Schrift met Schrift vergelijken

Matt 10:38  En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.

Spreuken 24

Lessen der wijsheid

1 Zijt aniet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.

a: Psa 37:1 Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.
Spr 3:31 Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen.
Spr 23:17 Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt te allen dage in de vreze des HEEREN.

2 Want hun hart bedenkt verwoesting, ben hun lippen spreken moeite.

b: Psa 10:7 Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.

3 Door wijsheid wordt een huis gebouwd, en door verstandigheid bevestigd;
4 En door wetenschap worden de binnenkameren vervuld met alle kostelijk en liefelijk goed.
cEen wijs man is sterk; en een man van wetenschap maakt de kracht vast.

c: Spr 21:22 De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.

dWant door wijze raadslagen zult gij voor u den krijg voeren, en in de veelheid der raadgevers is de overwinning.

d: Spr 11:14 Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid der raadslieden.
Spr 15:22 De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door veelheid der raadslieden zal elkeen bestaan.
Spr 20:18 Elke gedachte wordt door raad bevestigd, daarom voer oorlog met wijze raadslagen.

eAlle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.

e: Spr 14:6 De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht.

8 Die denkt om kwaad te doen, dien zal men een meester van schandelijke verdichtselen noemen.
9 De gedachte der dwaasheid is zonde; en een spotter is den mens een gruwel.
10 Vertoont gij u slap ten dage uwer benauwdheid, uw kracht is nauw.
11 fRed degenen, die ter dood gegrepen zijn; want zij wankelen ter doding, zo gij u onthoudt.

f: Psa 82:4 Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand.

12 Wanneer gij zegt: Ziet, wij weten dat niet; zal Hij, Die de harten weegt, [dat] niet merken? En Die uwe ziel gadeslaat, zal Hij het niet weten? gWant Hij zal den mens vergelden naar zijn werk.

g: Job 34:11 Want naar het werk des mensen vergeldt Hij hem, en naar eens ieders weg doet Hij het hem vinden.
Psa 62:13 En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk.
Jer 32:19 Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen der mensenkinderen, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijner handelingen.
Rom 2:6 Welke een iegelijk vergelden zal naar zijn werken;
Rev 22:12 En zie, Ik kom haastiglijk en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn.

13 Eet honig, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte.
14 hZodanig is de kennis der wijsheid voor uw ziel; als gij ze vindt, izo zal er beloning wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden.

h: Psa 19:11 Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem.
Psa 119:103 Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!

i: Spr 23:18 Want zekerlijk, er is een beloning; en uw verwachting zal niet afgesneden worden.

15 Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.
16 Want de rechtvaardige zal kzevenmaal vallen, en opstaan; maar lde goddelozen zullen in het kwaad nederstruikelen.

k: Job 5:19 In zes benauwdheden zal Hij u verlossen, en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren.
Psa 34:20 Resch. Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem de HEERE.

l: Amo 5:2 De jonkvrouw Israels is gevallen, zij zal niet weder opstaan; zij is verlaten op haar land, er is niemand, die haar opricht.
Amo 8:14 Die daar zweren bij de schuld van Samaria, en zeggen: Zo waarachtig als uw God van Dan leeft, en de weg van Ber-seba leeft! en zij zullen vallen, en niet weder opstaan.

17 mVerblijd u niet als uw vijand valt; en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen;

m: Job 31:29 Zo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond;
Spr 17:5 Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.

18 Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.
19 nOntsteek u niet over de boosdoeners; zijt niet nijdig over de goddelozen.

n: Spr 24:1 Zijt niet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.
Psa 37:1 Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.
Psa 73:3 Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.
Spr 3:31 Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen.
Spr 23:17 Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt te allen dage in de vreze des HEEREN.

20 Want de kwade zal geen beloning hebben, ode lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.

o: Job 18:5 Ja, het licht der goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.
Job 18:6 Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden.
Spr 13:9 Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.
Spr 20:20 Wie zijn vader of zijn moeder vloekt, diens lamp zal uitgeblust worden in zwarte duisternis.

21 Mijn zoon! vrees den HEERE en den koning; vermeng u niet met hen, die naar verandering staan;
22 Want hun verderf zal haastelijk ontstaan; en wie weet hun beider ondergang?
23 Deze [spreuken] zijn ook van de wijzen. pHet aangezicht in het gericht te kennen, is niet goed.

p: Exo 23:3 Ook zult gij den geringe niet voortrekken en zijn twistige zaak.
Exo 23:6 Gij zult het recht uws armen niet buigen in zijn twistige zaak.
Lev 19:15 Gij zult geen onrecht doen in het gericht; gij zult het aangezicht des geringen niet aannemen, noch het aangezicht des groten voortrekken; in gerechtigheid zult gij uw naaste richten.
Deu 1:17 Gij zult het aangezicht in het gericht niet kennen; gij zult den kleine, zowel als den grote, horen; gij zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht is Godes; doch de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult gij tot mij doen komen, en ik zal ze horen.
Deu 16:19 Gij zult het gericht niet buigen; gij zult het aangezicht niet kennen; ook zult gij geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen der wijzen, en verkeert de woorden der rechtvaardigen.
Spr 18:5 Het is niet goed, het aangezicht des goddelozen aan te nemen, om den rechtvaardige in het gericht te buigen.
Spr 28:21 De aangezichten te kennen, is niet goed; want een man zal om een stuk broods overtreden.
Joh 7:24 Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel.
Jas 2:1 Mijn broeders, hebt niet het geloof van onzen Heere Jezus Christus, den Heere der heerlijkheid, met aanneming des persoons.

24 qDie tot den goddeloze zegt: Gij zijt rechtvaardig; dien zullen de volken vervloeken, de natien zullen hem gram zijn.

q: Spr 17:15 Wie den goddeloze rechtvaardigt, en den rechtvaardige verdoemt, zijn den HEERE een gruwel, ja, die beiden.
Isa 5:23 Die den goddeloze rechtvaardigen om een geschenk, en de gerechtigheid der rechtvaardigen van dezelven afwenden.

25 Maar voor degenen, die [hem] bestraffen, zal liefelijkheid zijn; en de zegen des goeds zal op hem komen.
26 Men zal de lippen kussen desgenen, die rechte woorden antwoordt.
27 Beschik uw werk daarbuiten, en bereid het voor u op den akker, en bouw daarna uw huis.
28 Wees niet zonder oorzaak getuige tegen uw naaste; want zoudt gij verleiden met uw lip?
29 rZeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.

r: Rom 12:17 Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle mensen.
Rom 12:19 Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere.

30 Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens;
31 En ziet, hij was gans opgeschoten van distelen; zijn gedaante was [met] netelen bedekt, en zijn stenen scheidsmuur was afgebroken.
32 Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte; ik zag het, [en] nam onderwijzing aan;
33 sEen weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;

s: Spr 6:10 Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;
Spr 6:11 Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.

34 Zo zal uw armoede [u] overkomen, [als] een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man.

Spread the Scripture
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •   
  •  
  •  
  • 1
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
    1
    Share
Updated: October 28, 2019 — 11:48 pm
My CMS © 2018 Frontier Theme