Schrift met Schrift vergelijken

Matt 10:38  En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.

Spreuken 26

Dwazen en luiaards.

1 Gelijk de sneeuw in den zomer, en gelijk de regen in den oogst, alzo past den zot de eer niet.
2 Gelijk de mus is tot wegzweven, gelijk een zwaluw tot vervliegen, alzo zal een vloek, die zonder oorzaak is, niet komen.
aEen zweep is voor het paard, een toom voor den ezel, en been roede voor den rug der zotten.

a: Psa 32:9 Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.
Psa 32:10 De goddeloze heeft veel smarten, maar die op den HEERE vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.

b: Spr 10:13 In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.

4 Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.
5 Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.
6 Hij snijdt [zich] de voeten af, [en] drinkt geweld, die boodschappen zendt door de hand van een zot.
7 Hef de benen van den kreupele op; alzo is een spreuk in den mond der zotten.
8 Gelijk hij, die een [edel] gesteente in een slinger bindt, alzo is hij, die den zot eer geeft.
9 [Gelijk] een doorn gaat in de hand eens dronkaards, alzo is een spreuk in den mond der zotten.
10 De groten doen een iegelijk verdriet aan, en huren de zotten, en huren de overtreders.
11 cGelijk een hond tot zijn uitspuwsel wederkeert, [alzo] herneemt de zot zijn dwaasheid.

c: 2Pe 2:22 Maar hun is overkomen, hetgeen met een waar spreekwoord gezegd wordt: De hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel; en de gewassen zeug tot de wenteling in het slijk.

12 Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! dVan een zot is meer verwachting dan van hem.

d: Spr 29:20 Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem.

13 eDe luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten.

e: Spr 22:13 De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!

14 Een deur keert om op haar herre, alzo de luiaard op zijn bed.
15 fDe luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen.

f: Spr 19:24 Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.

16 De luiaard is wijzer in zijn ogen, dan zeven, die [met] rede antwoorden.
17 De voorbijgaande, die zich vertoornt in een twist, [die] hem niet aangaat, is [gelijk] die een hond bij de oren grijpt.
18 Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt;
19 Alzo is een man, die zijn naaste bedriegt, en zegt: Jok ik er niet mede?
20 Als er geen hout is, gaat het vuur uit; gen als er geen oorblazer is, wordt het gekijf gestild.

g: Spr 22:10 Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.

21 De dove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur; alzo is een hkijfachtig man, om twist te ontsteken.

h: Spr 15:18 Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
Spr 29:22 Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.

22 iDe woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.

i: Spr 18:8 De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.

23 Brandende lippen, en een boos hart, zijn [als] een potscherf met schuim van zilver overtogen.
24 Die haat draagt, gelaat zich vreemd met zijn lippen; maar in zijn binnenste stelt hij bedrog aan.
25 Als hij met zijn stem smeekt, geloof hem niet, want zeven gruwelen zijn in zijn hart.
26 [Wiens] haat door bedrog bedekt is, diens boosheid zal in de gemeente geopenbaard worden.
27 kDie een kuil graaft, zal er in vallen, en die een steen wentelt, op hem zal hij wederkeren.

k: Psa 7:16 Hij heeft een kuil gedolven, en dien uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft.
Psa 10:2 De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed den ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben.
Psa 57:7 Zij hebben een net bereid voor mijn gangen, mijn ziel was nedergebukt; zij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven; zij zijn er midden ingevallen. Sela.
Pre 10:8 Wie een kuil graaft, zal daarin vallen; en wie een muur doorbreekt, een slang zal hem bijten.

28 Een valse tong haat degenen, die zij verbrijzelt; en een gladde mond maakt omstoting.

Spread the Scripture
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •   
  •  
  •  
  • 1
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
    1
    Share
Updated: October 28, 2019 — 11:47 pm
My CMS © 2018 Frontier Theme