied’re knie voor hem zich buig’! God is goed!
O, Hem te kennen is zaligheid,
‘t leven tot in der eeuwigheid;
Laat ons ‘t vermelden wijd en zijd:
God is goed!

HOOFDSTUK 2

DE KOSTBARE HOEKSTEEN

Dat de Here Jezus Christus het Begin en het Einde is, de Eerste en de Laatste, komt ook tot uitdrukking in het feit, dat Hij de kostbare Hoeksteen wordt genoemd.
Een hoeksteen verbindt twee haaks op elkaar staande muren met elkaar. Bij oude bouwwerken werden dikwijls de afmetingen bepaald door eerst de zware, natuurstenen hoekblokken te plaatsen; daartussen werd dan vaak van minder kostbaar materiaal, het eigenlijke muurwerk aangebracht. Bovenaan plaatste men soms opnieuw grotere hoekblokken. Later werden ook wel de hoeken van een gebouw van onder tot boven door hoekblokken geaccentueerd. Als zodanig is Christus de Hoeksteen van Gods bouwwerk, ongeacht welke dat is. Of het nu gaat om de (nieuwe) schepping in haar geheel, om het Koninkrijk, om Israël of om de Gemeente. Het is de Zoon van God, in Wie het werk van God z’n grondslag en z’n voltooiing heeft; in Wie de afmetingen zijn vastgesteld en de stevigheid is gewaarborgd. Dit is belangrijk te weten, want hier is menselijke tussenkomst uitgesloten! Alleen binnen dit bestek, binnen het plan van God kan de bouw succesvol zijn.
Hoewel het gezegd wordt in verband met de Gemeente, wijst Paulus op deze universele waarheid in Efeze 2, vers 21:

In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Here…”

Elk bouwwerk, dus ook de Gemeente, groeit op tot een tempel (een woonplaats van God) als Jezus Christus daar de kostbare Hoeksteen van is.

Onderscheid tussen de onderste en bovenste hoeksteen

Het is jammer dat in de nieuwere vertalingen (o.a. N.B.G.) uitsluitend wordt gesproken over hoeksteen”. Hierdoor valt namelijk het onderscheid tussen de onderste en de bovenste hoeksteen niet op. En dat verschil is er wel degelijk. De onderste hoeksteen heeft te maken met het fundament, met de omvang en de stevigheid van het bouwwerk. De bovenste hoeksteen echter, heeft te maken met de afronding, de voltooiing van het gebouw. In beide gevallen is de Here Jezus Christus als kostbare Hoeksteen Dezelfde! In Hem is het fundament én de voltooiing gewaarborgd. In 1 Petrus 2 wordt over beiden gesproken in verband met de levende Steen!

“Zie, Ik leg in Sion een uitverkoren en kostbare Hoeksteen, en wie op Hem zijn geloof bouwt zal niet beschaamd uitkomen” (vers 6).

Dit is een aanhaling uit het Oude Testament: Jesaja 28:16. In dit hoofdstuk gaat het om het (zedelijk) verval van Juda, ondanks de waarschuwing die er was in de ondergang van Samaria, de hoofdstad van het Tien-Stammenrijk. De Here had vrede en rust beloofd, maar het volk, onder aanvoering van de leiders, wilde niet luisteren (vers 12).
Integendeel, men had de ongerechtigheid lief en beroemde zich op het verdrag dat zij hadden gesloten met “de dood en het dodenrijk” (vers 15), met vreemde machthebbers, zoals bijvoorbeeld Egypte (Jes.30). Daarmee is deze geschiedenis een voorafschaduwing van wat er in de toekomst nog gaat gebeuren als het merendeel der Joden opnieuw een verbond met “de dood’ zal aangaan. Een vredes- verdrag met Veen vorst die komen zal’, zoals wij lezen in Daniel 9:26. En wie de situatie in het Midden Oosten vandaag beziet, komt tot de ontdekking dat Israël steeds verder in het nauw komt en binnen afzienbare tijd een oplossing moet zien te vinden. Wie de Bijbel leest ontdekt, dat zo’n noodsprong gemaakt wordt. Met de laatste grote wereldleider zal een verbond worden overeengekomen, in eerste instantie voor de duur van zeven jaar (“een week lang ‘). Het zal echter geen stand houden, zoals dat met alle menselijke verdragen het geval is! Erger nog: het verbond zal de aanleiding vormen voor het oordeel!!

Een vaste grondslag

Tegenover deze valse messias staat echter de ware Vredevorst, dé Messias. Hij is door God gesteld tot een schuilplaats:

“Zie, Ik leg in Sion een Steen ten grondslag, een beproefde Steen, een kostbare Hoeksteen van een vaste grondslag; hij die gelooft, haast niet” (Jes.28:16).

“Zie, Ik leg”, dat is: uitverkoren, door God aangewezen. Deze steen is de vervulling van de belofte aan Abraham (Gen.12) en ook aan David (2 Sam.7). Hij is de Steenrots Israëls, de Herder van Zijn volk, zoals aan Jozef is beloofd (Gen.49:24). Hij is de beproefde Steen. De Knecht van God, Die aan de mensen is gelijk geworden tot de dood, ja, de dood des kruises (Fil.2). Daarom is Hij het onwrikbaar Fundament. Hij heeft, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij geleden heeft (Hebr.5:8), dat is beproeving! Buiten Hem om is er geen grond of het is wankel; en wie daarop vertrouwt komt bedrogen uit. Wie echter gelooft, zegt Jesaja, haast niet. Letterlijk staat er: ”Hij die gelooft gaat rustig voort”. Dat betekent, dat wie vertrouwt op de Here Jezus geen haast hoeft te maken om het oordeel te ontvluchten, want hij staat op het juiste, betrouwbare Fundament. Dat geldt voor het volk van Juda, voor Israël, en ook voor de Gemeente (zie Efe.2:20).
Het vertrouwen en de rust waarover is geschreven in Jesaja 28:16, wordt in het Nieuwe Testament verduidelijkt. Petrus zegt: “Wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen” (1 Petr.2:6). Waarom zal de gelovige niet beschaamd worden, ja, meer nog, waarom kán hij of zij eenvoudig niet teleurgesteld worden in de beloften van God? Wel, omdat de Here Jezus Christus niet alleen de Fundamentsteen is, maar ook de Sluitsteen, die het geloof voltooit. In de Statenvertaling wordt dit verschil duidelijk weergegeven door twee verschillende woorden te gebruiken, nl. “hoeksteen” (gebruikt voor fundamentsteen, Jes.28:16, Ef.2:20, 1 Petr.2:6) en “hoofd des hoeks” (gebruikt voor sluitsteen, Ps.118:22, Matt.21:42, Hand. 4:11, 1 Petr.2:7).
Ik citeer de Statenvertaling:

“De steen dien de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden. Dit is van de HERE geschied en het is wonderlijk in onze ogen” (Ps.118:22, 23).

De steen die door God als het fundament is neergelegd is Zijn eniggeboren Zoon. Deze Steen is door de bouwers veracht, aan de kant geschoven. Toch is het juist die steen, de Here Jezus Christus, de Gekruisigde, opgestaan en geworden tot een “hoofd des hoeks”. D.w.z. dat Hij is geworden tot de verhoogde Christus, in Wie God Zijn beloften waarmaakt en voltooit. Het is alsof wij Jozef horen spreken tot zijn broeders (Gen.50:26): “Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht…”
En de apostel Petrus tot zijn volksgenoten en leiders:

“Mannen van Israël, hoort deze woorden: Jezus, de Nazoreeër, een man, u van Godswege aangewezen door krachten, wonderen en tekenen, die God door Hem in uw midden verricht heeft, zoals gij zelf weet, deze, naar de bepaalde raad en voorkennis van God uitgeleverd, hebt gij door de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld en gedood. God evenwel heeft Hem opgewekt, want Hij verbrak de weeën van de dood, naardien het niet mogelijk was, dat Hij door hem werd vastgehouden” (Hand.2:22-24).

Het tegendeel van wat de bouwers, achter wier gestalte de zwarte schaduw van de satan zichtbaar is, wilde bereiken, heeft God gedaan. De Majesteit des Vaders heeft Hem opgewekt uit de doden, en God heeft Hem gemaakt én tot Here én tot Christus. En dat geldt niet alleen voor Israël, maar ook voor de Gemeente, voor de hele wereld. Het is allesomvattend. Het is de ware wijsheid van God, waarover Paulus schrijft in de brieven aan de gelovigen in Korinthe:

‘Toch spreken wij wijsheid bij hen, die daarvoor rijp zijn,een wijsheid echter niet van deze eeuw, noch van de beheersers dezer eeuw, wier macht teniet gaat, maar wat wij spreken als een geheimenis, is de verborgen wijsheid Gods, die God (reeds) van eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid. En geen van de beheersers dezer eeuw heeft van haar geweten, want indien zij van haar geweten hadden, zouden zij de Here der Heerlijkheid niet gekruisigd hebben. Maar, gelijk geschreven staat: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben” (1 Kor.2:6-9).

Wij kunnen het de psalmist alleen maar nazeggen: ”Dit is van de Here geschied, en het is wonderlijk in onze ogen”. Zijn Naam is wonderbaar!

Zegen of oordeel

Dat de hoeksteen van het fundament tevens tot “hoofd des hoeks” is geworden betekent aan de ene kant voor hen die geloven een geweldige zegen en zekerheid. Het houdt in dat de contouren van Gods gebouw gereed zijn en dat het tussenliggende bouwwerk afgemaakt kan worden. En dat gebeurt dan ook. Daarom kan de apostel Paulus ook met zoveel overtuiging vertrouwen op Gods werk in en aan de heiligen in Christus Jezus te Filippi:

“Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, Die in u een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus” (Fil.1 :6).

Op die dag zal de voltooiing in en door de Here Jezus Christus een zichtbare werkelijkheid worden. Aan de andere kant is het zo, dat zij, die weigeren de Hoeksteen van God tot hun levensfundament aan te nemen, geconfronteerd zullen worden met de ‘Hoofd des hoeks”. In dat geval is Christus de steen ten oordeel. Petrus legt de verbinding tussen beiden in het volgende vers van het tweede hoofdstuk:

“U dan, die gelooft, geldt dit kostbare, maar voor de ongelovigen geldt: De Steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is geworden tot een Hoeksteen (lett. dus. tot hoofd des hoeks) en een steen des aanstoots en een rots der ergernis, voor hen, die zich daaraan, in hun ongehoorzaamheid aan het woord, stoten, waartoe zij ook bestemd zijn” (1 Petr.2:7, 8).

Dit woord wordt in de Evangeliën diverse malen aangehaald, zie Matt.21:42, Marc.12:10, Luc.20:17, 18. In de laatste tekst, Luc.20:18, staat dat de steen kan vallen en vermorzelen. Dit zal nu, met het voorgaande in gedachte, voor zichzelf spreken!

Geen andere Naam

In Hand.4 wordt nog een keer Ps.118 geciteerd, door Petrus, die samen met Johannes voor de Joodse Raad verantwoording mag afleggen van de hoop die in hen is. In deze toespraak wordt direct verband gelegd tussen de levende Steen en de weg tot behoud. Als de apostel de wonderbare Naam van Jezus Christus, de Nazoreeër verkondigt, dan vervolgt hij met:

”Dit is de Steen, door u, de bouwlieden, versmaad, Die nochtans tot Hoeksteen (lett. hoofd des hoeks) is geworden. En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere Naam aan de mensen gegeven, waardoor wij behouden moeten worden”
(vers 11 en 12).

De Naam van de Zoon van God alleen is de garantie voor een volkomen verzoening en verlossing:

… het Bloed van Jezus zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde” (1 Joh.1:7).

Onze God en Vader zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid!

“Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde, in Wie wij de verlossing hebben, de vergeving der zonden” (Ko1.1 :13).

Er is maar één Naam gegeven: Jezus: “de HERE is redding”!

Die Naam is naar waarheid, mijn Jezus ook waard,
want Hij kwam om zalig te maken op aard’;
Zo lief had Hij zondaars, dat Hij voor hen stierf,
genade bij God door Zijn zoenbloed verwierf.
Kent gij, kent gij die Jezus niet,
Die, om ons te redden, de hemel verliet?

Dat is de vraag die door het lied wordt gesteld. Het is de belangrijkste vraag in het leven van een mens. Kent u die Jezus niet? Daar gaat het om! Hebt u en heb jij Hem leren kennen als de Verlosser, heel persoonlijk? 0, het leven kan misschien zoveel te bieden hebben; het kan de indruk geven goed in elkaar te zitten. Misschien hebben we wel onze eigen theorieën en theologieën voor ogen. En toch, als de Naam van De Here Jezus daarin niet centraal staat, is het ijdel, hol. Dan stelt het niets voor. Dan is het leven verloren tot in eeuwigheid. De Here Jezus zegt:

“Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij” (Joh.14:6).

 

Hij alleen is de weg tot God. Let wel: Hij geeft niet een bepaalde weg aan of zo. Hij is ook niet één van de wegen! Nee, Hij is de Weg, in eigen Persoon. Elke weg buiten Hem om is een doodlopende weg. Alleen in Hem is waarheid. Hij is het Zelf! Alles buiten Hem om is onwaarheid, en dus leugen. In Hem alleen is het ware leven. Hij is dat leven Zelf. Buiten Hem om is alleen maar onwaar leven, en dat is dood. God heeft de weg tot Zichzelf in Zijn Zoon geopend. Gaat u, ga jij die weg? Alleen dan is er leven en uitzicht. Alieen in Jezus Christus is er kracht en toekomst, eeuwig heil. Hij is het in en door Wie God een nieuwe wereld bouwt, waarin gerechtigheid woont en de heerlijkheid volmaakt is. Die wereld is het deel van hen die door de Deur zijn ingegaan (Joh. 10:9); die zich niet meer in hun eigen “schaapskooi” (zonde) bevinden, maar in het gebouw van God (vrijheid), met maar één fundament: de levende Steen, Die tevens de voltooiing is!

HOOFDSTUK 3

CHRISTUS, DE ERFGENAAM

De Here Jezus Christus is de kostbare Hoeksteen. Hij is de levende Steen, in en door Wie Gods werk voltooid wordt. Naar Zijn gemaakt bestek bouwt God aan een nieuwe wereld en Hij doet dat in Zijn Zoon. Hij is de Eerste en de Laatste, het Begin en het Einde. In Hem is het ware Leven! De Here Jezus zegt in Joh.17, vers 3:

“Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige en waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt.”

God heeft getuigd van Zijn Zoon, zegt Johannes later in zijn eerste brief:

“En dit is het getuigenis: God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit leven is in Zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet” (1 Joh.5:11, 12).

Alles staat of valt bij de Zoon en de houding ten opzichte van Hem. En daarom roept Petrus: “komt tot Hem, de levende steen” (1 Petr.2:4).

God openbaart Zich in de Zoon

Wij hebben al gezien dat de steen, naast het praktische gebruik als bouwmateriaal, door de eeuwen heen het symbool is geweest van duurzaamheid, van dat wat blijvend is. Vele keren vinden we in de Bijbel, met name in het Oude Testament, geschiedenissen, waarin de steen een belangrijke rol speelt.

Het Hebreeuwse woord voor steen is: “eben“. Dit woord is terug te vinden in tal van namen en verbindingen, zoals bijv. Eben-haëzer, steen der hulpe (1 Sam.7:12). Het wonderlijke is nu, dat in het woordje “eben’ twee andere woorden verborgen zijn, die zeer nauw verband met elkaar houden, en eigenlijk ook inhoud geven aan de steen als symbool! Dat zijn de woorden “ab” hetgeen vader betekent, en “ben” dat vertaald wordt met zoon. In het Hebreeuws, dat opgebouwd is uit medeklinkers, zou dat zijn: ab (aleph-beth) en ben (beth-noen), wordt: eben (aleph-beth-noen). Vader en Zoon beide in één woord samengebracht: steen! Hoe duidelijk wordt hierin de eenheid weergegeven en de betekenis ervan. De relatie Vader en Zoon vinden we duidelijk in de Bijbel terug, vooral in het evangelie van Johannes. Daarin spreekt de Here Jezus Zelf over die intieme relatie, over de eenheid en het onderscheid tussen de Vader en de Zoon, zie bv. Joh.10:30 en vergelijk dat met ,!on.16:28. Johannes zegt in het eerste hoofdstuk van zijn evangelie:

“Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen” (vers 18).

Paulus zegt in Kolossenzen 1:

“Hij (de Zoon) is het beeld van de onzichtbare God (…) in Hem zijn alle dingen geschapen…” (vers 15, 16).

Tenslotte zegt de Bijbel, dat God:

‘… nu in het laatst der dagen tot ons gesproken heeft in (de) Zoon, Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen… ‘ (Hebr.1:1, 2).

Het lidwoord “de” is hier tussen haakjes geplaatst, omdat het in de grondtekst ontbreekt. Het is een bevestiging van de Godheid van Christus. Eertijds sprak God in de profeten… zij waren mensen als U en ik, door God geheiligd, gebruikt, om Zijn woorden op te  schrijven. Christus is echter niet uit Adam geboren, maar uit God! Hij is niet een zondaar van nature. Hij is niet zomaar een mens, door God gebruikt. Nee, Hij is God Zelf, geopenbaard als mens. Vandaar, dat God niet sprak in de Zoon, maar in Zoon!
God openbaart Zichzelf, Hij brengt iets tot stand (scheppen) en Hij spreekt; dat alles doet Hij in (de) Zoon. De Zoon is de openbaring van de (onzienlijke) God en Vader: ”Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien…’ (Joh.14:9). De Vader volvoert Zijn plannen in en door de Zoon tot in eeuwigheid. En dat wordt bijv. uitgedrukt, zij het verborgen, in het begrip “eben”, steen. Dat maakt het tevens begrijpelijk, dat de Bijbel in verband met de steen zegt: “wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen”.

Het begrip “zoon”

In ons normale spraakgebruik wordt bij het woord “zoon” gedacht aan een mannelijk kind, en dat is natuurlijk niet onjuist. Toch geeft de Bijbel er een veel diepere inhoud aan en is het belangrijk daarmee op de hoogte te zijn. Het Bijbelse begrip “zoon” wijst veel meer op “erfgenaam“. En dat heeft te maken met erfrecht. Het is heel opmerkelijk, dat David en Saul elkaar als vader en zoon aanspreken. In 1 Sam.24:12 zegt David tot Saul: “Zie eens, mijn vader, zie toch de slip van uw mantel in mijn hand!”. Even verder, in vers 17, vraagt Saul aan David: “Is dat uw stem, mijn zoon David?”.
Welnu, Saul was niet de natuurlijke vader van David. Zij waren zelfs geen direkte bloedverwanten. Saul was uit de stam Benjamin en David uit de stam Juda. Waar het om gaat is, dat David, die getrouwd was met Michal, Sauls dochter, de erfgenaam van Saul was. D.w.z. dat hij later zou zitten op de troon van Israël.

Nu is het zo, dat in onze begrippen de oudste zoon van iemand tevens de erfgenaam is. In de Bijbel is dat niet zo normaal. Denk bv. aan Ismaël en Isaak, of aan Esau en Jacob; de laatsten (Isaak en Jacob) zijn de eersten geworden! Als van de Here Jezus wordt gezegd dat Hij de Zoon van David is, dan weten wij dat Hij niet een mannelijk kind van David is. Hij is hooguit een verre afstammeling.

Toch wordt Hij de Zoon van David genoemd, waarmee wordt aangegeven dat Hij de wettige Erfgenaam van David is. Dat betekent dus ook, dat Hij recht heeft op de troon van David. Hij zal dan ook in de toekomst als de rechtmatige Koning die troon bestijgen, zoals ook door de engel Gabriël aan Maria is voorzegd (Luk.1:31-33).

Christus is de Erfgenaam

Als de Zoon van David (Matt.1:1) is Christus de wettige Erfgenaam van het Davidische koningshuis. Hetzelfde geldt voor Christus als de Zoon van Abraham (Matt.1:1). Hij is de Erfgenaam van de beloften aan Abraham, inclusief het bezit van het beloofde !and. Het beloofde land behoort op dus aan Christus toe en aan niemand anders! Hij is ook de Zoon des mensen, oftewel de Zoon van de mens, Adam namelijk, (Luk.3; 19:10), die geroepen was om de gehele aarde te regeren (zie Gen.1:28) Wat Adam in het verleden (nog) niet heeft gedaan zal zijn Zoon (Erfgenaam) wel doen: de aarde aan Zich onderwerpen Daarvan getuigt ook David in Psalm 8 (vgl. met Hebr.2:5-9):

“Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt? (…) Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet…” (vers 5, 7 Statenvertaling).

Tenslotte is Hij ook de Zoon van God (Joh.20:31), Die de hemel en al de heerlijkheid tot Zijn bezit mag rekenen. Wie dit alles tot zich door laat dringen kan niet anders dan zingen van Zijn geweldige grootheid.

Wij hebben een machtige Heiland! Daarbij mogen wij dan ook nog bedenken, dat de Bijbel zegt, dat kinderen van God ook erfgenamen zijn (vandaar dat zij ook wel zonen Gods genoemd worden): “erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus” (Rom.8:17).

Vanuit de (bovengenoemde) vier-voudige optiek wordt de Here Jezus Christus ook beschreven in de vier Evangeliën, resp. Matthes, Markus, Lukas en Johannes. Dat is ook mede de verklaring voor de zogenaamde verschillen in de Evangeliën. Let wel: verschillen, het zijn geen tegenstrijdigheden! God Zelf is immers de Schrijver van Zijn Woord en Hij vergist Zich niet. Dat een heleboel “moderne theologen” vandaag zoveel tegenstrijdigheden in de Bijbel menen te ontdekken, is nog geen bewijs voor het feit, dat de Bijbel zichzelf zou tegenspreken. Integendeel, het tekent in alle geleerdheid slechts hun hoogmoed, ongeloof en gebrek aan Bijbelkennis!
Als gelovige weet je dat de Bijbel het geïnspireerde Woord van God is. Als daarin sommige dingen niet of moeilijk te verklaren zijn, dan is dat geen tekortkoming van het Woord van God, maar van ons zelf! Voor wie dat niet accepteert blijft er maar één andere mogelijkheid over: beweren, dat er fouten in de Bijbel staan! De apostel Petrus spreekt niet al te fraai over zulk soort mensen in 2 Petr.3:14-16. Laten wij deze “onstandvastige lieden” niet volgen in hun eigenwijze, ten onrechte zo genoemde kennis, maar eenvoudig luisteren naar wat God zegt in de Bijbel en Hem bidden om wijsheid en inzicht bij het onderzoek van de Schrift.
In de vier Evangeliën geven de geïnspireerde evangelisten een geweldige, harmonieuze beschrijving van onze gezegende Heiland en Heer, Jezus Christus. Ze belichten de Zoon naar de wil van God van vier verschillende kanten om duidelijk aan te geven wie Hij is: de beloofde Messias!
Hij is gekomen en God heeft van Hem getuigd. Zij die in Hem geloofden verkondigden Zijn Naam. Echter, de wereld heeft Hem niet gekend en de Zijnen ( = Israël) hebben Hem niet aangenomen. Erger nog, toen de Erfgenaam kwam, hebben ze Hem gedood! (verg. Luk.20:9 e.v, vooral vs.14). Maar God is getrouw, Zijn plannen falen niet! Christus is opgestaan uit de doden en heeft de Naam boven alle naam ontvangen. En nogmaals: “God heeft Hem gesteld tot erfgenaam van alle dingen“. Als zodanig zal de Here Jezus Christus Zich straks, in de nabije toekomst, aan de wereld laten zien, in volle glorie. Openbaring 19 beschrijft ons die komst van de rechtmatige Koning in al Zijn macht en majesteit. Dan zal Hij geopenbaard worden, zichtbaar worden, samen met al Zijn volgelingen (vers 14). Hij die eens in vernedering op aarde kwam en op vier-voudige wijze is beschreven door de evangelisten, zal dan opnieuw in de wereld verschijnen, maar nu in heerlijkheid.
En Hij is Dezelfde! Daarvan getuigen de vier namen, die de Ruiter op het witte paard draagt. Die namen herinneren aan vroeger, en beschrijven nog eens duidelijk Wie Hij is. De wereld zal tot de ontdekking komen, dat Hij, Die eens gekroond was met een doornenkroon, waarlijk de Zoon Gods is en nu de intocht doet met vele koningskronen (letterlijk: diademen) op Zijn hoofd, ons Zijn erfenis volledig in bezit te nemen. Alles en iedereen zal Hem moeten aanschouwen en erkennen, dat Jezus Christus is HERE, tot eer van God, de Vader!

HOOFDSTUK 4

DE ONTWERPER EN BOUWMEESTER

In het vorige hoofdstuk hebben wij al stilgestaan bij de betekenis van het woord ‘zoon”. Als de Zoon is Christus de Erfgenaam Die straks Zijn erfenis volledig in bezit zal nemen. Eerder is al gezegd dat God Zich zal openbaren in de Zoon en door Hem Zijn plannen tot uitvoer zal brengen. Dat brengt ons nog bij een ander aspect, dat onze aandacht vraagt. Want het woordje “ben” is afgeleid van het Hebreeuwse “banah”, hetgeen vertaald wordt met: bouwen of opbouwen. Er is dus niet alleen verband tussen zoon en erfgenaam, maar ook tussen zoon en bouwen!

De Zoon is de bouwer

Beide begrippen: erfgenaam en bouwer, liggen opgesloten in het woord zoon. Om één en ander beter te begrijpen laten we het Woord van God spreken en gaan we even terug in de Bijbelse geschiedenis. In de eerste plaats naar Abraham. In Gen.15 lezen wij, dat hij een belofte van God ontvangt. Hij begrijpt het nog niet zo goed en zegt dan: “Here HERE, wat zult Gij mij geven, daar ik kinderloos heenga en de bezitter van mijn huis, dat zal deze Damaskener Eliëzer zijn”, vers 2. Eliëzer zou, wegens gebrek aan natuurlijke opvolging, worden aangesteld als zijn zoon, d.i. erfgenaam. God echter belooft Abraham (toen nog Abram) een lijfelijke zoon. Zijn erfgenaam zou dus iemand zijn die uit hem geboren zou worden. Dat brengt Sarai, zijn onvruchtbare vrouw, tot het besluit haar slavin aan te bieden:

”Zie toch, de HERE heeft mij niet vergund te baren; ga toch tot mijn slavin; misschien zal ik uit haar gebouwd worden” (Gen.16:2).

(Later gaat het met Jacob en Rachel op dezelfde manier, zie Gen.30:1-6).
Om kort te gaan: niet Ismaël was de beloofde zoon, maar Isaak, die later naar Gods Woord uit Abram en Sarai geboren werd. De gedachte is duidelijk: door de zoon wordt het leven van de vader voortgezet, voortgebouwd. Alles wat vader toebehoorde gaat over op de zoon. Alles wat God aan Abraham beloofde wordt vervuld en tot stand gebracht in zijn nageslacht en wel in het bijzonder in dé Zoon van Abraham, Christus!
Heeft bovenstaande geschiedenis vooral te maken met de voortgang van het leven, van de belofte, enz. in de Zoon, de volgende is meer een illustratie van het tot stand brengen (bouwen) van iets door de Zoon. Ik bedoel de geschiedenis van David en Salomo. David woont in zijn paleis en heeft rust gekregen van de vijanden rondom, zie 2 Sam.7:1. Nu wil hij een huis voor God bouwen. Maar zover komt het niet. Door de profeet Nathan spreekt God tot hem en zegt:

“Wanneer uw dagen vervuld zijn en gij bij uw vaderen te ruste zijt gegaan, dan zal Ik uw nakomeling, uw eigen zoon, na u doen optreden, en Ik zai zijn koningschap bevestigen. Die zal Mijn Naam een huis bouwen, en Ik zal zijn koninklijke troon voor immer bevestigen. Ik zal hem tot een vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn” (2 Sam.7:12-14).

En zo gebeurde het ook. Nadat David alles heeft voorbereid en de bouwmaterialen heeft klaargelegd, draagt hij de tempelbouw op aan zijn zoon Salomo, de koning des vredes (1 Kron.22:6-13 en 28:1-21). En zijn zoon bouwt geheel volgens bestek (1 Kon.6:38). Hij is de erfgenaam en de bouwer!
Ondertussen moet het ons zijn opgevallen, dat deze hele geschiedenis een duidelijke heenwijzing is naar de grote Salomo, de ware Zoon van David, onze Here Jezus Christus, zie bijv. 2 Sam.7:13, 1 Kron.22:10 en Luk.1:32, 33!

Zo zien wij dat de zoon de bouwer is. De Here Jezus Christus is de Zoon van de levende God, de Erfgenaam en de Bouwer. En zo wordt Hij ook beschreven in het Nieuwe Testament, in Heb.3:1-6. In de Hebreeën-brief gaat het juist om de Zoon, en om Zijn verhevenheid. Als Middelaar van een nieuw, blijvend, “een beter verbond” (Hebr.8:6) is Zijn heerlijkheid veel groter dan die van Mozes, door wie het oude verbond is gekomen. Mozes was “slechts” een getrouwe dienaar om te getuigen van hetgeen gesproken zou worden (Hebr.3:5). Mede daarom is hij Mozes, de profeet! Alles wat hij zei en deed was een getuigenis van de dingen die veel later gekomen zijn met Christus. Hij is als Zoon de Meerdere van Mozes. In Hem is elk woord van God ja en amen. Hij is de volheid van God. Hij is de kostbare Hoeksteen. In Hem vindt elk werk van God zijn grondslag (fundament) en zijn voltooiing. Als de Zoon is Hij de Erfgenaam en de Bouwer. Hij is de Christus in Wie al de schatten der kennis en wijsheid verborgen zijn. Hij is de levende Steen, bij God uitverkoren en kostbaar!

Grote gevolgen

Het zal ongetwijfeld duidelijk zijn, dat één en ander consequentie’s heeft. Niet alleen in verband met het heden, maar ook, en vooral, met betrekking tot de toekomst. Immers, alles staat of valt met de verhouding ten opzichte van Christus. Alle lijnen in de Heilsopenbaring lopen uit op Hem. Hij is, zegt Paulus in 1 Kor.1:24 “de kracht Gods en de wijsheid Gods”. Alles wat met Hem in verbinding staat, in welke relatie dan ook, bezit het ware leven en heeft een geweldige toekomst. De toekomst uiteindelijk, van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, vervuld met de heerlijkheid van God. Het betekent echter ook dat in wat wij als mensen zijn of doen, de Here Jezus centraal zal moeten staan, want anders is het volkomen zinloos! Hij is de inhoud van Gods werk; Hij is de Bouwer van dat werk. En daarin gaat alles volgens plan. Gods plan! En dat plan van God vinden wij in de Bijbel, het geschreven Woord. Het is dan ook volkomen logisch, dat elke bladzijde uit de Bijbel op de één of andere manier te maken heeft met, of getuigt van de Persoon en het werk van Christus. De Schriften getuigen van Hem (Joh.5:39). Zij spreken, geïnspireerd door Gods Geest, van al het lijden, dat over Christus zou komen, “en van al de
heerlijkheid daarna
” (1 Petr.1:11).

Het is daarom van het grootste belang de Bijbel te bestuderen, geleid door de Geest van God. Waarom?

  • Om daarin de grootheid van God, en Zijn verlossend handelen in Christus te ontdekken.
  • Om te zien wat God heeft bereid voor hen die Hem liefhebben, “opdat wij zouden weten wat ons door God in genade geschonken is” (1 Kor.2:12).
  • Om inzicht te krijgen in het plan van God, zodat wij onze plaats als Gemeente van Christus onderkennen en dienovereenkomstig handelen!
  • Om visie te krijgen op de toekomstige ontwikkelingen, die ook in de Bijbel zijn geopenbaard. Lees maar eens Jes.46, vers 10 en 11, waar staat dat God van den beginne de afloop verkondigt en vanouds wat nog niet geschied is; Hij zegt: “Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al Mijn welbehagen doen. (…) Ik heb gesproken, Ik doe het ook komen; Ik heb het ontworpen, Ik breng het ook tot uitvoering”.
  • En tenslotte, en dat is niet onbelangrijk, om niet door allerlei wind van (moderne) leer misleid te worden. De satan is niet alleen de grote tegenstander van God, hij is ook de nabootser, die van Gods plannen een karikatuur maakt en de mensen, gelovig of ongelovig, wil misleiden om hen zodoende van God af te trekken. Tal van misverstanden, dwalingen en valse leren zijn ingeslopen, omdat men niet op de hoogte was van de Goddelijke openbaring. Juist omdat het allemaal net echt lijkt (de satan doet zich immers voor als een engel van het licht 2 Kor.11:14), en het zo mooi wordt voorgespiegeld, werden en worden velen binnen en buiten de kerk ernstig op een dwaalspoor gezet.
    Nogmaals: alles staat of valt met de verhouding tegenover Christus. Hij is óf de Rots waarop wij bouwen, óf de Steen des aanstoots. Eén van beide! Alles is afhankelijk van het geloof in Hem, de Zoon. En geloven is in de Bijbel nauw verbonden met gehoorzamen. Gehoorzaamheid aan het Woord van God, aan de Bijbelse openbaring. Beamen wat God zegt en daarnaar handelen, dat is geloven! En dat is belangrijk, want “zonder geloof

Nogmaals: alles staat of valt met de verhouding tegenover Christus. Hij is óf de Rots waarop wij bouwen. óf de Steen des aanstoots. Eén van beide! Alles is afhankelijk van het geloof in Hem, de Zoon. En geloven is in de Bijbel nauw verbonden met gehoorzamen. Gehoorzaamheid aan het Woord van God, aan de Bijbelse openbaring. Beamenwat God zegt en daarnaar handelen, dat is geloven! En dat is belangrijk, want “zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig te zijn” (Hebr.11:6). “Het geloof, zegt Hebr.11, “is het bewijs der dingen die men niet ziet”. Het gaat dus om geloof, vertrouwen, in onzichtbare dingen, die ons zijn medegedeeld in de Bijbel. In dit machtige hoofdstuk worden vele mensen genoemd, die hun leven bouwden en lieten bouwen op de beloften van God. Die gehoorzaam waren aan hetgeen Hij tot hen sprak, ondanks het feit dat ze het soms niet begrepen. Zoals Abraham bijvoorbeeld, die al eerder is genoemd:

“Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou.
Door het geloof heeft hij vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isaak en Jacob, die medeërfgenamen waren van dezelfde belofte; want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de Ontwerper en Bouwmeester is” (Hebr.11:8-10).

Hij voer op het kompas van het Woord van God. Heel zijn leven was daarmee in overeenstemming. Hij woonde in tenten staat er. Niet omdat hij geen huis kon betalen; Abraham was een rijk man (Gen.13:2), evenals later zijn zoon Isaak, die immmers zijn erfgenaam was (zie Gen.25:5!). Ook niet omdat er in die tijd nog geen huizen waren of omdat hij, zoals weleens wordt beweerd, zou behoren tot de zgn. bedoeïenen van die tijd. Dat zijn allemaal menselijke verklaringen. De Bijbel zegt eenvoudig dat hij door geloof in tenten woonde. Waarom? Omdat hij de stad met fundamenten verwachtte, naar Gods belofte. Let op, er staat bij dat God de Ontwerper en Bouwmeester is. Abraham wist en geloofde dat. Hij begon niet zelf in alle ijver een stad te ontwerpen en te bouwen; hij promoveerde zichzelf niet tot de “handen en voeten” van God. Abraham “vertoefde en… verwachtte”, geheel overeenkomstig het Woord van God!

Leer mij naar Uw Wil te hand’Ien,
Laat mij in Uw Waarheid wand’Ien.

HOOFDSTUK 5

BABEL: SURROGAAT

Het is belangrijk dat ons denken en doen bepaald wordt door het Woord van God. Daartoe is het nodig, dat ons denken vernieuwd wordt (Rom.12:2), opdat onze daden niet wereldgelijkvormig zijn. maar Gode welgevallig. Al ons handelen moet gebaseerd zijn op het vaste fundament van de levende Steen, de Here Jezus Christus, in overeenstemming met Zijn Woord. Wanneer dat niet het geval is, heeft het geen (blijvende) waarde en zal het onherroepelijk tenietgedaan worden. Dan kan het nog zo mooi, waardevol en godsdienstig lijken, het zal geen stand houden. Dan is het niet Bijbels, maar Babels! En met dat laatste is dan direkt de weg aangegeven van de mens die handelt buiten Gods openbaring om en daarmee in wezen tegen God ingaat!

Babel

Babel is naast de historische aanduiding, de verzamelnaam van alle tegen-God-ingaande werken. Al heel vroeg in de Bijbelse geschiedenis worden wij geconfronteerd met Babel. In de volkerenlijst van Gen.10 komen wij de naam Babel” voor het eerst tegen. Nimrod was de eerste koning van Babel (zie Gen.10:8-12). Hij kwam voort uit het (vervloekte) geslacht van Cham. Zijn geslacht geeft de eerste ontwikkeling te zien van het menselijk rijk. Hij was de eerste machthebber van de aarde. Dit woord “machthebber is de vertaling van het Hebreeuwse ‘ gebet’ of “gibbor’, ook wel vertaald met: ”sterk” of “held”. In Jes.9:5 noemt men de Zoon: “de sterke God”. Letterlijk staat er: El Gibbor, d.i. God, de Held! Christus is de waarachtige Held, de sterke God!
Nimrod is de anti-held! Hij is een type van de toekomstige anti-held, die zich in de eindtijd als het Beest zal openbaren.
In Nimrod ontmoeten wij dus de grondlegger van het menselijk rijk (de tegenhanger van het Rijk Gods), getooid met de illustere naam “Babel”. “Babel” betekent: Poort van God, en ook: Verwarring.

 

Babel of Babylon (Grieks) komt verder in heel de Bijbel voor vanaf Gen.10 tot Openb.17 en 18, waar de definitieve verwoesting plaatsvindt. Altijd weer wordt Babel gezien, enerzijds als een letterlijke stad (hoofdstad van het menselijk rijk), en anderzijds als het Gode-vijandige systeem. Babel is de geest der wereld.
Bij Kaïn en zijn nakomelingen zagen wij de ontwikkeling van het kwaad in de individuele mens. In Gen.6:5 staat, dat de HERE zag, dat de “boosheid des (= 2e naamval enkelvoud!) mensen groot was…”. Na de zondvloed zet deze weg zich voort onder de volkeren. Ook hier blijkt, dat men wel godsdienstig is, maar zich niet houdt aan Gods Woord!
In Gen.11 blijkt, dat de mensheid (de volkeren) zich verzet tegen het Plan van God. Wij vinden daar de bekende geschiedenis van de stad- en torenbouw van Babel, waarin ons meer geleerd wordt omtrent haar wezen en karakter. In deze geschiedenis zien we de bedoeling van de mens, die uit zichzelf en door zichzelf een wereld wil opbouwen.

‘Welaan, laten wij ons een stad bouwen met een toren, waarvan de top tot in de hemel reikt, en laten wij ons een naam maken…” (vers 4).

Men wilde een komplete wereld voor zichzelf gaan bouwen. De stad geeft uitdrukking aan het economische, sociale en culturele leven, en de toren typeert het godsdienstige gevoel (een bewijs dat niemand daarbuiten kan).
Wij zien hier, dat Babel bestaat uit twee componenten:

1. Materialisme = gericht op de stoffelijke, zienlijke, aardse dingen.
2. Idealisme = gericht op een doel, waarin men heilig gelooft, nl. een wereld van vrede en harmonie. Dit idealisme wordt gehanteerd als een religie.

Deze twee elementen vinden wij vandaag terug in de New Age Beweging. Het New Age wereldbeeld is gegrond in het zgn. holisme, d.w.z: alles is één! De natuur is de uitdrukking van God, een deel van God. De mens is daar een onderdeel van, dus een beetje God! Dat Goddelijke in de mens, dat moet ontwikkeld worden en dat kan dan, volgens de aanhangers van New Age, door zelfonderzoek en meditatie. Of: door door te dringen in je diepste zijn om zo te komen tot waarachtig godsbesef.
In de New Age gedachte is alles gericht op het stoffelijke, de omgeving, de natuur. De aarde staat centraal en de mens moet op aarde streven naar de totstandkoming van het ‘paradijs”. Dát is het ideaal, het geloof, waardoor men gedreven wordt. Alles moet ondergeschikt gemaakt worden aan dat ene doel: wetenschap, techniek, economie, cultuur en ook de godsdienst.
De (verborgen) drijfveer van dit alles vinden wij in Gen.11:4b reeds aangegeven: “… en laten wij ons een naam maken…”!!
Er is echter nog meer aan de hand. De top van de toren reikte tot de hemel (d.i. gewoonlijk zo met een toren): men wilde op gelijke hoogte komen met God! En nu wordt het verdacht, want was dát niet juist het streven van de satan (zie Jes.14:14)? Men wilde zich een naam maken, daarmee voorbijgaande aan dé Naam! En dat alles met de bedoeling om niet over de hele aarde verstrooid te worden, zoals Gods plan luidde (Gen.9:1 en 7). De achterliggende gedachte is duidelijk: “één van taal en één van spraak (vers 1); innerlijke eenheid uitgedrukt in het verlangen naar uiterlijke eenheid: ‘laten wij bouwen”.
Samen op weg!

Wij zien dus, dat deze geschiedenis model staat voor het streven van Babel, zoals dit ook in onze tijd in toenemende mate wordt gevonden. Opnieuw is de aarde, hoewel verdeeld in sectoren, één van taal en één van spraak. Zoekend naar een blijvende, vreedzame vorm van samenwerking wordt alles verenigd: Verenigde Naties, een verenigd Europa, verenigde Arabische liga, Warschau-pact, enz. Aangemoedigd door de gezamenlijke wereldproblematiek zoals honger, milieu, overbevolking, bewapening e.d., worden talloze onderhandelingen gevoerd “in naam der mensheid’ . Zolang er gepraat wordt is er nog hoop! Dwars door alles heen worden steeds duidelijker de contouren van Babel zichtbaar. Alle middelen zoals handel, wetenschap en techniek en ook de godsdienst worden aangewend om het einddoel van een betere wereld te bereiken. Er wordt (soms met veel bescheidenheid) geroemd in wat de mens allemaal presteert. En eerlijk gezegd, vanuit de mens bezien is die prestatie ongekend hoog! Toch zal dat streven, hoever het ook nog zal komen, uitmonden in een groot debâcle.
Hoe mooi het ook allemaal lijkt, hoe de Babelse samen-op-weg-cultuur of de verbeter-de-wereld-gedachte zich ook ontwikkelt, hoe Babel tenslotte ook nog heel realistisch gestalte zal krijgen in het laatste wereldrijk, zij bewerkt uiteindelijk haar eigen oordeel en ondergang. Het zal toch blijken een “namaakwereld” te zijn. Er wordt gebouwd op het verkeerde fundament, vanuit verkeerde motieven, met verkeerde materialen. Zelfs dat laatste wordt merkwaardig genoeg al duidelijk in Gen.11. Daar wordt de namaak al gesignaleerd in vers 3: “En de tichel diende hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem”. Er werden ”vervangende” bouwmaterialen gebruikt. Surrogaat dus! Tichel voor steen en asfalt voor leem…
Het tragische slot is, dat God Zelf een einde maakt aan het bouwen van de mens. Want alleen Hij bouwt een betere, ja zelfs een nieuwe wereld. Hij doet dat op Zijn fundament, met Zijn eigen materialen, naar Zijn eigen Plan.
Gen.11 begint met een poging van de mens om de mensheid tot een eenheid te maken, hetgeen uitloopt op het oordeel van God. Het volgende hoofdstuk begint met Gods nieuwe voorziening om allen te verenigen door de zegeningen via Abrahams zaad, en wel in het bijzonder via hét zaad van Abraham, Christus (zie ook Gen.21:12; Ga1.3:16).

Na de geschiedenis in Gen.11, gaan er eeuwen voorbij zonder dat we iets van Babel of Sinear vernemen. Het koninkrijk van Israël kreeg gestalte met als hoofdstad Jeruzalem, de tegenpool van Babylon. De grondlegger van Babel’s uiterlijke majesteit was de grote koning Nebukadnezar, die onder Gods toelating grote macht ontving. Macht om het ontrouwe, afvallige Jeruzalem te geselen; macht om te heersen over een wereldrijk. Het was Nebukadnezar die in zijn hoogmoed sprak:

“Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een koninklijke woonstede door de sterkte mijner macht en tot eer mijner majesteit?” (Daniël 4:30).

Het begin van dat Babylonische rijk vormt tegelijkertijd de aanvang van de zgn. ‘lijden der heidenen’, waarover de Here Jezus spreekt in Luc.21. In dit tijdperk is de (wereld)heerschappij in handen van heidense volkeren, die hun macht uitoefenen in opeenvolgende wereldrijken. Hiervan is een aanschouwelijke voorstelling gegeven in het bekende statenbeeld van Dan.2. Gedurende deze heerschappij staat Jeruzalem a.h.w. buitenspel, wat zal voortduren tot “de tijden der heidenen vervuld zullen zijn” (Luc.21:24). Als dus het laatste wereldrijk ontmanteld is, dan zijn de tijden der heidenen vervuld, d.w.z. voorbij.

In Dan.2:31 e.v. is het verloop van de tijden der heidenen weergegeven en uit de geschiedenis kennen wij de wereldrijken, die zijn gekomen en gegaan. Het Babylonische Rijk, voorgesteld door het gouden hoofd, is het eerste en voornaamste rijk, van waaruit de volgende zijn voortgekomen. Verder het Perzische rijk (borst en armen), het Griekse rijk (buik en lendenen) en het Romeinse rijk (benen). Dit zijn de machten die in het verleden hebben bestaan. Er wordt echter nog afzonderlijk gesproken over de voeten van het beeld, bestaande uit ijzer en leem. Daarmee wordt de zgn. Tien-statenbond aangegeven die in de toekomst nog zal komen. Een rijk dat in zijn openbaring veel overeenkomst vertoont met het vorige, het Romeinse rijk, en daarom ook vaak wordt genoemd als het “herstelde Romeinse rijk . Op de vraag of deze benaming wel terecht is kan nu niet worden ingegaan.

Nu moeten wij goed bedenken, dat Daniël weliswaar spreekt over opeenvolgende rijken, maar dat het gaat om één beeld. Eén groot beeld, dat, zoals de verdere beschrijving toont, eruit ziet als een mens. Wat Daniël beschrijft is een hoofd en een lichaam, en dat is
niet voor niets! Hoofd en lichaam horen onlosmakelijk bij elkaar. Toch is in het lichaam zelf het hoofd het belangrijkste onderdeel. Dat komt bijv. in een heel ander verband ook tot uitdrukking in de Gemeente als het lichaam van Christus (zie Efe.4:15, 16; Ko1.2:19). Het hoofd is het belangrijkste, ook hier in Daniël 2, vandaar het goud! De rest van het lichaam (beeld) funktioneert bij de gratie van het hoofd. Het hoofd is bij alle delen ten zeerste betrokken. Het is daarom ook helemaal niet verwonderlijk, dat de naam Babel weer opduikt als het gaat om de eindtijd, waarin immers het beeld kompleet wordt.
We vinden deze naam dan ook herhaaldelijk terug in de profetieën over de eindtijd, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament, met name in Openbaring (Hfdst.17, 18). De laatste heerschappij der heidenen zal in haar karakter door en door Babels zijn! Alles wat geschreven en geprofeteerd is over Babylon zal in de eindtijd zijn definitieve en afschuwelijke vervulling krijgen! Alle andere rijken waren slechts onderdelen en typen van het gehele beeld, dat straks volledig zichtbaar zal zijn. Alle voorafgaande koningen waren dan ook slechts typen van de laatste koning, die de wereld voor een korte tijd in z’n macht zal hebben. Als het beeld kompleet is, is de aanblik ”schrikwekkend” (Dan.2:31). Dan is de mens (666!) op zijn hoogtepunt gekomen. Dan wordt ook het resultaat zichtbaar van een door de mens gebouwde wereld! Wat dan overblijft is een anti-christelijk, mensonterend rijk van gruwel en geweld. Gelukkig zal alles maar kort van duur zijn.
Het Babelse gebouw zal plaats moeten maken voor een Bijbels bouwwerk, dat van God. Anders gezegd: juist in die tijd zal de God des hemels in aktie komen en Zijn Koninkrijk zichtbaar oprichten. En het is dan ook in dit verband, dat onze aandacht opnieuw wordt gevestigd op de levende Steen!

 HOOFDSTUK 6

HET KONINKRIJK VAN DE STEEN

Gelovigen beseffen lang niet altijd hoe bevoorrecht ze eigenlijk zijn. Niet alleen als het gaat om de rijkdom van Gods genade, de verlossing in Christus, maar ook wat betreft alles wat daaruit voortvloeit. Dat zij elke dag mogen wandelen met God; dat zij vrede mogen hebben in de Heiland. Denk ook aan de toekomst, waar iedereen vandaag zo mee bezig is. Op allerlei manieren probeert men iets te weten te komen over de toekomst. Horoscopen worden verslonden. De één gaat naar een waarzegger, de ander houdt het bij een helderziende. Science-fiction lektuur vliegt over de toonbank. Overal speelt bewust of onbewust die ene vraag een rol: “Wat zal de toekomst brengen?

Daniël

Wat ben je dan gelukkig als je een kind mag zijn van de levende God, Die het heden kent en de toekomst overziet. Die Zijn Woord gegeven heeft en de komende dingen heeft geopenbaard. De God, Die verborgen dingen bekendmaakt. Aan Daniël bijvoorbeeld, die Nebukadnezar nauwkeurig vertelt wat hij heeft gedroomd en ook uitlegt wat het betekent! Wat moet die machtige koning verbaasd zijn geweest, toen deze jonge balling de wijzen en geleerden, die toch “alles” wisten, eenvoudig in hun Babylonische hemd zette…
Zoals wij hebben gezien droomde Nebukadnezar over een geweldig beeld, waarvan de aanblik afschrikwekkend was (Dan.2:31). Deze voorstelling van opeenvolgende wereldrijken, culminerend in de heerschappij van het Beest, brengt ons regelrecht in de laatste dagen. De dagen waarin de overste der
wereld, de satan, zijn domein prijs zal moeten geven aan de rechtmatige Koning, de Here Jezus Christus. In die dagen, zegt Daniël 2, vers 44, “zal de God des hemels een Koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet te gronde zal gaan…”

De verpletterende steen

De droom van koning Nebukadnezar eindigt niet met het beeld alleen. Er komt nog iets achteraan. Ook dat weet Daniël tot in details te vertellen:

“Terwijl gij bleeft toezien, raakte, zonder toedoen van mensenhanden, een steen los, die het beeld trof aan de voeten van ijzer en leem en deze verbrijzelde; toen werden tegelijkertijd het ijzer, het leem, het koper, het zilver en het goud verbrijzeld, en zij werden gelijk kaf op een dorsvloer in de zomer, en de wind voerde ze mee, zodat er geen spoor meer van te vinden was…” (Dan.2:34, 35).

Het lijkt of het beeld onaantastbaar overeind staat. Toch houdt het geen stand. Een steen raakt los en verplettert met enorm geweld het hoge beeld op zo’n manier, dat er niets meer van overblijft dan wat stof. Wie of wat de steen is, daarover is al veel geschreven. De verklaring is, gezien in het licht van dit hele gedeelte, niet zo moeilijk te geven. Immers het gaat hier om koninkrijken, koningschap en heerschappij. In de uitleg van Daniël wordt duidelijk gezegd, dat God in de laatste dagen van het laatste rijk een Koninkrijk zal oprichten (Dan 2:44), waarbij de vorige rijken worden vernietigd en weggedaan. De vorige rijken vormden samen het komplete beeld. Het beeld van de menselijke heerschappij verdwijnt en Gods heerschappij wordt op aarde zichtbaar. De steen die verbrijzelt en zelf tot een grote berg wordt heeft dus te maken met de komst en de openbaring van Gods Rijk op aarde; het Rijk uit de hemel, daarom ook genoemd: Koninkrijk der hemelen. Alleen, en dat is belangrijk, een koninkrijk bestaat alleen maar als er ook een koning is. En daarom is de steen die hier in Daniël verschijnt, niet alleen maar een beeld van het koninkrijk, maar ook van de koning, de Here Jezus Christus. Als de Here Jezus straks opnieuw op aarde komt als Koning, dan is het Koninkrijk nabij (en dat evangelie wordt dan ook gepredikt), en zal spoedig zichtbaar op aarde gevestigd worden. Zo wordt het ook beschreven in de geweldige profetie van Daniël. De steen raakt los zonder toedoen van mensenhanden. Hier vindt dus een gebeuren plaats, dat helemaal buiten de mens om gaat! Handen hebben te maken met werk, met dienstbaarheid. Hier gebeurt iets, dat niet het werk is van mensenhanden, maar van Gods (Rechter)hand. Op Zijn tijd en op Zijn wijze zal Zijn Woord in vervulling gaan. God houdt de eer aan Zichzelf, opdat niemand roeme!!
Eerder al heeft Jesaja gezegd, dat God Zijn Koninkrijk sticht en grondvest: “De ijver van de HERE der heerscharen zal dit doen” (Jes.9:6). God brengt iets tot stand, Hij bouwt, en Zijn Bouwer is de Zoon, de levende Steen… De losgeraakte steen treft het beeld aan de voeten, onderaan dus.
Het is opvallend, dat de metalen van het beeld van boven naar beneden steeds minder worden in waarde. Het begint met goud, het eindigt met leem en ijzer. De tijden der heidenen, waarin de mens het voor het zeggen heeft, vertonen in de loop van de geschiedenis geen verbetering, maar verslechtering, afval! Wat in de ogen van veel mensen en helaas ook van veel christenen waardevol wordt geacht, is in wezen waardeloos. Hiermee wordt ook de in brede kring zo gekoesterde evolutiegedachte, alsof zich alles geleidelijk aan (beter) zou ontwikkelen, te kijk gezet.

Het rijk der mensen wordt verbrijzeld als het Koninkrijk van God komt, met aan het hoofd de Zoon des mensen. De komst van de Koning en Zijn Rijk betekent aanvankelijk een grote katastrofe voor de heidense naties. Het betekent het absolute einde voor alle menselijke heerschappij. De val van het laatste rijk betekent tegelijkertijd de ondergang van alle wereldmachten (Dan.2:35). Als de “Koning der Koningen” komt Hij Zelf om de heidenen te slaan en te hoeden, zie Openb.19:15, 16. Er blijft niets meer over van het grote mensbeeld. De laatste stofdeeltjes worden weggevoerd door de wind:

 “Hij geeft de machthebbers over ter vernietiging, Hij maakt de regeerders der aarde tot ijdelheid (…) en een storm neemt ze op als stoppels” (Jes.40:23, 24).

Ook in het laatste Bijbelboek (Openb.18) wordt gesproken over de val en ondergang van Babel (want dat is de naam van het beeld) en over haar verdwijning (vers 14, 21).

Uw Koninkrijk kome

Nu is het moment gekomen, dat deze bede uit het “Onze Vader” in vervulling gaat. De Here Jezus Christus komt als de Steen in Zijn Soevereine macht om alle tegenstand teniet te doen, Zijn vijanden te verslaan, en Zijn eigen (lang beloofde) Koninkrijk op te richten over de gehele aarde.

“… de steen die het beeld getroffen had, werd tot een grote berg, die de gehele aarde vulde” (Dan.2:35).

Pas nadat de steen heeft verpulverd, wordt hij tot een berg. Dat betekent dat er eerst oordeel komt en daarna herstel. Geen tijdelijk herstel, maar voor altijd. Over die “wederoprichting aller dingen” (Hand.3:21) hebben de profeten van oudsher gesproken. De laatste tijd is de tijd van de grote omwenteling. Joh. de Heer schreef daarover eens: ”… inderdaad, de wereld verkeert in een tijd van omwenteling die haar weerga niet kent, en waaruit een totaal veranderde samenleving zal tevoorschijn komen, onder de heerschappij van een wereld-dictator. Want ook hierin zal de geschiedenis zich herhalen. Evenals de Franse revolutie zal ook de wereldrevolutie uitlopen in een persoonlijke dictatuur. Zoals in de vorige eeuwen de weg van de revolutie werd gebaand door heersende wantoestanden onder het mensdom, zo ook nu: alleen grijpt de tegenwoordige wereldrevolutie dieper in, niet slechts in het politieke, maar ook in het maatschappelijke, godsdienstige, huweiijks- en gezinsleven. De voeten van het wereldbeeld naderen hun voltooiing… De tijd komt naderbij, dat de steen, die zonder toedoen van mensenhanden losraakte, het hele beeld zal verbrijzelen, om daarna zelf tot een grote berg te worden, die de hele aarde zal vervullen. Met andere woorden gezegd: het ogenblik nadert, dat Christus, de eens verworpen Steen, zal verschijnen om de heerschappij te aanvaarden over de koninkrijken van de wereld (Openb.11).”
Wat een rijkdom is het om in deze dagen, waarin het wereldgebeuren zich in steeds snellere vaart ontwikkelt, het profetisch Woord te mogen bezitten, dat zeer vast is en schijnt als een lamp in een duistere plaats (2 Petr.1:19).

De Here zal Zijn voeten zetten op de Olijfberg (Zach.14). Daar gaat het beginnen, in Jeruzalem, de stad van God, zoals Zacharia beschrijft in Hfdst.8 vers 3:

“Zo zegt de HERE: Ik keer weder tot Sion en Ik woon binnnen Jeruzalem; Jeruzalem zal de stad der trouw, en de berg van de HERE der heerscharen zal de berg der heiligheid genoemd worden.’

Wie Zacharia verder doorleest komt onder de indruk van het komende heil van God, dat begint bij een teruggekeerd, gelovig Israël. Wie kan zich voorstellen dat straks “vele natiën en machtige volken zullen komen om de HERE der heerscharen te Jeruzalem te zoeken, en de gunst des HEREN af te smeken” (Zach.8:22)? De steen vult de aarde. Het Koninkrijk zal zich vanuit Jeruzalem uitbreiden: “En de HERE zal Koning worden over de gehele aarde; te dien dage zal de HERE de Enige zijn en Zijn Naam de Enige” (Zach.14:9).

Vele Oudtestamentische vergezichten met betrekking tot de zegenrijke regering van de Messias zullen in vervulling gaan. Ik noem er een paar: Jes.9, 11, 35, 60, 61, 62; Jer.30, 33; Ezech.37, 40 e.v.; Dan.2, 7:12; Amos 9:11-15; Micha 4, 5; Zef.3:9 e.v.; Haggaï; Zach.8, 14; e.v.a.

Eindelijk zal de mensheidgaan ervaren wat het betekent, dat God daadwerkelijk regeert. In de laatste wereld-dag, de Sabbat, zal alle aandacht gericht zijn op de Zoon des mensen, Die zal komen op de wolken des hemels met grote macht en heerlijkheid (Matt. 24:30). De Steen die eenmaal werd afgekeurd, zal spoedig opnieuw in de wereld verschijnen als de levende en kostbare Hoeksteen. Hij zal eerst Zijn Lichaam, de Gemeente in veilige heerlijkheid brengen. Daarna zal Hij wederkomen op aarde en dwars door de reinigende oordelen heen Zijn geliefde volk Israël en de overige volkeren rust geven, 1000 jaar lang. Totdat Hij alle dingen nieuw heeft gemaakt en Gods plan voltooid wordt in een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want “Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en Zijn Koningschap is één, dat onverderfelijk is” (Dan.7:14).

Komt tot Hem, de levende Steen. Hij is de Alpha en de Omega, de Eerste en de Laatste, het Begin en het Einde (Openb. 22:13). Hij komt spoedig en zal Gods werk voltooien.

Als alles voor Hem buigt,
En vrede heerst alom,
Wordt d’aarde weer een paradijs.
Kom, Here Jezus! kom!

 

HOOFDSTUK 7

DE STEEN ALS BEELD VAN CHRISTUS

Zoals aan het begin van deze brochure al is opgemerkt komen wij in de Bijbel veel stenen tegen. Het is dan ook fascinerend om aan de hand van een concordantie de teksten na te lezen waar de woorden “steen” of “rots”, en afleidingen daarvan, voorkomen. In de meeste gevallen zal blijken, dat de steen c.q. rots een beeld is van:

1e De Persoon en het werk van Christus
2e De gelovige
3e De waarheid van God

De steen vertegenwoordigt vastigheid, kracht, duurzaamheid, heerlijkheid, schoonheid, etc.
Hieronder volgen nog enige voorbeelden van de steen/rots als symbool. De Bijbelplaatsen zijn willekeurig gekozen en dienen slechts ter illustratie.

1.
De allereerste keer, dat wij het woord “steen” in de Bijbel tegen komen is in Gen.2:12.
Daar wordt gesproken over “de steen Chrysopraas , afkomstig uit het land Chawila, “waar het goud is’.
“Chrysopraas” (ook wel: onyx, sardonis of sardius) is de vertaling van het Hebreeuwse “Shoham”. De stam van dit woord betekent: een schitterende luister of heerlijkheid.
Deze edelsteen is één van de mooiste uit de zgn. kwartsgroep, met een doorschijnende, appelgroene kleur.
In Exod.28 vinden wij deze steen terug op de kleding van de
hogepriester. De hogepriester van het Oude Verbond is uiteraard een type van Christus en dat komt ook tot uitdrukking in de samenstelling en kleuren van zijn kleding. De efod was een soort vest, dat over de mantel gedragen werd. Op die efod bevond zich op elke schouder een Chrysopraassteen, gevat in een gouden kasje. In beide stenen waren 6 namen gegraveerd, 12 in totaal dus. De hogepriester droeg zo de zonen van Israël op zijn schouders, gegraveerd in steen. Een beeld van de Heer Zelf, die de Zijnen draagt!
Daarbij droeg de hogepriester ook een borstschild met daarop twaalf stenen, waarop de namen van de 12 stammen van Israël waren gegraveerd. Ook daar treffen wij de Chrysopraas aan als drager van de naam Aser, de 8e zoon van Jakob. Aser betekent: gelukkig of gezegend.
Hier zijn dus de zegen en de heerlijkheid met elkaar verbonden als een wonderbaar symbool van Christus, die de Gezegende is en de “Afstraling” van Gods heerlijkheid (Hebr.1).
De laatste keer, dat deze steen in de Bijbel genoemd wordt is in Openb.21:20 als het 10e fundament van het nieuwe Jeruzalem.

2.
In Gen.28 vinden wij de geschiedenis van Jakob, die op weg is naar Haran. Onderweg gaat hij slapen met zijn hoofd op een steen! Dan verschijnt de HERE aan hem in een droom, waarbij hij een ladder ziet, waarlangs de engelen Gods op en neer gaan. Een profetie aangaande een verre toekomst, waar ook de Here Jezus op doelt in Joh.1:52. Bovenaan die ladder staat de HERE Zelf en verzekert Jakob van Zijn trouw en bescherming. De zegenrijke belofte aan Abraham wordt hier min of meer herhaald.
Als Jakob wakker wordt realiseert hij zich wat er gebeurd was en noemt die plaats dan: Bethel ( = huis Gods). Het wonderlijke is dan, dat hij de steen waarop zijn hoofd gerust had stelde tot een “opgerichte steen” en hij ”goot er olie bovenop” (vers 18). Zodoende wordt deze steen tot een symbool van Degene in Wie God Jakob (lees: Israël) zou zegenen, nl. de ware Israël: de Here Jezus Christus. Hij is het, Die het volk Israël door de eeuwen heen gedragen heeft, beschermd heeft, zodat het niet uitgeroeid is, ondanks het vele leed wat het is aangedaan. Hij is het van Wie Jesaja schreef: “De Geest des Heren HEREN is op mij, omdat de HERE mij gezalfd heeft…” (Hfdst.61:1). Deze met olie gezalfde steen is dan ook een beeld van de Verlosser, Jezus, Die gekruisigd is… én opgestaan! In zijn toespraak op de Pinksterdag wijst Petrus op Hem en zegt, dat Hij verhoogd is, zittende ter rechterhand Gods:

“Dus moet ook het ganse huis Israëls zeker weten, dat God Hem én tot Here én tot Christus ( = Gezalfde) gemaakt heeft, deze Jezus, Die gij gekruisigd hebt” (Hand.2:36).

De Here Jezus Christus zal in de toekomst voor Zijn volk verschijnen en dan zal de droom van een geopende hemel voor Israël een heerlijke werkelijkheid worden!

3.
In Exod.17 zien wij dat Mozes terwille van het volk op de rots slaat, zodat er water tevoorschijn komt, “zodat het volk kan drinken” (vers 6). Christus is de geslagen Rots. De vrucht van Zijn volbrachte werk is: water, d.w.z. leven! In 1 Kor.10:4 wijst Paulus terug op deze gebeurtenis en zegt: “… want zij dronken uit een geestelijke Rots, Welke met hen medeging, en die Rots was de Christus”. Niemand kon drinken vóór de rots geslagen was. De Israëlieten hadden op de rots kunnen zien en zo van dorst kunnen sterven. Zonder dat hij door de staf van Gods verlossing geslagen was (het was dezelfde staf waarmee ook de Nijl geslagen was), kon hij niemands dorst lessen!
De Here Jezus Christus is het Middelpunt en de Grondslag van Gods liefde en barmhartigheid. De stromen van zegen en genade zouden slechts kunnen komen door het Lam van God, dat de zonde op Zich nam. Toen de Rots der eeuwen door God geslagen werd, gingen de sluizen van eeuwige liefde wijd open om arme zondaars te redden. De Here Jezus riep het uit in Joh.7:37: Indien
iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinkel”

In hetzelfde hoofdstukkomen wij deze rots weer tegen als de steen, in de strijd van Israël tegen de Amalekieten. Terwijl Mozes op de steen uitrust, behaalt Israël door de machtige Hand van God de overwinning.
Eeuwen later zegt Paulus in Rom.8, temidden van alle strijd: “Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, Die ons heeft liefgehad” (vers 17).

4.
In Exod.24 komen wij terecht bij de verbondsluiting van de HERE met Israël bij de berg Sinaï.
‘De HERE zeide tot Mozes: Klim op tot Mij, de berg op, en blijf daar, dan zal Ik u de stenen tafelen geven, de wet en het gebod, die Ik opgeschreven heb…” (vers 12). Deze stenen tafelen bevatten de Tien Woorden aan Israël: de Wet of het Getuigenis.
Deze stenen tafelen werden later op bevel van God in de ark der Getuigenis gelegd (Exod.25:16), afgesloten met het verzoendeksel. Alles omgeven met goud.
Wij weten wel, dat de ark een type is van Christus als de volkomen verzoening voor de zonde. In Psalm 40 vinden wij een geweldige profetie aangaande Christus (vgl. Hebr.10:5-7), Die Zichzelf vrijwillig overgaf om een Gode welbehagelijk offer te brengen: “Ik heb lust om Uw wil te doen, mijn God, Uw wet is in mijn binnenste (vers 9).
Hier is nog veel meer over te zeggen, maar dat voert nu te ver.

5. 
In Exod.33 treffen wij de rots opnieuw aan als Mozes de heerlijkheid des HEREN vraagt te zien. De volle heerlijkheid van God kon door Mozes niet gezien worden, “want”, zegt de HERE “geen mens zal Mij zien en leven” (vers 20). Toch kan er iets gezien worden van Zijn heerlijkheid, maar dan alleen op de juiste plaats en vanuit de juiste positie: ”Zie, bij Mij is een plaats, waar gij op de rots kunt staan…’ (vers 21)!
Christus is het Fundament, door God Zelf gelegd (1 Kor.3). Alleen als wij plaatsnemen op dat Fundament zullen wij door het geloof iets kunnen zien van de heerlijkheid van God.
Pas als bij de wederkomst van Christus onze lichamen veranderd worden en we dus nieuwe ogen krijgen, zullen wij in staat zijn de heerlijkheid van God te aanschouwen.

6.
In 1 Sam.17 ontmoeten wij David in zijn strijd tegen Goliath, de Filistijnse reus. Eerst wordt hem een harnas om de schouders gehangen, maar daar kan hij niet mee uit de voeten. Hij verkiest een andere weg! Hij zoekt 5 stenen uit de beekbedding en met één daarvan verslaat hij in de Naam van Israëls God de grote tegenstander. Wonderlijke geschiedenis, maar zo rijk als we David hier zien als type van Christus.
De naam “David” betekent: Geliefde. Het getal “5′ wijst in de Bijbel altijd op genade en leven.
Liefde is de bron van de verlossing; genade is de weg tot de verlossing; leven is het resultaat van de verlossing. Tot vier keer toe klinkt uit de hemel de stem van God tijdens de omwandeling van de Here Jezus op aarde: “Deze is Mijn Zoon, de Geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb, hoort naar Hem!
Het is de levende Steen, Christus, door Wie en in Wie liefde, genade en leven tot ons gekomen is. Hij is Degene, Die het offer brengt en Die tegelijkertijd het offer is! In dat offer vindt de grote tegenstander, de satan, zijn ondergang.
De overwinning is een feit!

7. 
In Jes.50 lezen wij de derde profetie aangaande de lijdende Knecht des HEREN. Ook hier wordt gesproken over Zijn vrijwillige overgave, terwijl Hij geslagen werd en bespot. Maar de Here HERE was Zijn Helper (vers 7), waar we dan lezen: daarom maakte Ik Mijn gelaat als een keisteen…’
De keiharde tegenspraak van zondaren (Hebr.12), alle dreigingen, bespottingen, martelingen enz. konden Hem er niet van weerhouden Zijn werk te voleindigen. De steen is o.a. een beeld van standvastigheid en kracht. Welnu, dat is wat de Here Jezus in Zijn leven op aarde kenmerkte.
In de gezindheid van totale vernedering (zie Fil.2) ging Hij in de gestalte van een dienstknecht, vastberaden Zijn weg van smarten
en pijn. Hij was gehoorzaam tot de dood, ja, de dood des Kruises! Door niets of niemand liet Hij zich hinderen. Hij had maar één doel op het oog: het werk te voleindigen, dat de Vader Hem te doen gegeven had (Joh.17:4). In Hebr.5 wordt ons iets getoond van Zijn onbeschrijfelijke lijdensweg:

‘Tijdens Zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, Die Hem uit de dood kon redden, en Hij is verhoord uit Zijn angst, en zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden, en toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden…” (vers 7-9).

Hier zijn we bij de kern van de Evangelie-boodschap: Christus, Die Zichzelf overgaf in lijden en sterven tot een verzoening voor al onze zonden.
De Bijbel zegt, dat Zijn bloed ons reinigt van alle zonde.
Ik zou dan ook tenslotte aan U allen willen vragen: Kent U Hem als Uw persoonlijke Verlosser en Zaligmaker? Bent U Zijn eigendom? Hebt U God gedankt, dat de Here Jezus ook Uw zonden gedragen heeft aan het Kruis van Golgotha?
Wel, als dat zo is, dan bent U gelukkig… in de Here!
Dan mag U weten, dat U eeuwig leven hebt en op weg bent naar de heerlijkheid van God. Als Uw leven gebouwd is op de Steenrots, dan mogen ruwe stormen woeden, maar U zult nimmer wankelen!
Dan zou ik met de woorden van Paulus willen zeggen: “Verblijdt u in de Here te allen tijde” wetende, dat het beste nog komt!

Mocht U de Here Jezus (nog) niet persoonlijk kennen, dan adviseer ik U de belangrijkste beslissing van Uw leven niet langer uit te stellen! Doet U dat wel, dan kan het voor eeuwig te laat zijn… Veel dingen zijn in deze brochure gezegd over de levende Steen; er is nog onnoemelijk veel meer over te zeggen. Laat ik mogen eindigen met de tekst waar we ook mee begonnen zijn, als een uitnodiging aan ieder die het maar horen wil:

“En KOMT TOT HEM, DE LEVENDE STEEN, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar…”
(1 Petr.2:4).

De Here zegene U allen!                                                                                                                        [door P.A.Slagter]

Updated: July 4, 2020 — 2:59 pm
My CMS © 2018 Frontier Theme