Schrift met Schrift vergelijken

Matt 10:38  En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.

Spreuken 22

De waarde van een goeden naam.

1 De anaam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud.

a: Pre 7:1 Beter is een goede naam, dan goede olie, en de dag des doods, dan de dag, dat iemand geboren wordt.

bRijken en armen ontmoeten elkander; de HEERE heeft hen allen gemaakt.

b: Spr 29:13 De arme en de bedrieger ontmoeten elkander; de HEERE verlicht hun beider ogen.

cEen kloekzinnig mens ziet het kwaad, en verbergt zich; maar de slechten gaan henen door, en worden gestraft.

c: Spr 27:12 De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.

4 Het loon der nederigheid, [met] de vreze des HEEREN, is rijkdom, en eer, en leven.
5 Doornen [en] strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.
6 Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.
7 De rijke heerst over de armen; en die ontleent, is des leners knecht.
dDie onrecht zaait, zal moeite maaien; en de roede zijner verbolgenheid zal een einde nemen.

d: Job 4:8 Maar gelijk als ik gezien heb: die ondeugd ploegen, en moeite zaaien, maaien dezelve.
Hos 10:13 Gij hebt goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid, en de vrucht der leugen gegeten; want gij hebt vertrouwd op uw weg, op de veelheid uwer helden.

eDie goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood den armen gegeven.

e: 2Co 9:6 En dit zeg ik: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien.

10 Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.
11 fDie de reinheid des harten liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn, diens vriend is de koning.

f: Psa 101:6 Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen in het land, dat zij bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen.

12 De ogen des HEEREN bewaren de wetenschap; maar de zaken des trouwelozen zal Hij omkeren.
13 gDe luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!

g: Spr 26:13 De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten.

14 hDe mond der vreemde vrouwen is een diepe gracht; op welken de HEERE vergramd is, zal daarin vallen.

h: Spr 2:16 Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;
Spr 5:3 Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.
Spr 7:5 Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.
Spr 23:27 Want een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put.

15 iDe dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.

i: Spr 13:24 Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging.
Spr 19:18 Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden.
Spr 23:14 Gij zult hem met de roede slaan, en zijn ziel van de hel redden.
Spr 29:15 De roede, en de bestraffing geeft wijsheid; maar een kind, dat aan zich zelf gelaten is, beschaamt zijn moeder.
Spr 29:17 Tuchtig uw zoon, en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uw ziel vermakelijkheden geven.

16 kDie den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, [en] den rijke geeft, [komt] zekerlijk tot gebrek.

k: Spr 14:31 Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem.
Spr 17:5 Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.

17 Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
18 Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
19 Opdat uw vertrouwen op den HEERE zij, maak ik u [die] heden bekend; gij ook [maak] [ze] [bekend].
20 Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap?
21 Om u bekend te maken de zekerheid van de redenen der waarheid; opdat gij de redenen der waarheid antwoorden moogt dengenen, die u zenden.
22 lBeroof den arme niet, omdat hij arm is; en mverbrijzel den ellendige niet in de poort.

l: Zec 7:10 En verdrukt de weduwe noch den wees, den vreemdeling noch den ellendige; en denkt niet in uw hart de een des anderen kwaad.

m: Exo 23:6 Gij zult het recht uws armen niet buigen in zijn twistige zaak.
Job 31:13 Zo ik versmaad heb het recht mijns knechts, of mijner dienstmaagd, als zij geschil hadden met mij;
Psa 82:3 Doet recht den arme en den wees; rechtvaardigt den verdrukte en den arme.
Psa 82:4 Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand.

23 nWant de HEERE zal hun twistzaak twisten, en Hij zal dengenen, die hen beroven, de ziel roven.

n: Exo 22:22 Gij zult geen weduwe noch wees beledigen.
Exo 22:23 Indien gij hen enigszins beledigt, en indien zij enigszins tot Mij roepen, Ik zal hun geroep zekerlijk verhoren;
Psa 10:18 Om den wees en verdrukte recht te doen; opdat een mens van de aarde niet meer voortvare geweld te bedrijven.

24 Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;
25 Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.
26 oWees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn.

o: Spr 6:1 Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt;
Spr 11:15 Als iemand voor een vreemde borg geworden is, hij zal zekerlijk verbroken worden; maar wie degenen haat, die in de hand klappen, is zeker.

27 Zo gij niet hadt om te betalen, pwaarom zou men uw bed van onder u wegnemen?

p: Spr 20:16 Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed; en pand hem voor de onbekenden.

28 qZet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben.

q: Deu 19:14 Gij zult uws naasten landpale, die de voorvaderen gepaald hebben, niet verrukken in uw erfdeel, dat gij erven zult, in het land, hetwelk u de HEERE, uw God, geeft, om dat erfelijk te bezitten.
Deu 27:17 Vervloekt zij, die zijns naasten landpale verrukt! En al het volk zal zeggen: Amen.
Spr 23:10 Zet de oude palen niet terug; en kom op de akkers der wezen niet;

29 Hebt gij een man gezien, die vaardig in zijn werk is? Hij zal voor het aangezicht der koningen gesteld worden; voor het aangezicht der ongeachte lieden zal hij niet gesteld worden.

Spread the Scripture
Updated: October 28, 2019 — 11:48 pm
My CMS © 2018 Frontier Theme