Schrift met Schrift vergelijken

Matt 10:38  En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.

Spreuken 7

Het gevaar van onkuisheid

1 Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
aBewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als den appel uwer ogen.

a: Lev 18:5 Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult gij houden; welk mens dezelve zal doen, die zal door dezelve leven; Ik ben de HEERE!
Spr 4:4 Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.

bBind ze aan uw vingeren, schrijf ze op de tafels uws harten.

b: Deu 6:8 Ook zult gij ze tot een teken binden op uw hand, en zij zullen u tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen.
Deu 11:18 Legt dan deze mijn woorden in uw hart, en in uw ziel, en bindt ze tot een teken op uw hand, dat zij tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen;

4 Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster; en heet het verstand uw bloedvriend;
cOpdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, [die] met haar redenen vleit.

c: Spr 5:3 Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.

6 Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;
7 En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling;
8 Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.
9 In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid;
10 En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede;
11 dDeze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;

d: Spr 9:13 Een zotte vrouw is woelachtig, de slechtigheid zelve, en weet niet met al.

12 Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;
13 En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem:
14 Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald;
15 Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden.
16 Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte;
17 Ik heb mijn leger met mirre, aloe en kaneel welriekende gemaakt;
18 Kom, laat ons dronken worden van minnen tot den morgen toe; laat ons ons vrolijk maken in grote liefde.
19 Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen;
20 Hij heeft een bundel gelds in zijn hand genomen; ten bestemden dage zal hij naar zijn huis komen.
21 Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen.
22 Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.
23 Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; egelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is.

e: Spr 1:17 Zekerlijk, het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van allerlei gevogelte;

24 Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
25 Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
26 Want zij heeft veel gewonden nedergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele.
27 fHaar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.

f: Spr 2:18 Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.
Spr 5:5 Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.

Spread the Scripture
Updated: November 21, 2019 — 4:21 pm
My CMS © 2018 Frontier Theme