My CMS

Matt 10:38  En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.

Spreuken 31

De woorden van Lemuël

1 De woorden van de koning Lemuel; de last, maarmede zijn moeder hem onderwees.
2 Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns buiks? ja, wat, o zoon mijner geloften?
3 Geeft aan ade vrouwen uw vermogen niet, noch uw wegen, om koningen te verdelgen.

a: Deu 17:17 Ook zal hij voor zich de vrouwen niet vermenigvuldigen, opdat zijn hart niet afwijke; hij zal ook voor zich geen zilver en goud zeer vermenigvuldigen.

4 Het komt den koningen niet toe, o Lemuel! het komt den koningen niet toe wijn te drinken, en den prinsen, sterken drank te begeren;
5 Opdat hij niet drinke, en het gezette vergete, en de rechtzaak van alle verdrukten verandere.
6 Geeft sterken drank dengene, die verloren gaat, en wijn dengenen, die bitterlijk bedroefd van ziel zijn;
7 Dat hij drinke, en zijn armoede vergete, en zijner moeite niet meer gedenke.
8 Open uw mond voor den stomme, voor de rechtzaak van allen, die omkomen zouden.
9 Open uw mond; boordeel gerechtelijk, en doe den verdrukte en nooddruftige recht.

b: Lev 19:15 Gij zult geen onrecht doen in het gericht; gij zult het aangezicht des geringen niet aannemen, noch het aangezicht des groten voortrekken; in gerechtigheid zult gij uw naaste richten.
Deu 1:6 De HEERE, onze God, sprak tot ons aan Horeb, zeggende: Gij zijt lang genoeg bij dezen berg gebleven.

De lof der deugdelijke huisvouw

10 [Aleph]. Wie zal ceen deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is verre boven de robijnen.

c: Spr 12:4 Een kloeke huisvrouw is een kroon haars heren; maar die beschaamt maakt, is als verrotting in zijn beenderen.

11 [Beth]. Het hart haars heren vertrouwt op haar, zodat hem geen goed zal ontbreken.
12 [Gimel]. Zij doet hem goed en geen kwaad, al de dagen haars levens.
13 [Daleth]. Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust harer handen.
14 [He]. Zij is als de schepen eens koopmans; zij doet haar brood van verre komen.
15 [Vau]. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis spijze, en haar dienstmaagden het bescheiden deel.
16 [Zain]. Zij denkt om een akker, en krijgt hem; van de vrucht harer handen plant zij een wijngaard.
17 [Cheth]. Zij gordt haar lenden met kracht, en zij versterkt haar armen.
18 [Teth]. Zij smaakt, dat haar koophandel goed is; haar lamp gaat des nachts niet uit.
19 [Jod]. Zij steekt haar handen uit naar de spil, en haar handpalmen vatten den spinrok.
20 [Caph]. Zij breidt haar handpalm uit tot den ellendige; en zij steekt haar handen uit tot den nooddruftige.
21 [Lamed]. Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw; want haar ganse huis is met dubbele klederen gekleed.
22 [Mem]. Zij maakt voor zich tapijtsieraad; haar kleding is fijn linnen en purper.
23 [Nun]. Haar man is bekend in de poorten, als hij zit met de oudsten des lands.
24 [Samech]. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het; en zij levert den koopman gordelen.
25 [Ain]. Sterkte en heerlijkheid zijn haar kleding; en zij lacht over den nakomenden dag.
26 [Pe]. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.
27 [Tsade]. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.
28 [Koph]. Haar kinderen staan op, en roemen haar welgelukzalig; [ook] haar man, en hij prijst haar, [zeggende]:
29 [Resch]. Vele dochteren hebben deugdelijke gehandeld; maar gij gaat die allen te boven.
30 [Schin]. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; [maar] een vrouw, die den HEERE vreest, die zal geprezen worden.
31 [Thau]. Geef haar van de vrucht harer handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.

Spread the Scripture
Updated: October 28, 2019 — 11:47 pm
My CMS © 2018 Frontier Theme