Schrift met Schrift vergelijken

Matt 10:38  En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.

WEDERGEBOORTE FOR DUMMY’S

Johannes 3:1-8

En er was iemand uit de Farizeeën, wiens naam was Nicodémus een overste der Joden, deze kwam des nachts tot Hem en zeide tot Hem: “Rabbi, wij weten, dat Gij van God gekomen zijt als leraar want niemand kan die tekenen doen welke Gij doet, tenzij God met hem is.” Jezus antwoordde en zeide tot hem.- “Voorwaar, voorwaar ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien.”

Nicodémus zeide tot Hem: “Hoe kan een mens geboren worden als hij oud is? Kan hij dan voor de tweede maal in de moederschoot ingaan en geboren worden? “Jezus antwoordde: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest kan hij het Koninkrijk Gods niet binnen gaan. Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is Geest. Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden.”

Ja zegt de Here Jezus: ‘Als je niet wederom geboren wordt…? Wat is dat een moeilijk woord, hè? “Wedergeboorte”. Begrijp je eigenlijk wel, wat de Here Jezus er precies mee bedoelt? Waar het hier om gaat?
Weet je, dat dit gesprek met Nicodémus het meest onbegrepen gesprek voor ons is? Maar dat dit gesprek een van de voornaamste gesprekken is tussen de Here Jezus en mij? En dat degene die het gesprek begrepen heeft het nog maar het liefst ver van zich af wil schuiven?
We gaan met elkaar dit woord wedergeboorte, dit moeilijke woord, bekijken en er dan een ander duidelijker woord voor in de plaats zetten, want het is nooit de bedoeling van de Heer geweest, dat we Zijn gesprek met ons niet zouden begrijpen. De betekenis van wedergeboorte is gewoon: “opnieuw geboren worden”.
Weder betekent: “Opnieuw”.
Weder betekent: “Nog een keer”
Weder betekent ook: “Terug”.

Wat eenvoudig hè? Kijk, als je nóg een keer geboren moet worden houdt dit in, dat het de eerste keer niet goed, niet volledig gebeurd is, dat er een tweede, een betere geboorte op moet volgen. En als weder ook betekent “terug” dan ligt daarin opgesloten, dat we helemaal terug moeten naar het beginpunt. Zullen we nu met elkaar afspreken, dat we een streep zetten door het woord wedergeboorte en dat we ervoor in de plaats zetten “opnieuw geboren”? “Opnieuw geboren” heeft dus dezelfde betekenis, maar is begrijpelijker voor ons. Nu we gezien hebben dat “opnieuw” ook betekent “terug”, gaan we samen terug naar het beginpunt en dan zijn we precies waar we wezen moeten.

Het beginpunt ligt in het Paradijs. Ja, die toestand in het Paradijs was anders dan de toestand waarin wij nu leven. Adam en Eva leefden toen vóór de zondeval, het was een leven van wandelen met God, ze waren rein, zonder zonde, één met God. Anders gezegd: hun lichaam en Geest waren onafscheidelijk met elkaar verbonden, zij leefden met God, zij praatten met God, zij kregen opdrachten van God, dát was de toestand van de mens in het Paradijs.

Eén van de opdrachten was dat zij niet mochten eten van de vrucht, van de boom der kennis van goed en kwaad. Toch, op een dag werden zij ongehoorzaam aan dat gebod, en zij aten van de verboden vrucht. Tot zóver de Paradijstoestand.

Tot zover moesten we samen even terug. Terwijl zij aten van deze verboden vrucht, kwam tegelijk de zonde in hun leven. Zij waren ongehoorzaam geworden aan de Here hun God, dát was hun zonde en de mens was zondig van toen af aan en zij sleepten daarmee tegelijk ook de aarde met alles wat daarin en daarop groeide mee: alles was nu besmet door hun zonde. alles wat God zo rein geschapen had. En op dat moment dat zij zondigden “de eerste zonde”, op dát moment werd lichaam en Geest gescheiden.

Er kwam een breuk in de relatie, in hun omgang met God zoals die geweest was, een breuk in de eenheid met God die ze kende De Geest week terug van de mens, kon niet meer leven in die mens, die zondig was.
De grote breuk was gekomen.

Nu wil ik even onderbreken want wat ik nu in de laatste regels schreef, is in werkelijkheid veel ingewikkelder. Hierover alleen zou je een boek kunnen schrijven. Dit is in een paar woorden beslist niet uit te leggen. Vandaar dat ik heb geprobeerd het je eenvoudig te vertellen, zodat je het begrijpt, daarom gaat het toch?

Ja, dé grote breuk was gekomen. Maar nu komt de grote liefde van God al naar voren in het begin van het Oude Testament. Direkt na het falen van de mens belooft God dat hij iemand zal sturen om die breuk weer te herstellen, om lichaam en Geest weer één te maken. Hij belooft het aan Adam en Eva. En wat God belooft dat doet Hij.

En daar staat de Here Jezus.
Daar staat de Zoon van God. Gods eigen Zoon staat daar om deze breuk weer te gaan herstellen. De zonde, die scheiding gebracht had tussen God en mens zal weg genomen worden. De belofte wordt vervuld. “Als je niet opnieuw geboren wordt”, zegt de Here Jezus, “kun je het Koninkrijk van God niet binnen gaan”.

Je moet opnieuw geboren worden, wil je weer dát kontakt met Zijn Vader terugkrijgen. “Als je niet opnieuw geboren wordt” zegt de Here Jezus, “kun je het Koninkrijk van God niet binnengaan”.

Je komt nooit weer tot die relatie, die omgang met Hem als je niet…
En dan zie je Nicodémus daar staan.

Nicodémus een leraar van Israël, een hoog geplaatst persoon, een Farizeeër en beslist geen domme jongen zouden wij zeggen, één die er wel wat van afwist. Als er één was die de Bijbel op zân duimpje kende, was hij het wel. Je zou zeggen, één die de Bijbel van voren naar achteren kende.

En juist tegen Nicodémus zegt de Here Jezus “Nicodémus, je moet opnieuw geboren worden, anders kom je er beslist niet, kom je niet binnen in het Koninkrijk van Mijn Vader”. Maar hoe kan dat dan Heer? Ik kan toch niet voor de tweede keer geboren worden uit mijn moeders schoot? Nicodémus begrijpt er niets van. Jij wel? Of begin je al iets te begrijpen van die tweede geboorte? Zal ik het je eens proberen uit te leggen?

Kijk, die eerste geboorte is de gewone lichamelijke geboorte uit het zaad van de man. De Here Jezus noemt dit de vleselijke of natuurlijke geboorte. Het is de aardse geboorte van beneden af. De tweede geboorte is een Geestelijke, een geboorte boven af. Het is de Geestelijke geboorte van God uit, van de Paradijs toestand van vóór de zondeval. Dit is wat Nicodémus moest leren zien en dit is wat jij en ik moeten leren ontdekken. Jij en ik moeten leren ontdekken dat het nu mogelijk is weer dát kontakt, die relatie met God te hebben die er was vóór de zondeval: dat de verbroken verbinding weer hersteld is.

En hebben we dan weer opnieuw de Paradijstoestand terug? Nee, want we leven nog in deze zondige wereld waarin satan zijn macht uitoefent. Deze wereld wacht nog op de tweede nieuwe wereld, die beslist komt. En we leven ook nog niet in een vernieuwd lichaam ook dat komt nog. De Here Jezus kwam in de eerste plaats om het allervoornaamste te herstellen, de grote breuk die “zonde” heet. Hij nam die zonde van ons op Zijn schouders om zo de toegang tot God weer open te breken, zodat wij weer voor Zijn Troon mogen staan; en opdat we weer zouden leven vanuit God, leven met God. Kijk, en dat wordt nu weer hersteld als ik opnieuw geboren wordt. Maar weet je, dat er tegelijk nog meer hersteld is door de Here Jezus’?

Dat er nog meer verandert als ik opnieuw geboren ben? Het is niet alleen mijn leven op aarde hier, nee, het gaat véél verder.

Mijn aardse leven heeft eeuwigheidsleven gekregen. De dood is niet het eindpunt, de dood is overwonnen. Zij is niets anders meer dan de deur waardoor ik ga om met de Here Jezus te worden verenigd. De dood is een doorgang naar boven naar het Godshuis, waar de Here Jezus een woning heeft klaar gemaakt om eeuwig met Hem te leven.

En dit eeuwige leven begint nu. Weet je dat mijn leven dan nu al verandert? Totaal verandert? Zal ik je precies vertellen wat het verschil is tussen “opnieuw geboren zijn” en “niet opnieuw geboren zijn”? Vóór de nieuwe geboorte staat “jouw ik” in het middelpunt, na de nieuwe geboorte staat God in het middelpunt. Bij de natuurlijke geboorte zit ik op de troon van mijn leven, bij de tweede “Geestelijke geboorte” zit God op de troon van mijn leven. Dan wil ik je nog wat meer uitleggen. Ik hoorde het van een predikant die zei: “Weet je dat godsdienst geen enkele waarde heeft, als je niet opnieuw geboren bent, dat kerkelijk werk niets te betekenen heeft in het oog van God, als het niet vanuit Hem geboren is, dat wat je ook voor goeds doet vanuit jezelf, het niet boven bij God aankomt, als je niet opnieuw geboren bent”? Dit mag Nicodémus leren van Jezus: Dit mag jij en ik leren van de Here Jezus. Wij allen mogen leren, ja, wij mogen nog veel meer leren, leren dat we niet opnieuw geboren zijn:

  • omdat we gelovige ouders hebben
  • omdat we geregeld naar de kerk gaan
  • omdat we aan het avondmaal deelnemen
  • omdat we gedoopt zijn
  • omdat we met onze “mond” belijdenis gedaan hebben, maar niet met onze harten

Al ben ik leidster of leider van een club, ambtsdrager of zelfs predikant, één van deze dingen te zijn of te doen, is nog geen garantie dat we opnieuw geboren zijn. En als dit alles tot je doordringt, doordringt dat je verloren bent zonder die tweede geboorte van bovenaf, dan begin je wel te denken, ja, te verlangen naar die nieuwe geboorte [maar… maar… hoe… kan… ik…] vooral als de Here Jezus het de belangrijkste gebeurtenis in mijn leven vindt en dat vindt Hij. Hoe ik dit weet? Uit de Bijbel, het Woord van God, we weten het omdat de Here Jezus het er steeds over heeft.. Hij gebruikt er telkens weer andere uitdrukkingen voor, andere woorden, waarmee Hij hetzelfde bedoelt, net of Hij denkt: “als ze opnieuw geboren niet begrijpen dan begrijpen ze één van deze woorden wel”. Zullen we samen teruggaan naar de Bijbel en kijken welke uitdrukkingen de Heer nog meer gebruikt? Als je dan zelf de Bijbel erbij neemt kun je de tekst opzoeken en in z’n geheel lezen, dan schrijf ik de woorden daaruit op die dezelfde betekenis hebben als “opnieuw geboren”. Goed?

Matth. 7:13           gaat in
Matth. 16:25         zijn leven verliezen
Joh. 1: 12               Hem aannemen
Joh. 3:16               in Hem geloven
Joh. 3:33               Zijn getuigenis aanvaarden
Joh. 5:24               overgaan uit de dood in het leven
Joh. 6:40               aanschouwen en geloven
Joh.6:51                dit brood eten
Joh.6:54                Mijn vlees eten en Mijn bloed drinken
Joh.10:9                de deur binnengaan
Joh.10:27              horen naar Mijn stem
2 Kor.5:17              een nieuwe schepping
1 Joh.4:6               uit God geboren zijn
1 Joh. 4:7               een ieder, die lief heeft, is uit God geboren

We gaan ermee stoppen, want er zijn nog wel meer uitdrukkingen die dezelfde betekenis hebben en misschien weet jezelf nog wel andere te staan in de Bijbel. En nu gaan we met elkaar één ding doen. We gaan al deze uitdrukkingen die dezelfde betekenis hebben, samen bundelen we nemen er één voor in de plaats, één die al de andere samenvat.

En deze is:

DE HEER JEZUS BINNENLATEN IN JE HART

Je weet wel dat ons hart verdeeld is in verschillende kamers, of niet? Nou, als we ons hart eens even gaan vergelijken met het huis waarin we wonen, ja, dan wordt het je nóg duidelijker of niet? Dan wordt het de Heer Jezus binnenlaten in je huis en in je leven En dan komen de vragen:
Hoe laat ik de Heer Jezus binnen in mijn hart?
Hoe doe ik dat precies?
Op welke leeftijd kan ik dat doen?
En wat gebeurt er en wat verandert er dan in mijn leven?

Hoe laat ik de Heer Jezus binnen?

Kniel neer en zeg eenvoudig: “Ja kom binnen Heer: binnen in mijn hart en leven”.

Hoe oud moet ik daarvoor zijn?

Leeftijd speelt geen rol, ja, hoe jonger je de Here Jezus binnenlaat, des te langer kun je Hem dienen.

Wat gebeurt er dan,
wat verandert er dan in mijn leven,
wat houdt het in, dat ik Hem heb binnengelaten?
Zullen we dát samen eens gaan zien, wanneer je gezegd hebt, ja kom binnen Heer?

Ik zal proberen het met een voorbeeld duidelijk te maken. We lezen op de volgende bladzijden over een moeder uit een doorsnee gezin, die net gezegd heeft: Ja, kom binnen Heer. Jij en ik zou dié moeder kunnen zijn.

JA KOM BINNEN HEER

Openbaring 3:20
Zie, ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar Mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij.

Er wordt gebeld. Als ik de deur open doe, raad je niet wie daar op de stoep staat. Het is de Here Jezus en Hij vraagt: “Mag ik binnenkomen”?
Wat doe ik ? …….
De deur weer dicht of …. laat ik Hem binnen?
Ik neem een besluit en zeg:

“ja, kom binnen Heer”.

Hij komt binnen.
Op dát moment word ik opnieuw geboren. Hem binnenlaten houdt in, dat ik mijn hele huis voor Hem openzet. Wat dat allemaal inhoudt besef ik op dit moment in de verste verte nog niet. Ik heb er geen idee van wat er hierna nog volgt, maar…. Ik heb Hem in mijn huis binnengelaten. Hij, de Heer is binnen, de tweede geboorte heeft plaats gehad. Nu moet je niet gaan denken dat het voor elkaar is?

Het is geen eindpunt, maar een beginpunt, een begin van een ander “nieuw” leven. Je bent net een baby die pas geboren is. Je moet nog heel wat groeien want de Heer wil dat je “geestelijk” volwassen wordt.
Ja, daar sta je dan in de hal, wat onwennig, wat verlegen.
Je weet je eigenlijk helemaal geen houding te geven, maar de Heer stelt je onmiddellijk op je gemak. Hij doet gewoon Zijn jas uit, want Hij wil blijven, niet voor even, maar voor altijd.
Dan pak je Zijn jas aan en hangt hem op de hanger en op dát moment ontmoet je Zijn blik [wat een vrede en vriendelijkheid straalt er van Zijn gezicht, denk ik].

Dan ga ik Hem voor naar de kamer.

DE KAMER

Mattheüs 11:28
Kom tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.

De kamer, de woonkamer is het cèntrum van ons huis; de kamer waar nu letterlijk alles zich afspeelt, het centrum, de kern van ons gezinsleven. Een kopje koffie? En als je dan zo samen aan het koffie drinken bent dan komt langzaam het gesprek op gang. Hij vraagt met belangstelling hoe het met je gaat en …. waarom je Hem hebt binnengelaten, En voordat je het weet, voordat je erg in hebt, vertel je Hem alles, dingen die je dwars zitten, ook dat wat je niet begrijpt:

  • de ellende in de wereld
  • de moeilijkheden in je gezin
  • in je huwelijk
  • in de kerk
  • de problemen ten aanzien van je eigen werk en het werk van je man
  • de problemen met de opvoeding van je kinderen.

En zonder erg heb je je hart en ziel voor Hem open gelegd en je vraagt je af, hoe het toch komt dat alle remmen opeens verdwenen zijn, dat je Hem dingen toevertrouwt die je niet zo gauw aan een ander zou vertellen. Waarom vertrouw je Hém wel?
Dan merk je dat de Heer iets heeft wat anderen veelal niet hebben althans in veel mindere mate. De Heer heeft echte belangstelling voor je.

Hij meent het

Hij verdiept zich in dat wat je vertelt

Hij duikt in je problemen, zoals nog nooit iemand gedaan heeft.

Hij heeft je lief, écht lief.

ik ben zó blij dat ik Hem heb binnengelaten. Na het tweede kopje koffie komt het gesprek zonder dat ik er erg in heb weer op mân huwelijk, mijn verhouding met m’n man. Maar nu wordt de persoonlijk, Hij gaat dieper, Hij praat rechtuit, op de man af. Ja het wordt een gesprek waarin ik niet meer voor- of achteruit kan; Hij praat zonder omwegen. Maar wat een liefde heeft de Heer, zó heb ik het nog nooit meegemaakt. Daarna komt het gesprek weer op de kinderen. En wat daar allemaal over los komt. Sjonge jonge, wat een toestand eigenlijk hier in huis bij mij. En al vertellende besef ik in eens:

  • hoe moeilijk ik het heb
  • wat een toestand er in mijn gezin heerst
  • wat een moeilijkheden ik met de ander heb
  • hoe iedereen me toch verkeerd begrijpt.
  • En ik praat over Leo die alles anders wil doen dan ik
  • en over de narigheid met Annie, ze wil altijd kleren haar nergens naar staan
  • en Joop komt ter sprake, die draagt het haar alsof hij een meisje is en Jetty, die moet zo nodig ‘s avonds al naar de bar
  • en de buren, die willen met alle geweld een bruin hekje om de tuin en ik een groen. Wat word ik slecht begrepen door de mensen
  • wat ben ik eenzaam aan het ploeteren in mijn gezin en wat laat mijn man mij alles alleen opknappen, vooral met de kinderen.
  • Vooral wat betreft de opvoeding van onze kinderen…

En zonder dat ik er erg in heb, komt het verborgene als een schreeuw naar boven:

  • Heer, ik wil zo graag dat het in mijn gezin verandert
  • Heer, ik wil zo graag dat U het mijn man eens “goed” zegt
  • Heer, ik wil zo graag dat U Joop eens onder handen neemt
  • en dat Jetty niet meer naar die bar gaat.
  • Heer, ik wil zo graag ………
  • Heer, ik wil ………
  • Heer, ik ………
  • ik …. ik …. ik ….

Verdrietig kijk ik Hem aan, zou Hij het begrijpen? Hij kijkt me aan, zo aan, ja, ik weet niet goed hoe ik het moet zeggen, maar ineens ben ik stil, of had ik dit allemaal niet mogen zeggen, zou ik te ver zijn gegaan?

Dan begint de Heer te praten, en vol liefde ziet Hij me aan.
Nu spreekt Hij, en luister ik. “Weet je,” zegt Hij, “Ik zal je iets vertellen wat je nog niet weet: er is een wezenlijk verschil in het leven van jou gekomen vóór je Mij binnen liet, en nu je Mij hebt binnengelaten. Toen Ik nog buiten stond was jij het die hier de boventoon voerde, was jij het middelpunt waar alles om draaide, jouw “ik” zat op de troon en in het hele gezin was er maar één waar allen naar moesten luisteren. Je zei het zopas nog:

  • “Heer ik wil zo graag……”
  • “Heer ik wil……”
  • “Heer…. ik….. ik…. ik …..”

“Maar nu je Mij hebt binnengelaten, komt jouw ik op de tweede plaats te staan, en krijg Ik het hier voor het zeggen, voortaan moet Ik het middelpunt zijn waarvan alles uitgaat begrijp je. Het gaat nu voortaan om Mij draaien, als Ik het zo zeggen mag”. [En Hij mócht dat zeggen].
“Kijk, dit hoort gewoon bij de nieuwe geboorte, het is er een gevolg van, het zal een bewijs voor jezelf en “de ander” zijn dat je opnieuw geboren bent. De ander zal het in jou gaan ontdekken, het nieuwe zal langzaam groeien, zoals een baby groeit. Een baby wordt eerst gevoed met melk, daarna komt de vaste spijs, zodat je opgroeit tot een “volwassen” kind van God, Ik zal het je nog duidelijker vertellen. Bij de eerste geboorte staat jouw ik, in het midden, bij de tweede geboorte sta Ik in het midden, de Heer die jezelf hebt binnen gelaten. ” Het werd een poosje stil, de Heer liet me het even verwerken, en … en … langzaam begon ik er iets van te begrijpen,

  • wie ik was
  • hoe ik handelde
  • hoe ik iedereen bestelde
  • hoe werkelijk alles in het hele gezin om mij draaide

En als je zó met jezelf wordt gekonfronteerd, doet van binnen je alles zeer, alles huilt in je en op dat moment zie je het niet meer zitten. Ben ik nóg zo blij dat ik Hem heb binnengelaten? Zou ik voor de tweede keer nóg zeggen: “Ja, kom binnen Heer?” Of… zal ik Hem toch maar weer buiten de deur zetten? Kan ik dat doen? [En ik schaam mij nu ik Hem aankijk].

Alsof Hij mijn gevoelens weet zegt de Heer: “Het geeft niet dat je je schaamt, dat je er verdriet over hebt, Ik ben er zelfs blij mee. Het is een teken dat je het goed begrepen hebt, begrepen wat Ik bedoelde. En weet je, dat Ik ben gestorven voor jouw zonden en fouten? Dat Mijn bloed daarvoor gevloeid heeft? Later zul je beter en dieper leren waarvoor Mijn bloed moest vloeien. Het zou teveel ineens worden om dat alles te beseffen. Maar van nu af aan wordt het anders, kán het anders, want nu zal Ik je iets vertellen waar je misschien nog niet aan gedacht hebt. Bij alles wat er in je leven gebeurt, ben Ik er nu bij, anders gezegd, Ik heb nu de leiding over je leven. Als je elke moeilijkheid overgeeft aan Mij, dan zeg Ik je hoe je dat aan moet pakken of op moet lossen. Ik geef jou Mijn kracht om alles te volbrengen, zoals dat past bij een opnieuw geboren kind van God”.
Nu ben ik toch weer blij dat Ik Hem heb binnengelaten.
Weet je wat er in de kamer nog meer gebeurt?
Weet je, dat Hij er nu bij is als er bezoek komt? Dat Hij weet, wat je zegt en wat je niet zegt? Wat je roddelt over de ander, hoe negatief je praat, ja, hoeveel tijd je verpraat? Weet je dat jouw tijd nu niet meer van jezelf is? ‘Mijn tijd” is nu “Zijn tijd” geworden.
Weet je, dat Hij er nu bij is als er gebeld wordt en daar iemand op de stoep staat met een lijst om geld in te zamelen voor “kinderen die verhongeren”? Hij is er nu bij, wat je daarvoor geeft en of je voldoende geeft, want de portemonnaie is niet meer van jezelf, jouw geld is Zijn geld geworden. Weet je, dat Hij er nu bij is als de kinderen ruziënd thuis komen en dat Hij ziet hoe jij dit aanpakt, hoe jij optreedt, of hoe jij straft of niet straft? Weet je, dat Hij er nu bij is om je inzicht te geven bij dergelijke voorvallen, om je inzicht te geven bij de hele opvoeding van de kinderen? Want je kinderen zijn niet jouw eigendom, maar ze zijn Zijn eigendom geworden. Weet je, dat Hij er nu bij is als de kleine ziek op de bank ligt in de kamer? Dat Hij je ziet worstelen met de koorts, die maar niet wil zakken? Dat Hij je bezorgdheid ziet over Jetty’s voet, die nog steeds niet weer normaal is? Weet je, dat je nu rustig je zieke kind in Zijn handen mag leggen? Want ik hoef niet meer te regeren over, of te worstelen met de ziekte, want Hij regeert er nu over en Hij zegt nu hoe ik alles moet aanpakken en welke dokter ik kan raadplegen. Weet je, dat Hij er nu bij is, als ‘s avonds de radio of de TV aangezet wordt? Dat Hij het nu voor het zeggen heeft welke programmaâs ons gezin moet zien? Dat Hij beter weet dan ik, welke programma’s goed of slecht zijn, wat verkeerde toneelstukken, films of sprekers zijn? Dat Hij erbij zit als de kinderen kijken? Want de radio en de TV zijn niet meer van jezelf, de toestellen zijn nu van Hem. Weet je, dat Hij er nu bij is, wanneer je zit te lezen en dat Hij over je schouder meeleest en ziet of je goede lektuur leest of minder goede? Weet je, dat Hij erop let welke boeken de kinderen lezen in de kamer of stiekem in een vergeten hoekje, boeken die misschien niet door de beugel kunnen, boeken die als vergif werken op hun gedachtenleven? Weet je, dat Hij er nu ook op let of jij daar naar kijkt? Ja of nee? Weet je, dat Hij jouw hele boekenkast doorneemt? Want de boeken horen jou niet meer toe, want zij zijn van Hem geworden. Zo is de Heer er nu bij, in welke situatie je ook bent, wat er bij jou in de kamer ook gebeurt of overlegd wordt. Hij is er voortaan bij.

En bij het ene gezin zullen er andere dingen gebeuren dan bij het andere, maar dat doet er niet toe, je hebt Hem binnengelaten en Hij is Heer in je huis geworden.

DE KEUKEN

1 Cor. 3:2
Melk heb Ik u gegeven, geen vast voedsel, want dat kondt gij nog niet verdragen .

Sjonge, dat is een lang koffie-uurtje geworden. Ik schrik ervan en roep: “Oh Heer, m’n middageten, ik moet nodig naar de keuken anders krijg ik het niet meer klaar!” Dan schil ik vlug de aardappelen en zet ze op, maak de groente schoon en sla tegelijk een blik in de keuken.

Ergens ben ik blij dat de Heer in de kamer is, anders zou Hij zien, wat ik om mij heen zie. Het aanrecht staat vol, de tafel is nog niet eens afgeruimd, bah nu valt de fles slasaus ook nog om. Terwijl ik het gehakt tot ballen draai, staat de Heer opeens naast me en zegt verontschuldigend: “Ik wil zo graag zien wat jij daar in de keuken terecht brouwt, wat je klaar maakt.
Wat je erin doet, ja precies gezegd, welk eten je je gezin voorschotelt. Ik bedoel dit letterlijk, maar nog meer geestelijk.”
Ik vraag: “Wat heeft eten koken nu met het geestelijke te maken?
Ja, daar begrijp je niet zoveel van hé? Maar dat kan ook niet al er niet iemand is, die je dat eerst uitgelegd heeft. Zal Ik je proberen het uit te leggen? Nu Ik je zo bezig zie in die pan soep te roeren, zie Ik je hele gezin al soeplepelend aan tafel zitten en Ik vraag Mij af welk gééstelijk voedsel zet jij je man en kinderen voor? Wat maak je daar in die “geestelijke keuken” van jou klaar? Wat zet jij je vrienden voor als ze op bezoek komen? Weet je dat ze allemaal eten van wat jij ze voorzet? Weet je dat jij daar de verantwoording voor draagt? Kijk en dan vraag Ik me even af of je wel zeker weet of dit voedsel wat je bereidt wel goed is, of het wel gaar is, of het niet te zout is of te flauw, te zuur of te zoet, te koud of te heet, teveel of te weinig.” Geduldig ging Hij verder: [want Hij zag dat ik er niet veel van begreep] “Zal Ik het je met een voorbeeld duidelijk maken? Weet je wat Ik vroeger eens gezegd heb? Dat jij het zout der aarde moet zijn. Ik bedoelde daar toen mee “zout” in geestelijk opzicht. Zorg eerst dat er geestelijk leven in jou is, dan kan er geestelijk leven uit jou komen, want als er niets in zit, kan er ook niets uit komen, als er weinig in zit, komt er ook weinig uit, dan leef Ik niet genoeg in jou en dan straalt Mijn liefde te weinig uit jou.

Liefde moet door jou heenstromen naar de ander. Dán ben je het zout der aarde. Weet je, dat zout de smaak aan het eten geeft? Maar dat te veel zout de smaak bederft? Weet je, dat zout ook bederfwerend werkt? Als je vlees van de slager haalt en je zout het niet tijdig dan weet je maar al te goed wat er mee gebeurt. Zout houdt het bederf tegen.” Dat van dat vlees begreep ik maar al te goed en meteen vroeg ik: “U zei net dat ik ook téveel zout kon gebruiken, maar ik kan toch nooit téveel van U in mij hebben?

  • Té veel liefde.
  • Té veel geduld.
  • Té veel wijsheid?

Je kunt toch nooit té zachtmoedig zijn, je kunt toch nooit té veel van U uitstralen, je kan, ja…. ik struikelde bijna over mijn eigen woorden en in een flits schoot het door mij’ heen, nú heb ik Hem vastgepraat.
Ik dacht weer, maar de Heer dacht anders, Hij keek mij glimlachend aan en zei: “Weet je, we hadden het erover, dat jij een ander te eten gaf en dat is iets anders dan waar jij het nu over hebt , je hebt gelijk dat jij nooit teveel van Mij in je kunt hebben. Maar jij kunt wel teveel van Mij ineens aan een ander geven. Denk je er wel eens bij na als je over de Heer praat of de ander dat verdragen kan? Verwerken kan? Als iemand Hem nog niet kent en jij vertelt hele verhalen, bijvoorbeeld hoe Hij in jouw huis woont en de ander weet in de verste verte niet waar je het over hebt, dan overlaad je hem of haar met geestelijk voedsel. Je vertelt, je vertelt, je zegt: “Je moet dit eens doen en dat eens doen of zus of zo.” Dan wordt het in één woord gezegd overvoed. Ik weet niet of je begrijpt wat Ik bedoel, maar geestelijk voedsel moet net als gewoon voedsel geleidelijk aan gegeven worden. In het begin zei Ik toch al, als je opnieuw geboren bent, ben je eerst nog een baby. Begrijp je wat Ik bedoel? Je geeft toch een baby ook niet direkt brintapap of stamppot zuurkool of erwtensoep? Hij zou het alles zo weer uitspugen, want dat kan het maagje nog niet verdragen. Je begint altijd met melkvoeding en langzaam ga je verder op andere voeding. En hoe vaak gebeurt het niet dat de ander beslist geen behoefte heeft aan een geestelijk gesprek en wat doe je? Praten en nog eens praten. Proberen hem of haar los te krijgen op jou manier met jouw tactiek, Ik zou ze de kost niet graag geven, die alsmaar iemand mee proberen te krijgen naar één of andere samenkomst of kerk, waar die of die predikant of evangelist zo mooi spreekt. Kijk, zó kun je téveel zout in het eten doen, het eten, dat jij kookt, het eten dat jij je gezin voorschotelt, het eten dat jij daar brouwt in de geestelijke keuken van jou.”
“O, bedoelt U dat met teveel zout, o, dat.”
[Alle mensen ik moest er niet aan denken hoe ik met de zoutpot omging, hoe ondoordacht ik het zout gebruikte. Ja, ik strooide naar mijn gevoel zout op de aardappelen, naar mijn gevoel zout in de groente. Ik deed het op mijn gevoel en dat dat gevoel nou zo best was kon ik echt niet altijd zeggen]. En toen gingen mijn gedachten terug naar die keren dat iedereen naar het zoutvaatje vroeg, het eten was te flauw. Het zoutvaatje werd té vaak bij ons aan tafel gebruikt. Ineens hoorde ik Jetty weer klagen, “Mam, het eten is weer veel te zout vandaag.” Ik hoorde mij weer zeggen voor de zoveelste keer: “Jetty wanneer doe jij nu eens belijdenis?” “Wanneer ga je eens naar de predikant voor een gesprek? Wanneer Jetty? Je hebt de leeftijd.” Wat moest zij dat vaak van mij horen en Jetty was er innerlijk zo mee bezig, zei mijn man gisteren nog tegen me en ik…. ik maar strooien met zout. Jetty, oh Jetty. Dan dacht ik aan het bezoek bij onze nieuwe buren vorige week. Al gauw merkte ik dat zij niets van de kerk moesten hebben en wat deed ik? Praten, praten, juist over de kerk. Ik wilde ze er graag bij praten en wat heb ik bereikt? Het tegenovergestelde, ja juist het tegendeel en ik zag hoe hol mijn woorden waren geweest, zogenaamde geestelijke woorden maar zonder inhoud en duidelijk zag ik nu hoe verkeerd ik geweest was. [Zou de Heer dit van mij weten, zou Hij er wat van zeggen?] Maar de Heer ging gewoon verder alsof Hij niets wist en Hij zei: “Is het voedsel wat je koopt ook bespoten met gif of is het onbespoten, zo van het land, zuiver uit de natuur ontsproten? Wat koop je, onbespoten groente of bespoten, zodat je de kans loopt er geestelijk en lichamelijk aan kapot te gaan? Want jij haalt de boodschappen in huis, jij maakt het eten klaar, jij kookt het, jij zet het je gezin voor. Kies je je voedsel met zorg?” “Maar Heer”, zei ik: “Dat kan in deze tijd haast niet meer, en zoveel winkels zijn er niet die enkel goed voedsel verkopen. Het vergt zoveel tijd en het kost zoveel inspanning, voor een gezin is het haast geen doen.” [Ik zag me al] “Ja, ja,” sprak de Heer zacht voor zich heen: “Het is inderdaad in deze tijd moeilijk goed voedsel te krijgen, geestelijk voedsel. Lang niet iedere predikant of evangelist verstrekt het juiste voedsel, echte herders zijn schaars. De volle graankorrel uit het Woord van God, de Bijbel, dat alleen is gezond eten. Het kost veel of niet?” [Toen de Heer zo in Zichzelf sprak was het net of Hij niet meer zo blij was] en meteen ging Hij door; “Ja, ja, het kost zoveel hè? Het kost jou zoveel of niet?” [Ja, de Heer keek verdrietig en dat vond ik naar] “Vind je het moeilijk om al je fouten onder ogen te zien, fouten gemaakt in die keuken van jou? Zie je ze wel? Dat gepraat met Jetty? [dus wist Hij tóch mijn gedachten].

  • Het gesprek met de nieuwe buren?
  • Het kopen van de boodschappen?

Kortom, het omgaan met alle dingen in je geestelijke keuken? “Ja Heer, ik zie wat U ermee bedoelt, ik begrijp wat U me wilt leren, ik begrijp, wat ik verkeerd doe maar ik begin nog iets meer door te krijgen, want ik denk aan de kamer. “Heer,” zeg ik, “ik ga het veranderen, want weet U wat ik ook aan U overgegeven heb?

  • Het ontvangen of het afleggen van bezoek.
  • Het geld.
  • Mijn tijd.
  • Het hele terrein van ziek zijn
  • De radio.
  • De televisie.
  • De boeken.
  • De tijdschriften en ……

U hebt me beloofd dat U erbij zou helpen, nee, stil maar Heer ik weet dat het me veel gaat kosten, maar dat heb ik ervoor over, hier, hebt U mijn hele keuken met alles wat erbij hoort, heel het keukenterrein is nu van U, goed?”
Toen begon zijn gezicht weer te stralen, alle verdriet was eruit verdwenen, en de Heer zei lachend: “Wat ben jij spontaan, wat ben je nu echt, want je meent op dit moment alles wat je zegt, alleen… wéét je nog niet wat het inhoudt, maar dat geeft niet. Ik zal er voortaan bij zijn als je naar de keuken gaat, Ik help je met koken, Ik ben er bij als je boodschappen doet, Ik help je zelfs met het zout…”
En toen lachten we allebei.

AAN TAFEL

Jacobus 1:19
leder mens moet snel zijn om te horen, langzaam om te spreken langzaam tot toom.

Inmiddels zijn de kinderen thuis gekomen en m’n man ook. Dan gaan we aan tafel. Het wordt deze keer een maaltijd die ik niet licht vergeet. Eten met elkaar is voor ons een hoogtepunt van het gezinsleven. Dan komt het hele gezin bij elkaar en we besteden aandacht aan elkaar. Het is het gezelligste uurtje van de dag, tenminste zo kan het zijn. Aan tafel komt iedereen aan bod, aan tafel vertelt iedereen zijn of haar belevenissen, aan tafel komen de kinderen eerst echt los, aan tafel luistert mijn man naar de kinderen. Daar komen ook de kleine probleempjes ter sprake die ze op school hebben, maar die voor hen wel terdege grote problemen zijn. Ja, aan tafel proberen we die op te lossen en de kinderen raad te geven. Aan tafel komt bij ons van alles ter sprake. Maar wat leer ik deze maaltijd veel van de Heer. Hij zet me zacht terecht en wijst me op verschillende dingen, vooral op één ding. Steeds fluistert Hij in mijn oor: “Stil nou eens, praat toch niet zo veel, laat Joop eens uitpraten, luister toch eens naar Annie die….. ga eens in gedachten mee met Jetty die je wil vertellen dat…., zie je niet dat ze halverwege ophoudt jou iets te vertellen omdat je niet luistert? Hoor je wel goed wat je man daar zegt? Wat hij je probeert duidelijk te maken? Heb toch niet direkt een antwoord klaar, laat ze, ja geef ze de kans eens om zelf na te denken en al pratend zelf een oplossing te vinden, en leg nu de kinderen eens uit dat ze niet allemaal tegelijk kunnen praten, dat ze ook eens naar de anderen luisteren.”
Als ik Hem één moment aankijk, lees ik Zijn gedachten:” Hoe kunnen de kinderen luisteren naar de ander, als hun moeder geen voorbeeld geeft.” [Met verbazing constateer ik weken later dat onze houding ten opzichte van elkaar is veranderd; het is spontaner en gezelliger geworden in ons gezin.]
Ik word er stil van en ook blij. Dan schiet mij zomaar een tekst te binnen die ergens in de Bijbel staat: “Indien iemand Mijn stem hoort en de deur open doet, Ik zal maaltijd met hem houden en hij met Mij.” Is het dit? Ja, dit is het. Niet meer mijn eigen ik, maar de ander….

DE WAS

1 Joh. 1:17
En het bloed van Jezus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.

Joh. 15:3
Gij zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb.

Als de afwas klaar is loop ik meteen door naar de bijkeuken waar de wasautomaat staat. Door dat lange koffie-uurtje is de was er helemaal bij ingeschoten en als ik even terugkijk naar vanmorgen zie ik dat eigenlijk mijn hele dagschema al in de war is gekomen. Normaal zou ik…… ja, ik…… [Als je de Heer ook binnenlaat loopt alles anders]. Terwijl ik zo bezig ben het wasgoed te sorteren, staat Hij warempel weer naast me en ik schaam me een beetje, dat Hij daar bij m’n vuile wasgoed staat te kijken, maar Hij kijkt me aan vol interesse naar wat ik doe, en dan vraagt Hij zacht: ” Waarom was je eigenlijk? “. “Nou dat is logisch hè, om het vuile goed weer schoon te krijgen natuurlijk.” [zou de Heer dat niet weten?] Dan gaat Hij verder: “Heb je wel eens nagedacht waar dat vuile goed op lijkt, waarmee je het vergelijken kunt?” “Nee Heer, daar heb ik geen idee van”, zeg ik, terwijl ik de zeeppoeder in het bakje doe. Dan stel ik de knoppen in op de juiste stand en zeg:” Ziezo, dát kan draaien”. Zullen we nu samen wat doorpraten over de was? De machine draait wel door zònder jou. Dat vuile wasgoed, kun je vergelijken met het leven, want jouw leven heeft het zelfde nodig als de was, schoon, rein worden. Een vuile was kan zo wit worden als sneeuw. [Met bleekwater denk ik]. En zo’n proces is zeer ingrijpend, er komt heel wat aan te pas, want de was is zó vuil, daar heb je geen idee van. Het, is in de eerste plaats nodig dat je ziét dat die was vuil is en… Meteen val ik Hem in de rede: “maar Heer, dat zie je toch zo met het blote oog en…” Dan valt Hij mij in de rede:” Zie je ook dat jij zo vuil was, vuil tegenover God? Kijk, toen jij geboren werd, werd je in zonde geboren. Dat kwam door die val in het paradijs zo als ik je in het begin al vertelde. En iedereen die daarná geboren werd, was zondig van binnen en van buiten.
Weet je wel wat zonde precies betekent? Zonde betekent: Het doel missen, het doel voorbij schieten. Je weet toch wel wat het doel van je leven is? [Gelukkig verlangde Hij niet op alle vragen antwoord van me, want dat ik nu zo thuis ben in de bijbel kan ik ook weer niet zeggen] Het doel van je leven is:

  • God verheerlijken
  • God groot maken
  • God liefhebben

en andere mensen van Mij vertellen en op Mij wijzen. Kortom ik moet het middelpunt zijn in het leven van de mens. Ik ben zogezegd, de as waar alles om draait hier op aarde. En iedereen die Mij niet binnenlaat in zijn hart en leven, die schiet naast het doel. Weet je wat de Bijbel zegt, het klinkt hard maar het is de waarheid. In Joh. 3:18 daar staat: “Wie niet gelooft, is reeds veroordeeld”, dus met andere woorden, je kunt nog zo’n goed mens zijn die alles doet en noem maar op, maar voor God is hij of zij veroordeeld. Om niet veroordeeld te worden moet er ergens wat gebeuren, en van jullie kant kon er niets gebeuren. Jullie zijn vuil van binnen en van buiten, wees maar eerlijk. Er moest een weg geopend worden van Gods kant en daar zorgde Hij voor. Hij had ‘t al beloofd. Hij zag dat de mens steeds verder van Hem afdwaalde, steeds vuiler werd, al vindt je zelf ook van niet. Ja, er moest iets tot stand gebracht worden om de weg van de mens tot God weer open te maken en daar moest heel wat voor gebeuren, dat ging niet zo maar. Toen gaf God Zijn enige Zoon aan de wereld om d%#225t weer in het reine te brengen, om de schuld uit te wissen. Hij, Gods Zoon moest dit met bloed betalen. Ik was de eerste en de enige die door de grote wasmachine van God gedraaid moest worden. Ik werd geslingerd, gehaat, gefolterd, gesmaad en gehoond, gepijnigd en ten slotte volkomen door Mijn Vader alleengelaten, ook door de mensen, die wel in Mij geloofden. Maar dat Mijn God Mij in de diepste ellende, toen ik stervende was, alleen liet, was het allerergste. Het was verschrikkelijk, Mijn bloed, Mijn onschuldig bloed moest vloeien als genoegdoening voor de zonden van de mens tegenover God, juist omdat Ik onschuldig was en volkomen de wil van Mijn Vader deed kon Ik de zonden op Mijn schouders dragen en zo de genoegdoening van Mijn Vader vervullen, er was téveel gebeurd, satan had te veel kapot gemaakt in de mens en op de wereld. Het moest God zelf iets kosten en dat werd het bloed van Zijn eigen Zoon. Je weet toch wel dat het hele Oude Testament een heenwijzing is naar Mij? Dat voor de zonden die de mensen gedaan hadden dieren geslacht moesten worden als genoegdoening voor die zonden? Dat God Zelf bloedoffer ingesteld heeft? Dat na de zondeval de mens zich kleren maakte van vijgebladeren? Dat God Zelf hen klederen maakte van vellen. Dus God Zelf slachtte het eerste dier en geloof maar dat Hij dat erg vond om een onschuldig dier te moeten opofferen voor de zonde die de mens begaan had. Zou het niet zo zijn dat God wilde dat de mensen elke keer dat zij een onschuldig dier moesten slachten zagen, hoe erg het was te zondigen? Hoe erg het was dat zij ongehoorzaam geweest waren? Dat God, totdat ik kwam, een dier nam en dat als slachtoffer instelde? Ik, Christus, was dit onschuldig Lam, waarop de mensheid wachtte. Ik stond achter het plan van Mijn Vader om de mensen te redden uit de klauwen van de satan. Daar in de dood en de duisternis pakte God Mijn hand en gaf Mij Nieuw Leven. Daar aan het kruis toen ik stierf overwon ik de macht van satan. Ik was de eersteling uit de doden en vanaf dat moment was het bloedoffer waarbij een dier werd geslacht verleden tijd, vanaf dat moment kon ieder die vergeving van zonden vroeg bij God, die krijgen…. door Mijn bloed…. vanaf dat moment was Ik in de plaats getreden voor al de bloedoffers uit het Oude Testament.
Ik ben voor eens en voor altijd geofferd voor de zonden uit het verleden en…………………………………………..
Zie je nu dat ieder mens schuldig staat tegenover God als je Mij niet wilt kennen? Zie je nu hoeveel schuld je hebt tegenover God als je Mij niet binnenlaat? Zie je nu dat ik alleen, je redden kan? En nu mag je de eerste regel eens lezen van Joh. 3:18, waar staat: Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld. Dat gebeurt er als je Mij binnenlaat.
En nu ik voor jou de weg tot Mijn Vader opnieuw geopend heb, heb jij deel aan Mijn sterven en opstanding. Dan moet jij ook door de wasmachine gaan, maar niet door welke Ik ben gegaan. Ik heb de zonde weggedragen van de zondeval, maar jij moet gewassen worden van de zonde, die je nu nog steeds weer opnieuw doet. En daarom moet je telkens gewassen worden door Mijn bloed, Begrijp je? Dat bedoelde Ik met die…………..
Ik ben voor eens en voor altijd geofferd voor de zonden uit het verleden en Mijn bloed heeft tegelijk gevloeid voor de zonden die je nog weer begaat. Ik zal het nog duidelijker zeggen. Nu je Mij hebt binnengelaten ben je van binnen in je hart rein en nu moet je nog leren van buiten schoon te worden. Daarom moet je telkens gewassen worden om bevrijd te worden van….

  • je slechte gewoontes
  • je onhebbelijkheden
  • je eigen ik dat je nog parten speelt
  • je kleine leugentjes
  • het veroordelen, dat je nog steeds weer doet.
  • Want een kind van God hoort van buiten net zo schoon te zijn als van binnen, begrijp je?

Dat proces van één wasbeurt kan soms al veel teweeg brengen in je leven. Maar het is vaak moeilijk die vuile was in één enkele keer schoon te krijgen. Daarom moet Ik bij wijze van spreken bleekwater gebruiken, [Hij glimlachte] omdat sommige vlekken er diep ingeworteld zitten. Weet je wat ook één van die vlekken kan zijn? Jouw onwil; de onwil om de vuile was aan Mij over te geven, je onwil om je aan deze wasbeurt te onderwerpen. Ja, de onwil; is vaak één van de diepste wortels waarmee de mens zich vast klampt aan zijn vuile bestaan. Die wortel moet eruit. Jij moet op Mij gaan lijken, jij mag in Mijn voetsporen wandelen, lees 1 Petrus 2:21 maar eens, jij mag leven zoals Ik leef. En bij de wasbeurt die jij krijgt, ben je nooit alleen, zoals Ik dat was. Ik ben bij je, Ik help je en ondersteun je, Ik draag je…… als jij maar wilt.

Na de was moet er nog gestreken worden, want het goed zit nog vol plooitjes, die eruit moeten, wil de was netjes worden. Die behandeling is niet altijd prettig, het kan pijn doen, branden, maar als die plooien weggestreken zijn, dan sta je daar voor Mij, gewassen, gereinigd, stralend zonder vlek of rimpel, [Wat had Hij zelf een stralend gezicht, het was of ik in de zon keek, het verblindde me bijna maar Zijn warmte verwarmde mij]. En nu aan het eind wil Ik je het voornaamste vertellen, dat wat vooraf moet gaan aan elke wasbeurt en Ik denk dat je het allang begrepen hebt. Als je weer iets gedaan hebt dat niet hoorde bij dit nieuwe leven, dan moet je het belijden aan Mij, zeggen dat het je spijt, dat het je wéér is overkomen. Je moet het met je hart belijden, maar daarna bewust met je tong. Dit klinkt je misschien vreemd in de oren, maar soms denken de mensen dat het al genoeg is dat ze spijt hebben in hun denken. Openlijk om vergeving vragen kost wat. Het kost elke keer een stukje van jezelf. Ik zal het je op een andere manier zeggen.
Zoals een kind dat een vlekje gemorst heeft op haar nieuwe jurkje en meteen hard naar haar moeder holt en zegt: “Oh, mam, ik heb gemorst, wil je het direkt schoonmaken”? Zo kan jij ook onmiddellijk naar Mij toegaan met elke kleine en grote zonde die je gedaan hebt. Maar dat terugkomen en het zeggen is wel het moeilijkste voor elk mensenkind; erkennen dat je fout was.” Toen zweeg Jezus en ik …

  • Ik was zó verslagen
  • Ik zag nu pas mezelf
  • ik zag nu hoe vuil ik was in heel veel dingen in mijn leven,

het begon tot me door te dringen, wie en wat ik was en…en … ik had er geen woorden voor, wat een toestand in mijn kleine leventje. En op dat moment liet in mân tranen de vrije loop, maar op dát moment keek Hij me aan, Hij keek neer op dat kleine vuile hoopje mens. Toen pakte Hij mijn hand en zei: “Kijk Me eens aan”. Door mijn tranen keek ik Hem aan. Hij vroeg:

  • “Wil je je zonden belijden?
  • Wil je ze uitspreken?
  • Wil je ze laten wassen en reinigen door Mij?
  • Wil je, dat Ik daarna het strijkijzer hanteer?
  • Wil je, dat Ik je help?

Toen droogde Hij m’n tranen en keek vol liefde uitnodigend aan , zodat ik alleen maar knikken kon van ja. Hij zei: “Kom maar. Mijn bloed heeft je gereinigd. Ik help je wel, Ik ben altijd bij je en altijd aan jouw zij, kom maar.” Toen zei ik:

  • “vergeef mij Heer, dat ik zó vuil ben
  • dat ik … gedaan heb
  • dat ik gedaan heb
  • dat ik … gedaan heb

hier ben ik, ik wil mij laten wassen door U”.

Nooit had ik kunnen denken dat er zo’n verborgen les school in “de was doen”.

DE SLAAPKAMER

Pred. 4:12
Een drievoudig snoer wordt niet spoedig verbroken.

Aan het einde van deze dag kijk ik toch met blijdschap terug op het moment dat ik zei: “Ja, kom binnen Heer”.
Maar wat kan één zo’n dag in een mensenleven soms maanden of zelfs jaren duren. Moe en toch voldaan speelt de gedachte door me heen: Fijn dat ik Hem nu in heel mijn huis heb binnengelaten. De kamer, zelfs de keuken en daarna de bijkeuken, waar de wasmachine staat, die was, die vuile was, alles is nu van Hem. Alles en daar ben ik blij mee. Mijn hele huis is nu van Hem”. Ja, dat dácht ik.
Als we tegen elven in bed liggen [de Heer heb ik de logeerkamer gewezen] denk ik nog zo na over alles wat Hij me geleerd heeft, hoeveel geduld Hij met me heeft en met hoeveel liefde Hij me….. Langzaam gaat de deur van de slaapkamer open, Hij komt binnen en zegt: “Mag Ik even op de rand van je bed gaan zitten dan praten we nog wat verder.” [Sjonge denk ik, wat valt nier nog te praten, eerlijk gezegd gaat me dit toch een beetje te ver, de slaapkamer is toch privé, of niet soms] maar Hij zegt gewoon:
‘Weet je, dat Ik ook in de slaapkamer moet zijn bij jou?
Dat Ik daar juist moet zijn, juist daar, om dat daar zich de twee voornaamste, de twee grootste dingen in het huwelijksleven afspelen? Het eerste van de twee is wel, het gebedsleven. Het gebedsleven van jou en je man samen, want het gebed is juist de basis van het geheim van een gelukkig huwelijksleven.” [in gedachte durfde ik mijn man niet eens aan te kijken, bidden … samen bidden?] En toen leerde de Heer mij hoe ik moest bidden

  • samen met mijn man
  • samen met mijn kinderen.

Ja, Hij leerde me hoe noodzakelijk dit gebedsleven ook is voor mijn kinderen. Hij leerde me hoe we samen die krachtbron aan konden boren voor al de gebeurtenissen van de dag, op alle terreinen van het leven, voor alle moeilijkheden in mijn gezin. Hij leerde me zien hoe ik via het gebed met mijn hele gezin regelrecht voor de troon van God kon staan. Hij leerde me hoe ik met mijn man mee kon bidden. Hij leerde me hoe ik kon danken met de kinderen. Ja, Hij leerde hoe we samen konden loven en prijzen. Hij leerde me de verborgen, intieme omgang met God. “Heb ik al gezegd dat dit een geschenk is dat ieder opnieuw geboren kind krijgt, ” zei Jezus? Je mag het gebruiken, het voor je hele gezin gebruiken…. maar de praktijk…. de praktijk komt nog.” [Jaren later besefte ik dat dit wel de moeilijkste les was die beoefend moest worden.] Het werd een poosje stil tussen ons twee%#235n en langzaam aan werd ik nieuwsgierig naar het andere voorname punt van het huwelijksleven dat zich in de slaapkamer afspeelt, en alsof Hij mijn gedachten raadde ging Jezus verder: “En nu het tweede punt.
Hoe zit het eigenlijk met het sexuele leven tussen jullie beiden?”
Het was of er een bom ontplofte in mij, “Heer” riep ik uit: Overal in mijn huis, mag U komen, maar… ‘t sexuele leven, dát kunnen we samen wel af, daar hebben we echt niemand bij nodig”. [Wat was ik begonnen om Hem binnen te laten] De Heer zei niets meer, ik ook niet. In gedachten rolt als het ware een film terug. Helemaal terug naar onze heerlijke huwelijksnacht. Nou, “heerlijke”? Wat een teleurstelling over dit “spel”. Wat een onoverkomelijk schaamtegevoel had ik. Wat wilde mijn man toch meer dan ik? Wat ving hij me slecht op in mijn ogen en ik dacht eraan dat het nou bepaald niet zoân succesnacht was geweest. Wat is er veel afgepraat tussen ons beiden met onze intiemste vrienden, wat hebben we er een boeken op na gelezen. Naar mate we langer getrouwd waren gingen langzaam de scherpe puntjes eraf, de scherpe puntjes van een streven naar een hoogtepunt dat niet kwam. Als ik denk aan de moeilijkheden bij onze kennissen Jan en Ria. Nou dat loog er niet om. En met schrik zie ik ineens waarom Henk en Jolande gingen scheiden, omdat Jolande van dit “spel” niets moest hebben. En bij Judith? Was Daan wel normaal? Daan, die er innerlijk een afschuw van had?
Wat hebben we daar samen een gesprekken over gehad, gesprekken waar we niet uitkwamen. En ik wist dat ik het niet alleen afkon. Dat ik er hulp bij nodig had, dat iemand mij de weg moest wijzen om uit deze problemen te komen.

Maar dat kon ik de Heer Jezus toch niet zeggen, dat was te gek. Dan draait de film vanzelf nog verder terug, tot in m’n tienertijd. Een volwassen man wilde iets van me dat ik toen nog niet begreep. Ik zie me volkomen in de war weghollen naar huis naar mijn moeder, die me toen opving en ‘s middags heel “ongewoon” met me ging wandelen. Ik zie nog die angst in haar ogen, want ze wist op dat moment nog niet, dat er nog niets onherstelbaars was gebeurd. En ze praatte, ze praatte me met haar liefde los. Wat hebben we die middag fijn doorgepraat, wat ben ik die middag ineens een stuk volwassener geworden. Maar de vraag bleef bij me, waarom zijn sommige mannen zo? Waarom was het toch niet zó rein en mooi, zoals mijn moeder het me vertelde? En ik zag duidelijk nog een ander knelpunt in mijn tienerjaren. Wat snakte ik naar iemand van m’n eigen leeftijd waar ik er ook mee over praten kon, één die er net zo over dacht als ik, die deze dingen zag als een geschenk van God, waar we rein mee om moesten springen, maar het leek wel of ik op school de enige was die er zo over dacht, of…. durfden de anderen er niet voor uit te komen? En duidelijk zag ik dat ik op dit punt tegenover m’n eigen kinderen tekort schoot.
Ik was begonnen met: “Heer, dit kunnen we alleen wel af.”
En nu … ? Wat een chaos in mijn gedachtenwereld. En de Heer? Hij zweeg nog steeds. Hij gaf me de tijd om eerlijk te worden tegenover me zelf, tegenover Hem, tijd, om ook het sexuele terrein van m’n leven over te geven aan Hem. Mensen, mensen, wat kan het soms tijden duren voordat je dát gedaan hebt.
Dan begint de Heer te praten, “Waarom vertel je Mij niet al je problemen op dit gebied? Waarom leg je dit intiemste van jullie beiden, het grote geheim van eenheid niet aan Mij voor? Waarom overleggen jullie zonder Mij met elkaar of er nog een baby bij moet komen? Als je het tenminste nog met elkaar overlegt waarom vraag je Mij niet eerst of het wel verantwoord is als er een vierde baby bij komt? Zie je nu dat hier de twee voornaamste dingen uit het huwelijksleven bij elkaar komen? Dat deze twee lijnen elkaar hier kruisen? Dat gebed en het sexuele leven in het huwelijk onafscheidelijk aan elkaar verbonden zijn?” Zo zaten we tot diep in de nacht te praten. En Hij wees me de terecht op dat punt waar ik het fout deed. Weet je waar de grootste fout bij mij zat? Dat ik niet met de moeilijkheden bij Hem gekomen was, alles zou dan anders gelopen zijn. En voor de zoveelste keer in mân leven moest ik leren zeggen:

“Ja, kom binnen Heer, ook in de slaapkamer.”

STILLE TIJD

Mattheüs 6:33
Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid ……..

De volgende morgen als ik wakker wordt, weet ik het ineens weer, de Heer logeert hier. Nee ‘t is toch geen logeren. Hij brengt geen bezoek, Hij blijft, Hij wil hier in m’n huis wonen, en dat is wat zeg. Ik ben benieuwd wat deze dag me brengen zal “met Hem”. Als de kinderen naar school zijn en m’n man naar de fabriek is, begin ik eerst alles op te ruimen en dan vraagt de Heer heel gewoon: “Houd je geen stille tijd? Stille tijd? “Wat is dat Heer? Nooit van stilIe tijd gehoord?” “Dat is de dag beginnen met God. Jé kunt eerst een stukje uit de Bijbel lezen en er dan even over nadenken, nadenken of het gedeelte dat je gelezen hebt je iets te zeggen heeft of het je persoonlijk voor deze dag iets wil leren, of je het op jezelf toepassen kunt, kortom je vraagt je af, wat wil God je leren in dit Bijbelgedeelte. Ga erom bidden, vraag God wat Hij wil dat je ziet en doet vandaag, of Hij je helpen wil om bepaalde dingen los te laten, die je nog zo vast houdt. Vraag elke morgen of Hij je weer wil wassen en reinigen door Mijn bloed. Vertel Hem, wat je je verkeerd gedaan hebt, zeg het Hem open en eerlijk. Leer hardop te bidden, hardop praten, want je weet toch wel dat bidden, praten met God is? Leer al je gevoelens en twijfels uit te spreken en leer ook te luisteren naar Hem. Vraag inzicht in wat je niet begrijpt. Ook kun je bijvoorbeeld in je stille tijd er een boek bijnemen, een boek dat uitleg geeft over een bepaald gedeelte uit de Bijbel, of een boek over het gebed. Lees er iedere morgen een hoofdstuk uit en leg de Bijbel ernaast. De inhoud van het boek moet altijd zo zijn dat de Heer uit de Bijbel er groter door wordt. Als je een boek leest, naast of in je stille tijd moet het een “goed” boek zijn. Nee, stil maar, Ik weet wat je zeggen wilt: dat je niet altijd weet of het een goed boek is, hé?

  • Nou, een goed boek moet altijd Hem groot maken
  • een goed boek moet jou dichter bij Hem brengen
  • het moet Hem in het middelpunt plaatsen en de liefde
  • tot Hem en tot je naaste moet er centraal in staan.

Het boek moet altijd een wegwijzer naar de Bijbel, naar Mij zijn. Maar als je in je stille tijd een boek over het gebed leest en daar zijn dâr wat, onthoud dan één ding, een boek lézen over het gebed is fijn, maar een eigen gebedsleven te kénnen is het allerbelangrijkste.
Weet je wat ook zo fijn werkt, schrijf eens de dingen op die je in het gebed, want je bent ze zo weer vergeten. Schrijf ook de personen op waarvoor je bidt en hun moeilijkheden. Schrijf alle kleine dingen op die je aan de Heer vraagt. Wanneer de Heer ze verhoord heeft, schrap ze dan door en vergeet niet ervoor te danken. Zie je, zo ontstaat er een gebedslijstje, zo groeit de relatie tussen jou en je Hemelse Vader.” Vol verbazing luisterde ik.
“Maar Heer dan ben ik wel een uur van mân tijd kwijt en alle werk ligt te wachten”! [Zou Hij dat niet weten] Hij glimlacht, zoals ik wel eens glimlach tegen één van de kinderen Als ze iets zeggen wat ze nog niet begrijpen. Zo kijkt Hij me nu aan en zegt: “Je hoeft niet te beginnen met een uur en ook hoef je dit niet persé op een morgen te doen. Hoewel? Îs Morgens dan ben je het meest fit. Maar begin gerust eerst eens met tien minuten per dag. Je moet het leren en je zult ontdekken dat je er op het laatst niet meer buiten kunt. Je verlangt naar dat “stille uurtje” met Hem alleen. En de tijd? Die haal je er dubbel en dwars weer uit, want de tijd is niet meer van jezelf, het is toch Mijn tijd geworden?” [Daar had ik helemaal niet meer aan gedacht, ja, mijn tijd is Zijn tijd geworden.]

Zoek eerst Zijn Koninkrijk en …. .

Een relatie opbouwen, dat moet groeien, dat kost tijd.
Langzaam begin ik te begrijpen wat het inhoudt en wie deze Heer is.

Ja, groeien in Hem…… maar, wat kan “groeien” langzaam gaan.

DE KASTEN

Ef. 4:14
Dan zijn wij niet meer onmondig, op en neder, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer…….

In de loop van de dag vestigt de Heer mijn aandacht op mijn kast. “Weet je dat ik nog niet in je kast gekeken heb?,” zegt de Heer. “Ach Heer” roep ik uit “daar vindt U niets!” [Daar moet ik Hem niet in hebben denk ik, want als ik de deur opendoe valt me de hele boel naar mijn oren] Als ik zonder erg later iets uit de kast haal staatde Heer opeens weer naast me en dan ziet Hij die…. wanordelijke inhoud. Maar als je nu denkt dat Hij begint te mopperen op mij, dan heb je het mis. Nee hoor, vol liefde begint Hij me opnieuw een les te leren, en zegt: “Weet je, dat wanorde niet hoort bij een opnieuw geboren kind van Mij?

Kijk, jij moet ook leren je geestelijk leven op orde te hebben. Gewoon netheid hoort er ook bij. Als je iets nodig hebt, moet je het zo kunnen pakken. Je moet niet steeds tijd kwijt zijn om te zoeken. Zorg ook als de ander iets van jou wil lenen, ik noem maar een inleiding die jij gemaakt hebt, adressen die ze jou doorgegeven hebben, notulen die je bewaren moet, dat de ander ze zo uit je hand aan kan pakken, zonder dat jij eerst alles overhoop moet halen, omdat je die dingen niet kunt vinden. Leg alles bij elkaar, inleidingen,alles van de vrouwengroep, alles van de zang, draag zorg voor deze dingen. Je legt toch ook de lakens bij de lakens en de theedoeken op de theedoeken?
Zo is het met geestelijk werk ook. Doe je dit niet dan maak je brokken en wat zijn er op dit terrein al een brokken gemaakt.Zal ik je eens een voorbeeld noemen?Iemand die “goede” boeken leest en weer een boek koopt, dat uitleent zonder het zelf gelezen te hebben, kan brokken maken. Het zelfde geldt als een vriendin je vertelt: “Dat is nou een goed boek” en je geeft het meteen door aan een ander en zegt er nog bij: “Nou, dát is me een boek zeg!” Want je zegt dan gewoon iets, wat de ander jou verteld heeft en dan… kunnen er brokken van komen. De ander verdraagt niet altijd dezelfde kost als jij. Voel je wat ik bedoel?

Dan een ander punt waar Christenen soms slordig mee om gaan. Er is iemand die je kent ziek. Je neemt je voor erheen te gaan, het liefst deze week nog. Maar deze week ben je net zo druk met de schoonmaak en je stelt het uit. De volgende week moeten net de kinderen de zomerkleren weer aan en….. er komt niets van. De volgende dagvertelt je buurvrouw Mevrouw……….. is gisteren naar het ziekenhuis gebracht, ze is er slecht aan toe zeggen ze. Je beschuldigt je zelf dat je niet gegaan bent en je ziet voor de zoveelste maal in je leven dat je niet gegaan bent en je ziet voor de zoveelste maal in je leven dat het waar is, van uitstel komt afstel. Wat neem je vaak voor om naar Mevr. te gaan ze is zo eenzaam nadat haar man gestorven is, telkens denk je, even bij haar binnen wippen, maar …..uitstellen…. afschuiven…je bent zo druk…. nee, je geestelijke kast is niet op orde, begrijp je Me?
Dan zit je in de kerk of op een wijkavond, je hoort er over een Bijbelkring praten en je wilt er beslist naar toe, je besluit te gaan. De week daarop kom je tot de ontdekking dat je geen tijd hebt en je zegt: Volgend seizoen dan ga ik beslist. Wat een wanorde eigelijk.
Op een avond komt er iemand vragen of je mee wilt doen in het kerkenwerk, en die lieve man krijgt alleen maar te horen, hóe graag je zou willen, maar je huishouding en de kinderen, en…en…. hij gaat naar huis zonder een medewerkster, alleen wetend welke drukke bezigheden jou verhinderen om mee te werken.

“Je geestelijke kast is niet op orde.”
“Begrijp je wat ik bedoel”, zei de Heer.

Beschaamd stond ik daar voor m’n kast te kijken, en ik begreep wat de Heer bedoelde, ik stelde altijd alles uit met alle gevolgen van dien. Dat ik de geestelijke zaken op orde had kon ik beslist niet zeggen.

Het kan soms jaren duren in je leven voor je door hebt welke schade je…..jezelf en anderen aangedaan hebt, doordat je in geestelijk opzicht verzuimde orde op zaken te stellen.

DE VOORRAADKAST

Joh. 19:30 Het is volbracht.

“Nu we toch zo bezig zijn met die kast van je, wil ik je vragen of je ook een provisiekast hebt, Ik bedoel een kast waar je je boodschappen in weg legt die je niet direct nodig hebt.” Ook ik had een voorraad, een voorraad die er zijn mocht. Het was een stukje van mijn huishouding waar ik trots op was. Ik koesterde het bij wijze van spreken. Daar moest ook niet één van de gezinsleden in komen, want dan was Leiden in last. Ik greep niet vaak mis,

  • ik had een doos met zeepprodukten
  • ik had een blik met koffie
  • ik had een hele plank met blikken
  • ik had een plank voor het flessenwerk, zo noemde ik dat.

Ik had, ja, ik had die voorraad van mij prima voor elkaar. Toen we er samen voor stonden zei de Heer: “Fijn, keurig, dat je deze kast zo op orde hebt, dat je zorg draagt dat er een voorraad in huis is, als er momenten zijn dat je ze nodig hebt”. [Ik groeide van trots] “Weet je ook wat ik nu graag zou willen?” zei de Heer toen. “Dat je een geestelijke voorraadkast had, want dat is wel zo noodzakelijk voor een kind van Mij.” [Het leek net of Hij voorzichtiger ging praten] “Maar wat kan je daar nu toch in hebben,’ vroeg ik met verbazing? “Weet je, je zult ontdekken dat er ogenblikken in je leven komen, ook nu, in dit nieuwe leven,

  • dat je het niet meer ziet zitten
  • dat de Bijbel je niets meer zegt
  • dat je het gevoel hebt, dat de stille tijd je niets meer zegt
  • dat je het gevoel hebt helemaal leeg te zijn
  • dat je niets meer van je geloof voelt
  • dat je niets meer in je geloofsleven ervaart
  • dat je geloofsleven en je ervaring met Hem op zijn, zo voel je het.

En dat lege gevoel moet weer opgevuld worden. Ga dan naar de voorraadkast en laat je weer bijvullen, tank opnieuw, zodat je het weer ziet zitten, zodat je de Bijbel weer gaat lezen, zodat je weer stille tijd houdt. Maar pas op voor het gevoel en de ervaring. Want vaak als je het niet meer ziet zitten in het geloof heb je alleen op gevoel en ervaring met de Heer gelet en dat heeft je op een dwaalspoor gebracht. Daar kom ik straks nog even op terug, want te voelen Hem helemaal toe te behoren is fijn en te ervaren hoe Hij je leidt en helpt, is ook een heerlijkheid,” maar…. Hij zweeg, en keek me aan en zag dat ik er niets van begreep. “Ja, nu ben Ik té moeilijk hè? Zal ik eens proberen het anders uit te leggen, meet een voorbeeld?” “Ja graag” [want ik was nog steeds benieuwd wat er nu in die geestelijke voorraadkist moest liggen.]
“In die kast ligt…, zo ging de Heer verder:

  • de zekerheid
  • de geloofszekerheid in
  • het FEIT
  • het volbrachte FEIT

weet je,

  • het is een feit dat Jezus Christus de Zoon van God is,
  • het is een feit dat Hij aan het kruis gestorven is
  • het is een feit dat dat jij nu door Hem voor de troon van God mag staan
  • het is een feit dat Hij de dood heeft overwonnen
  • het is een feit dat Hij satan verslagen heeft
  • het is een feit dat er door jouw zonden een grote bloedstreep, Zijn bloedstreep is gehaald.

Dit feit hoort in jouw voorraadkast te liggen, en of je het nu niet meer ziet zitten, of de Bijbel niet meer kunt lezen naar jouw gevoel, of je ervaart niets meer met Mij, al deze dingen maken niets uit, van jouw kant bezien, want…..

het is een feit dat Ik de Zoon van God ben en
aan het kruis gestorven voor jouw zonden,
de dood en satan heb overwonnen.
DAT IS EEN FEIT.

En nu zal Ik je vertellen waarom Ik je daarnet zei dat je moest oppassen, in DIE situatie op gevoel en ervaring te letten. Daar heb ik een mooi voorbeeld van zodat je het beter begrijpt.
Er lopen drie mannen over de rand van een smalle muur. De eerste heet feit, de tweede heet geloof en de derde heet gevoel en ervaring. Feit loopt voorop, daarna volgt geloof en als laatste komt gevoel en ervaring. Als geloof nu maar recht achter feit aanloopt, gebeurt er niets, maar kijkt geloof achterom naar gevoel en ervaring dan valt hij van de muur. Geloof moet steeds naar feit kijken, steeds achter hem aangaan, dan zit het wel goed. Zie je nu dat feit in die voorraadkast van jou moet liggen? Begrijp je dat, wat er ook in je geloofsleven gebeurt, je dan altijd kunt putten uit de feiten die gebeurd zijn.
Kijk dan niet achterom, waar gevoel en ervaring gebleven zijn, die helpen je dan niet. Alleen het feit zal je erdoor helpen en dat mag je geloven.
En wie is die man die voorop loopt over die muur, denk je? Wie is dat Feit?” “U Heer, U” “Ja, zorg dan dat je Mijn heilsfeiten als het ware in voorraad hebt liggen.

Maar dan wil ik je nu wel bij zeggen, dat het voor de situatie geldt als je niets meer hebt. Want als alles in het geloofsleven normaal is, horen het gevoel en de ervaring er wel degelijk bij. Sommige mensen en zelfs predikanten zeggen altijd, pas op voor ‘t gevoel, pas op voor de ervaring maar ik zeg je pas op voor diegene die dát zegt. In het huwelijk is het toch ook niet zo dat alleen het feit dat je getrouwd bent voldoende garantie geeft voor een echt gelukkig huwelijk? Daar komt wel terdege het gevoel bij te pas en beslist wel de ervaring waar je iedere keer op terug grijpen kunt.
Het is fijn dat je terug kunt kijken naar dat moment dat je man je iets gaf dat hem zelf iets kostte. Ik bedoel niet met geld, dat begrijp je wel.Het is fijn dat je aan de lijve ervaart hoe je man van je houdt, of niet? Een goed huwelijk, zoals Ik dat bedoel, zal steunen op drie dingen samen: feit, geloof en ervaring. Maar pas als de laatste twee verstek laten gaan, dan is het een noodsituatie, dan moet je naar je voorraadkast. Kijk naar het Feit en dat Feit zal je er weer doorhalen zodat deze drie delen weer één worden. Weet je wat er op de tweede plank van je voorraadkast kan liggen? Wat je geweldig kan helpen als je Feit teruggevonden hebt?
Wat je kan helpen

  • als je midden in de storm van het leven zit,
  • als je midden in de zorgen het niet meer ziet zitten
  • als je denkt dat je arm bent en alleen

Dan pak je van de tweede plank al je zegeningen en die ga je tellen één voor één. Dan zul je verwonderd staan kijken, dat Hij je nooit alleen liet in je zorgen. Je staat verwonderd stil bij al die gaven van de Heer in je leven. En je ontdekt weer opnieuw hoe rijk je bent “in Hem”, hoe rijk je bent dat je Hem in je leven hebt binnengelaten.
Hoe je dankbaar kunt zijn voor alle zegeingen die de Heer je gaf. Dat ligt op de tweede plank van je kast.
Dan op de derde plank, de laatste plank ligt nog iets als je in een fase bent dat alles duister om je heen is en alle blijdschap weg is.
Waar is die blijdscahp? Zoek die eens op en duik weer in die voorraadkast van je, daar op de derde plank ligt…. dát stukje blijheid wat het laatst bij je was. Als je niets meer voelt en ervaart en je hebt naar het feit gekeken, zoek dan je blijheid weer op. Dit kun je doen door eens even helemaal terug te gaan in je gedachtenleven en eens na te denken: “Wanneer was ik voor het laatst blij”? Weet je het, heb je het gevonden, probeer er dan achter te komen, waarom die blijdschap verdwenen is. Wat er is tussen gekomen, tussen jou en Mij?
Wie heb je ertussen laten komen?
Of heb je iets gedaan zónder Mij. Ging daarom alles mis?
Ging je alleen aan de wandel met alle gevolgen van dien? Ja, als je zó teruggaat naar je voorraadkast, kan het je er weer bovenuit tillen, want dan vind je er Mij, de Heer van je leven. Wat een rijke kast, vind je niet?

En als laatste zou ik je willen zeggen en dit geldt voor beide kasten leer je kinderen van jongs af aan de kast op orde te hebben. Hoe jonger je ze het leert, hoe beter het is. En …..een goed voorbeeld doet goed volgen.”

Wat heb ik een tijd nodig gehad om mijn voorraadkast op de juiste manier gevuld te hebben.

De Buitenboel

1 Joh. 1:9
Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.

2Cor. 3:3
daar gij toont een brief van Christus te zijn.

‘t Kwam eigelijk allemaal doordat het gisteren zo geregend had. Vandaag scheen de zon met zijn warme stralenbundels door de ramen de kamer binnen en je kunt al wel raden met welk resultaat. Nu kun je met goed fatsoen niet meer naar buiten kijken, het is net of de regen kleine zandwolkjes op de ramen heeft achtergelaten. Ik begin eerst aan de binnenkant te zemen en daarna ga ik meteen de hele buitenboel er achteraan doen. Het is nu zulk prachtig weer denk ik.
Toen ik zo bezig was met het zemen van de ramen, kwam de Heer erbij staan, en vroeg: “Doe je ze van buiten ook”?
“Ja natuurlijk Heer” antwoordde ik. “Maar eerst de binnenkant en dan de buitenkant, dan kan ik er straks weer helder door naar binnen kijken”. “Ja, ja” zei de Heer bedachtzaam, “eerst de binnenkant en dan de buitenkant, dat is de goede volgorde” en Hij vervolgde “Ja, je vindt het wel prettig om goed naar buiten te kunnen zien hè”. [Wat kon Hij toch vreemde vragen stellen].Wat dacht U, het hoort gewoon bij het huisvrouw zijn dat je dat plezierig vindt. Daarna vroeg de Heer: “Vind jij het ook plezierig dat een ander bij jou naar binnen kijkt?” [Nou op die vraag had ik niet gerekend, en even stond ik met mijn mond vol tanden, wat niet vaak bij me voorkomt.] En ik begon na te denken…..
Nee, als ik eerlijk tegen mezelf was, dan vond ik het niet fijn als iemand zo maar door de ramen naar binnen keek. Ik vond het eigelijk ongepast dat iemand dat zou doen, naar binnen gluren. Ja, daar had ik het, gluren was het woord. Als iemand iets van me wilde, kon die gewoon door de deur naar binnen komen en fatsoenlijk vragen naar iets. Nee, gluren vond ik ongemanierd. [Als de Heer dat normaal vond nou dan wist ik het niet meer] Ik dacht verder…. ik kwam op de gedacht om grotere bloemen op de vensterbank te kopen, bloemen met groot blad. Ja, dát zou ik gaan doen, dan kon niemand meer naar binnen gluren bij mij. Ik zou géwoon zorgen dat het hele raam dicht kwam met planten. Had ik dát even mooi bedacht en… en… ik zou…
” Waarom wind je je toch zo op” sprak de Heer zacht. [Wat schoot Hij precies in de roos bij mij, Hij kon gewoon gedachten lezen, en dat ik dáár nu zo blij om was, kon ik bepaald niet zeggen.] Terwijl Hij me glimlachend aankeek ging de Heer verder: “Wil je je eigen uitzicht soms ook belemmeren? Die hele ramenzemerij is toe te passen op je hart, je huis, je geestelijk leven”. Daar had ik zelf nooit aan gedacht. En m’n opgewondenheid ebde langzaam weg, ik kreeg de tijd om er over na te denken. En ik begon na te denken. Wat bedoelde de Heer met m’n geestelijk raam? Moesten de mensen werkelijk binnen in mijn geestelijke leven kunnen kijken? Moest ik dát toestaan? Ja, ik vond het wel fijn om bij de ander naar binnen te kijken. Ja, bij de ander wel. Ik wilde wel graag wetenhoe het bij Jannie geestelijk reilde en zeilde. Ik wilde wel graag zien hoe Jolande het geestelijk fikste na haar scheiding. En Leo, wat zou ik bij hem binnen graag een kijkje nemen. Opeens was ik er niet meer zo zeker van of ik de ramen van binnen en van buiten wel zo schoon wilde hebben, zo glanzend schoon en ik wist dat ik ze voorlopig niet meer ging zemen. “Als je dat ramen zemen eens aan Mij overgaf” sprak de Heer zacht voor Zich heen en keek me daarbij toch aan. “Ja Heer stamelde ik, daar had ik nog niet aan gedacht”. Maar weet u Heer, het is zo moeilijk me open te stellen voor de ander. Ik wil niet dat een ander m’n werkelijke geestelijke leven ziet. Dat een ander precies ziet hoe het er bij mij van binnen uitziet, want het is daar vaak een grote wanordelijke boel. Dan zien ze dat ik nou nét niet zo serieus ben als ik me vaak voordoe. Ja, dat ik er zelfs niet eens voor uit durf te komen hoeveel strijd ik van binnen heb, dat……. Toen nam ik de tijd ervoor om met de Heer te praten over dit onderwerp.
Van Hem leerde ik, dat je nog een stapje verder kunt gaan, een tweede stap op dit gebied.Als iemand bij jou naar binnen kijkt, heeft dat ook gevolgen voor degene die kijkt. Gevolgen? Voor die ander? Je helpt er die ander mee. Mensen, mensen, het ging wel ver [zover had ik nog niet gedacht.]Maar Hij wel, één ding bleef bij me haken: Als je Mij die hele ramenzemerij overgeeft, dan ga Ik in jou aan het werk. Ik help die ander door jou heen, je hoeft het niet alleen te doen.
Ik begon te ontdekken, dat elke keer dat ik een deel van m’n huis aan Hem overgaf, het steeds fijner, beter en “heiliger” werd in mijn huis. [Dat laatste durf ik haast niet uit te spreken, maar dat het verstrekkende gevolgen heeft, daar ben ik zo langzamerhand wel van overtuigd. Het heeft verstrekkende gevolgen in de eerste plaats:

  • voor mezelf
  • voor mijn man
  • voor de kinderen
  • voor de buren
  • voor mijn vrienden, ja, voor iedereen waar ik dagelijks mee omga.]

De Heer ging verder en zei:
“Als iemand bij je binnenkijkt, tenminste áls je bij je binnen laat kijken, dan help je de ander soms al vanzelf, als zij ziet dat je geestelijk ook wel problemen hebt en dat je het ook vaak niet meer ziet zitten. Door jezelf open te stellen voor haar, ga je naast haar staan, dan sta je niet boven haar. De ander kijkt vaak tegen je op en denkt dat jij geen moeite met het geloofsleven hebt, want je weet het allemaal zo goed. Praat samen over de diepste dingen met elkaar, zo help je de ander én… word je zelf vaak ook nog geholpen. Zo snijdt het mes aan twee kanten. Wees jezelf, wees eerlijk, eerst

  • tegenover jezelf, dan
  • tegenover de Heer, daarna
  • tegenoverde ander.

Ik wil je erbij helpen, maar dan moet je wel willen dat Ik die ramen eerst eens zeem bij jou.”

Toch vergt het tijd, voor je geleerd hebt dit zemen uit handen te geven.

De Bloementuin

Joh. 16:8
Hij zal de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel.

Hebr. 12:15
Dat er geen bittere wortel opschiete en verwarring stichte…….

Nu ik toch bezig was met de buitenboel ging ik, na de ramen van buiten gezeemd te hebben, meteen door naar mijn bloementuintje, want dat hoorde voor mijn gevoel bij de buitenboel. De Heer ook mee naar ‘t tuintje maar ik zei: “Och Heer, U kunt gerust naar binnen gaan want hier hebt U toch niets aan” [Als ik geweten had wat ik daar zei] Maar de Heer wandelde de tuin in en ik hoorde nog net dat Hij zei: “Wat een pracht van een tuin, wat een zee van bloemen, wat een kleurencombinaties, wat een…”.
Ja, daar had Hij gelijk in, ik had een mooie bloementuin, ik had er alles fantastisch bij staan, ik kon tuinieren, en wat was ik trots dat ik ook wel wat goéds kon presteren en ik werd zo blij in mezelf, dat Hij daar nu net wandelde, ja, Hij mócht er doorwandelen. Toen riep de Heer me …….
Hij wees me liefdevol op dát wat er niet in hoorde, op het onkruid dat ik liet groeien. “Kijk, die drie staken daar, groeien zelfs boven de bloemen uit” zei Hij. “Maar Heer” zei ik, “ik ben nu toch bezig in de tuin. Ik ga het er allemaal uittrekken en het zijn er maar drie”. Dát is het hem nu juist, leerde Hij me, zie je niet wat er gaat gebeuren als je die lange staken onkruid eruit gaat trekken? Die wortels zitten al helemaal vertakt met de wortels van jouw bloemen. Je hebt ze té ver laten groeien en als je die staken er uit trekt, trek je de bloemen er naast mee uit. “Ja, dat is zo,” antwoordde ik Hem, “maar weet U, ik knip die staken precies boven de grond af, dan zie je er niets meer van”. [Had ik me daar even mooi uitgered]. Met veel geduld ging Hij verder: “Begrijp je dan niet dat die zo weer aangroeien en dat de wortels onder de grond weelderig verder gaan groeien? Het zit hem juist in die wortels, want die zijn de oorzaak van het onheil dat het onkruid teweeg brengt.” Van Hem leerde ik de geestelijke les om met bloemen om te gaan én met onkruid.

  • Hij leerde me het verschil tussen goed en kwaad
  • Hij raadde me sterk aan om onmiddelijk het kleinste plantje onkruid te verwijderen. Haal het eruit met wortel en al.
  • Hij leerde me op te letten, daar, waar het boven de grond kwam
  • Hij leerde me ervoor te zorgen onkruid in geen geval boven de bloemen uit te laten groeien.

Bloemen moeten onbelemmerd op kunnen groeien. Wat een les leerde ik in dat uur van Hem. Wat kan één zo’n staak onkruid in je leven al niet teweeg brengen. Zo’n kruid is heel klein begonnen. Je zag het niet zo gauw en het groeide maar door. Denk er niet té licht over. Dat had ik wel gedaan, want wat vond ik het de eerste jaren van m’n huwelijk toch akelig dat ik zo’n grote mond had en direkt klaar stond met m’n oordeel. In het begin deed ik nog wel m’n best om ermee te stoppen. Maar ach, het was zo moeilijk en het was toch een karakterfout, dacht ik. En langzaam aan dacht ik er helemaal niet meer aan. Daarna raakte ik er aan gewoon en toen raakte het in het vergeetboek. En nu? Nu was het erger dan ooit tevoren. Ik had dit onkruidplantje weelderig laten tieren.
Ook zag ik ineens die eerste keer dat ik bewust jokte en wat schrok ik daarvan. Wat een last had ik ervan na die tijd. De tweede maal dat het gebeurde, vond ik het wel erg, maar last ervan, nee. En langzaam begon ik te liegen, kleine leugentjes, die niet veel om handen hadden. Och zo’n leugentje is gemakkelijk en wie doet het nou niet? Dat het zonde is, daar dacht ik nooit aan. En nu zie ik die grote staak van leugen in mijn leven, die het blije en mooie onderdrukt, wegdrukt uit mijn leven, eerlijk gezegd, m’n leven overschaduwt. Wat zit liegen er diep ingeworteld, diep in mijn hart. Meteen bij het eerste leugentje had ik moeten stoppen, dit kleine plantje onkruid eruit moeten trekken. Ja, dan was het niet zo uitgegroeid. Oh, wat kan één zo’n staak onkruid al niet teweeg brengen. Hij had gelijk.
Weet je wel dat er zoveel verschillende plantjes onkruid zijn?
Weet je wat de akeligste soort is? Het is dat plantje, dat als twee druppels water op een bloemenplantje lijkt. Je ziet haast geen verschil, je moet wel een kenner zijn, wil je ze van elkaar kunnen onderscheiden. Hoe kleiner ze zijn, des te slechter kun je het onderscheiden.

Ik had gezegd: “Heer ga maar naar binnen daar hebt U niets aan,

maar nu denk ik……..

De Groententuin

Lucas 11:34 De lamp van het lichaam is uw oog.

Jesaja 28:16 Hij die gelooft, haast niet

Toen ik naar de andere kant van het huis naar mijn groentetuintje liep keek ik eens om me heen. En op dat moment zag ik het tegelpad dat naar de voordeur leidde en viel mijn oog opeens op al die grassprietjes en het onkruid dat tussen de tegels groeide, ook dat nog. [Ik keek of de Heer ook toevallig keek en dat deed Hij nét op dat moment.] Ja, dat pad leidde naar de deur en ik wist met zekerheid dat het er beslist bijhoorde, ik bedoel bij mijn huis. Ook wist ik dat dit pad wel een bedoeling had. Ja, ik wist dat het er ook schoon en verzorgt uit moest zien, omdat de entree van het huis, van een opnieuw geboren kind van God, er precies zo uit moest zien als het huis aan de binnenkant. Het zou er af moeten stralen, zodat wie hier aan zou bellen iets zou vermoeden en zich af zou vragen: wat heeft deze bewoonster, wat ik niet heb? Toen het tegelpad schoon was straalde ik. Ik hoorde dat de Heer mij riep…. Zijn aandacht werd getrokken naar een plekje rechts van het nieuw, ingezaaide bed. “Wat is dat daar? Het is net alsof er voorzichtig wat zand is afgehaald en het er daarna weer bovenop gelegd is.Ó Hij keek me aan en vroeg om uitleg, nou die had ik. ŇO, dal heb ik gisteren gedaan Heer, ik wilde even kijken of het zaadje dat ik er vorige week ingezaaid heb al opkwam of het al ontkiemde of groeide, want aan de bovenkant zag ik nog niets.” “Jammer, jammer dat je dit deed,” zei Hij, “weet je wel wat je gedaan hebt? Doordat je ging kijken en er met je vingers aan hebt gezeten, heb je dat zaadje afgebroken in de grond en er het zand weer bovenop gelegd alsof er niets was gebeurd. Je hebt het waarschijnlijk helemaal kapot gemaakt, in elk geval heb je de groei belemmerd. Het zaadje heeft opnieuw de tijd nodig. Ja, het moet de verloren tijd weer inhalen, als… als het de tijd nog kan inhalen. Je kunt ook de levenskracht zo gebroken hebben dat het afsterft. “Zie ie de geestelijke les hierin? Zie je waar je geestelijk mee bezig bent? jij zaait een zaadje. Jij maakt het kapot door je nieuwsgierigheid. Jij wacht niet tot Ik Mijn werk gedaan heb. Jij geeft Mij helemaal niet de tijd het te kunnen doen”

[Rita, schiet het door me heen. Bij haar had ik iets dergelijks gedaan. Ik was zo nieuwsgierig, zo ongeduldig, dat ik naar haar toe ging en vroeg: “Rita heeft de Heer al wat bij jou gedaan? ŇHeb je…. ga je….” “Laat me met rustÓ, schreeuwde Rite me toe. ŇJij met je eeuwige nieuwsgierigheid. Nee. de Heer heeft niets gedaan, en ik wil ook helemaal niet meer hebben, dat Hij iets doet.” Het gezaaide zaadje…. Het kapot gemaakte zaadje… en dat deed ik.]

“Jij loopt voor Mij aan in plaats van achter Mij,” sprak de Heer verder. “Kijk je moet leren omgaan mat diegene waar jij een geestelijk zaadje mocht zaaien. Je moet leren dat het heel teer is en dat Ik alleen, het de wasdom geef, dat Ik je daarna wel roepen zal om het te verzorgen als het zover is. Weet je ook dat het ene zaadje veel vlugger boven de grond staat dan het andere? En ais het er boven staat dat Ik het je dán weer in handen geef om het

  • te verzorgen
  • te besproeien als het dorst heeft
  • en om het volkomen onkruidvrij te houden?

Weet Je wat jij heel goed moet onthouden, wat een levensregel voor jou mag gaan worden? Dat Ik alles doe wat ik kan doen, maar dat Ik niets doe wat Jijzelf kan doen, Zo werken we samen op.”

Ik ging even op de bank zitten er, voelde hoe moe ik was. Ik keek naar mezelf, opnieuw naar mezelf, naar m’n werk de bloementuin de groententuin, naar de pasgezaaide zaadjes, naar dat losse stukje aarde en ik overzag de hete toestand buiten en ik…… zag het niet meer zitten, Ik was zo trots geweest op mijn tuin, en nu? Hij kwam naast me op de bank zitten en, zei: “Waarom ben je zo verdrietig? Waarom zie je het niet meer zitten? Weet je niet, dat Ik je nu een stuk van je oude leven heb laten zien zoals dat paste bij jou vóór je Mij binnenliet? Maar nu je Mij hebt binnengelaten, is dat toch anders geworden? Je weet nu toch dat je ook die hele buitenboel van jou aan Mij kunt overdragen? Dat je Mij in de bloementuin en de groentetuin kunt laten? Dat Ik je wil helpen zaaien en planten. Dat Ik er nu bij ben om je te zeggen hoe je het moet doen, zodat we straks samen de vruchten uit eigen tuin kunnen halen?

Weet je dat Ik nu maar één ding vraag?

Wil je Mij door het raam naar binnen laten kijken?

Want het raam en de tuin, ja, de hele buitenboel horen bij je huis, waar je Mij hebt binnengelaten, waar ik Heer ben.

Ik wil ook graag Heer zijn over de buitenboel, begrijp je….? Ik begreep…

En wij je Mij meenemen naar die twee tuintjes van jou?

Toen brak de zon weer door en verwarmde me met zijn stralenbundel daar op de bank en ik werd opnieuw blij dat ik Hem toch binnengelaten had en ik zei: “Kijk maar door mijn raam naar binnen Heer en wandel maar door mijn tuin.”

De Rommelzolder

Fil. 3:14
Maar één ding doe ik vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen voor mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die boven is, in Christus Jezus.

Col. 3:9
Daar gij de oude mens met zijn praktijken hebt afgelegd….

Langzamerhand begin ik me af te vragen of er nog rneer kamers in mijn huis zijn, waar de Heer nog niet binnen is geweest. Ik loop in gedachten het hele huis door en…. ik weet er geen…. maar Hij wel. Op een middag als we thee gedronken hebben, vraagt de Heer: ŇIs er ook een zolder in dit huis?” En nu begin ik hartelijk te lachen. “Ja, er is een zolder hoor; een echte rommelzolder.” [Als je die trap opgaat en je komt boven, dan ontdek je, dat je er geen been kunt verzetten. Er slaat trouwens niets van waarde op, eigenlijk alleen maar rommel, per slot is daar een zolder toch voor of niet dan?] ŇHeer, dat kan ik U gewoon niet aandoen om U daarmee naar toe te namenÓ zeg ik dan. De Heer zwijgt en praat er niet meer over, niet meer over die zolder maar ook niet over andere dingen. En ik begin na te denken over die zolder. Zou Hij werkelijk iets met die zolder voor hebben? Als ik denk wat Hij met de kast en de voorraadkast bedoelde en de tuin … . ben ik niet zo zeker van mezelf. Dat ik ook zo’n rommel heb daar, het meeste wat er op ligt is van mezelf, dingen die ik nog mee gebracht heb van thuis en als er wat nieuws gekocht werd zette ik steevast het oude naar boven. Je kunt toch zo niet alles weggooien. Maar wat rnoet ik er nu mee. Nu zit ik er notabene mee in m’n maag, die troep, die rommel daar. Die rommelzolder kan toch van geen enkele betekenis zijn voor rnijn geestelijke leven, of toch ….? Hè, wat ben ik, ook begonnen met Hem binnen te laten. Gelukkig begint de Heer na een tijdje weer te praten en Hij zegt glimlachend: “Zullen we samen eens een kijkje nemen op die rommelzolder van jou? [Wat lag er veel op die zolder. Wat had ik er veel opgeslagen, opgeborgen, ver weg gezet, voor iedereen verborgen.

Behalve voor Hem]

Zo namen we een kijkje op mijn geestelijke zolder en wat dacht je dat er allemaal te voorschijn kwam? Dingen uit mijn leven die ik, vast wilde houden, die ik bewaren wilde en ik schrok van wat de Heer toen tevoorschijn haalde…. een kist vol met….. – verkeerde gewoontes: – laat naar bed gaan – te laat komen – laat opstaan – kleren laten slingeren – hard met de deuren slaan – Dan stond er nog een doos met allerlei dingen die stuk waren en altijd nog stonden te wachten tot ze weer hersteld zouden worden. En ver in het hoekje onder een balk geschoven, zodat niemand het zou vinden, het prachtig geschilderde kistje, heel klein en de Heer opende het en daar kwam voor de dag:

  • m’n eigenwaarde
  • m’n trots
  • m’n eer
  • m’n gezag.

De Heer haalde ze er één voor één uit. Dat ik dat allemaal opgeborgen had. Ja, hier op de zolder, waar niemand kwam, stonden de dingen opgestapeld die niemand anders aangingen, dingen van vroeger, waarmee ik opgegroeid was.

Dingen die ik in stilte koesterde. die ik vast wilde houden ten koste van alles. Dingen waarvan ik geen afstand kon doen. Wensen – Verlangens – Gewoontes.

Toen liet de Heer mij zien dat ik grote opruiming moest houden op de zolder van mijn huis, grote schoonmaak, Hij leerde mij: al deze dingen die jij koestert en vasthoudt, horen bij je oude leven, ze passen niet in het nieuwe leven dat je nu leidt, er is geen ruimte voor. Het hoort in de rommelbak, alles mag de deur uit, [nou alles?]’ Je kunt het beste direkt beginnen met de “grote opruiming” hier.

 

Wat heeft het lang geduwd, voordat ik gezegd heb “Kom ook hier binnen Heer”.

Dan zie ik hoe vast ik zit aan het oude, hoe zeer het me doet als ik weer iets los moet laten, weg moet werpen, van wat ik koesterde. Wat duurt het lang voor die hele rommelzolder van mij leeg is, voor ik één voor één alles van boven naar beneden haal om het als vuilnis weg te werpen.

Maar dan moet ik je er ook bij vertellen, dat ik niet alléén opruim, want de Heer kent me door en door en Hij ziet

  • hoe moeilijk ik los kan laten
  • hoe moeilijk ik los kom van het verleden

Nee, Hij laat me niet alleen worstelen met die grote opruiming
Hij helpt me “los te laten” Hij laat me zien, dat er geen waarde in die dingen zit, dat het eigenlijk waardeloos is, wat ik los moet laten. Hij laat me zien, wanneer er elke keer een stukje opgeruimd is, hoe groot de zolder van mijn huis is. Hij helpt, me zoals nog nooit iemand me geholpen heeft en dan schiet er een tekst door me heen ‘Want Zijn last is licht en Zijn juk is zacht” Zou ik deze woorden ook hierop mogen toepassen? Als ik de zolder leeg heb, ontdek ik hoeveel ruimte ik gemaakt heb. Wat de Heer daarmee wil? Och daar kom ik vanzelf wel achter. Dat laat Hij me dán wel zien.
En de Heer, liét liet me zien.
Hij legde daar op de zolder van mij een splinternieuwe uitrusting neer, en zei: ŇDit is de geestelijke wapenrusting die je mag gebruiken, het is een geschenk van Mijn Vader, aan jou. En hóe je deze uitrusting gebruiken kunt, vertel Ik je nog wel, daar kom Ik later nog op terug maar ik leg hem hier al vast neer, er is ruimte gekomen, doordat jij grote opruiming hield. En als jij straks één voor één die wapens van boven naar beneden haalt, laat Ik je wel zien hoe je ze hanteren moet, want het is de bedoeling niet dat de geestelijke wapenrusting daar op de zolder blijft liggen” Ik keek en keek, en ik begreep er niets van. En de Heer zei glimlachend “Wees maar niet bang dat Ik het vergeet hoor, Ik kom er beslist wel op terug”. *

Toen wist ik nog niet, dat de geestelijke wapenrusting net zoveel verrassing inhield als toen ik zei: “Ja, kom binnen Heer

* Zie het tweede boekje: ‘En nu pak, aan’, waarin de wapenrusting Gods beschreven is.

De kelder

Rom. 12:2
wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken.

Toen op een morgen vroeg ik aan de Here jezus: “Heer heb ik U nu in mijn hele huis binnengelaten?” Want ik was, er niet meer zeker van, telkens kwam ik er achter, dat er nog verborgen kamers in mijn huis waren waar de Here Jezus nog geen Heer was. Ik dacht aan dat versje uit de bundel van Johan de Heer, en ik ontdekte dat dit lied precies paste bij de situatie waarin ik de laatste tijd verkeerde.

Het is lied 803

Geef de Heiland ‘t roer in handen.
Van uw aardse’ revensschip
Hij zal veilig u doen landen,
Hij kent elke rots en klip
Zij uw scheepje groot of klein,
Laat de Heiland stuurman zijn

Hoe ook stormen mogen woeden
laat het het roer stil in zijn hand;
Hij zal in ‘t gevaar behoeden
Hij brengt veilig u aan land.
Beef g’ook al van angst en pijn
Laat de Heiland stuurman zijn.

Blijf toch rustig Hem geloven
Richt bij ‘t felste stormgedruis
‘t Hart omhoog, het oog naar boven;
Daar bracht Hij reeds velen thuis
Hoe ook alles donker schijn’.
Laat de Heiland stuurman zijn.

Veel gevaar bedreigt het leven
Maar het grootst’ is als ‘k niet stil
Alles aan Hem overgeven,
En ook zelf nog sturen wil.
Daarom Heiland, houdt mij klein,
En wil Gij maar stuurman zijn.

Dus vroeg ik aan de Heer ‘Is er nog een stukje van mijn leven dat U niet toebehoort, waar ik het roer zelf nog in handen heb?. Dan wil ik U vragen Heer, of U daar ook met mij naar binnen wilt gaan’. “Ja,” antwoordde de Heer: “Er is nog één kamertje waarvan Ik het roer nog niet in Mijn handen heb, we zijn samen op de bovenste verdieping van je huis geweest, we gaan nu samen naar de laagste verdieping van je huis, dat is de kelder. Het is het diepst verborgene plekje in je denken, het is je herinneringsleven’ [Voor het eerst merkte ik dat ik geen enkel commentaar meer had] “We gaan samen afdalen in de diepte en halen alles naar boven, wat er opgeborgen ja, opgestapeld ligt in het herinneringsleven”. Daar liggen dingen, gebeurtenissen waar je zelf nooit meer aan denkt, maar waarvan de uitwerking in je leven wel zichtbaar is. Kijk, Ik bedoel dit: In je kinderjaren heeft de meester een fout tegenover jou gemaakt. Je voelde je bezeerd. Tijden lang dacht je er aan. En toen Ňde tijd” de wond geheeld had, is er iets in je herinnering blijven zitten. De buitenkant was weer goed, maar de binnenkant niet. Omdat het nooit is uitgepraat, is er iets blijven hangen waar jezelf niets meer van weet, begrijp je? [Nooit had ik de Heer zó ernstig gezien] Dan ben je een keer vals beschuldigd, je had het echt niet gedaan, het is nooit uitgekomen, ook nooit uitgepraat, het is opgeborgen diep in je geheugen. De eerste tijd deed het je veel pijn, later zakte dat wat af, en je vergat het. Maar in je herinnering bleef het litteken achter. Zo zijn er in een mensenleven veel dingen gebeurd. Bij de een dit, bij de ander wat anders, maar dat ze er zijn is zeker. Dingen die nooit uitgepraat zijn, maar waarvan de uitwerking toch op de één of andere manier in:

  • je karakter
  • je doen en laten
  • je houding tegenover de medemens
  • je kritiek
  • je optreden te merken is, zonder dat je daar zelf erg in hebt.

Je kunt er hard door geworden zijn of gevoelloos. Je bent niet meer dat spontane kind van vroeger.”Weet je” zei Hij zacht: ŇIk denk ineens aan je kinderjaren, wal er toen gebeurde met die man…. dat was een schok in je leven, ergens ben je erdoor veranderd, zonder het te willen. Ga nu samen met Mij naar beneden en lk haal één voor één elke gebeurtenis, die je van binnen bezeert heeft, naar boven en vraag of Mijn Vader het weg wil nemen, zodat het schoon wordt van binnen. Zodat de wond vroeger, in het verleden opgelopen, geneest. Zodat zelfs het litteken weggewassen is. Ik vraag dan of Hij met Zijn Geest dat plekje in bezit wil nemen, zodat Zijn liefde daar komt. Maar van jou zal ook iets gevraagd worden, Ik zal alles doen wat Ik kan doen,Ó sprak de Heer zacht. ‘Maar nu moet jij doen wat Ik niet kan.’ ‘Heer, wat kan ik doen, wat U voor mij niet kunt?’
“Vergeven……alles vergeven, dat wat de ander je aangedaan heeft.
Vergeven en vergeten…. Dan pas wordt het diepste in je gereinigd, volkomen gereinigd. Voor het eerste moet jij zorgen, daarna zorgt Hij voor het laatste. Dan pas kan de Here God die lege plekjes opnieuw vullen. Dan pas ben je schoon van binnen en van buiten. Dan stroomt Zijn Geest door heel je wezen en word je vervuld van Zijn liefde.” Zo ging ik samen met de Here Jezus de diepte van m’n herinneringsleven in. We daalden samen af in de diepte van mijn denken

en ik vergaf.

De kelder van mijn denken werd gereinigd, met een ongekende blijdschap.
Eindelijk was de Heer in mijn gehele huis.
Nu kan ik alleen nog zeggen tegen jou die dit leest,

als er gebeid wordt en Jezus de Here staat daar

en vraagt

mag ik bij je binnenkomen?

 

Doe dan de deur van je levenshuis wijd open en zeg:

“JA, KOM BINNEN HEER”

Door: Annie Berents-Karkdijk

Spread the Scripture
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •   
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
Updated: October 4, 2019 — 11:58 pm
My CMS © 2018 Frontier Theme