My CMS

Matt 10:38  En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.

Prediker 7

Lof der wijsheid

Pred 7:1 Beter a is een goede naam, dan goede olie, en de dag des doods, dan de dag, dat iemand geboren wordt.

a: Spr 22:1 De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud.

Pred 7:2 Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis des maaltijds; want in hetzelve is het einde aller mensen, en de levende legt het in zijn hart.
Pred 7:3 Het treuren is beter dan het lachen; want door de droefheid des aangezichts wordt het hart gebeterd.
Pred 7:4 Het hart der wijzen is in het klaaghuis; maar het hart der zotten in het huis der vreugde.
Pred 7:5 Het b is beter te horen het bestraffen des wijzen, dan dat iemand hore het gezang der dwazen.

b: Spr 13:18 Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geëerd worden.
Spr 15:31 Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.
Spr 15:32 Die de tucht verwerpt, die versmaadt zijn ziel; maar die de bestraffing hoort, krijgt verstand.

Pred 7:6 Want c gelijk het geluid der doornen onder een pot is, alzo is het lachen eens zots. Dit is ook ijdelheid.

c: Ps 58:10 Eer dan uw potten den doornstruik gewaar worden, zal Hij hem als levend, als in heten toorn wegstormen.

Pred 7:7 Voorwaar, de onderdrukking zou wel een wijze dol maken; en het geschenk verderft het hart.
Pred 7:8 Het einde van een ding is beter dan zijn begin; de lankmoedige is beter dan de hoogmoedige.
Pred 7:9 Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.
Pred 7:10 Zeg niet: Wat is er, dat de vorige dagen beter geweest zijn, dan deze? Want gij zoudt naar zulks niet uit wijsheid vragen.
Pred 7:11 De wijsheid is goed met een erfdeel; en degenen, die de zon aanschouwen, hebben voordeel daarvan.
Pred 7:12 Want de wijsheid is tot een schaduw, en het geld is tot een schaduw; maar de uitnemendheid der wetenschap is, dat de wijsheid haar bezitters het leven geeft.
Pred 7:13 Aanmerk het werk Gods; want wie kan recht maken, dat Hij krom gemaakt heeft?
Pred 7:14 Geniet het goede ten dage des voorspoeds, maar ten dage des tegenspoeds, zie toe; want God maakt ook den een tegenover den ander, ter oorzake dat de mens niet zou vinden iets, dat na hem zal zijn.
Pred 7:15 Dit alles heb ik gezien in de dagen mijner ijdelheid; er is een rechtvaardige, die in zijn gerechtigheid omkomt; daarentegen is er een goddeloze, die in zijn boosheid zijn dagen verlengt.
Pred 7:16 Wees niet al te rechtvaardig, noch houd uzelven al te wijs; waarom zoudt gij verwoesting over u brengen?
Pred 7:17 Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zoudt gij sterven buiten uw tijd?
Pred 7:18 Het is goed, dat gij daaraan vasthoudt, en trek ook uw hand van dit niet af; want die God vreest, dien ontgaat dat al.
Pred 7:19 De wijsheid versterkt den wijze meer dan tien heerschappers, die in een stad zijn.
Pred 7:20 d Voorwaar, er is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet, en niet zondigt.

d: 1Kon 8:46 Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en Gij tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht des vijands, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in des vijands land, dat verre of nabij is.
1Kon 8:47 En zij in het land, waar zij gevankelijk weggevoerd zijn, weder aan hun hart brengen zullen, dat zij zich bekeren, en tot U smeken in het land dergenen, die ze gevankelijk weggevoerd hebben, zeggende: Wij hebben gezondigd, en verkeerdelijk gedaan, wij hebben goddelooslijk gehandeld;
2Kron 6:36 Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en Gij tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht des vijands, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in een land, dat verre of nabij is;
Spr 20:9 Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde?
1Joh 1:8 Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij ons zelven, en de waarheid is in ons niet.

Pred 7:21 Geef ook uw hart niet tot alle woorden, die men spreekt, opdat gij niet hoort, dat uw knecht u vloekt.
Pred 7:22 Want uw hart heeft ook veelmalen bekend, dat gij ook anderen gevloekt hebt.
Pred 7:23 Dit alles heb ik met wijsheid verzocht; ik zeide: Ik zal wijsheid bekomen, maar zij was nog verre van mij.
Pred 7:24 Hetgeen verre af is, en zeer diep, wie zal dat vinden?
Pred 7:25 Ik keerde mij om, en mijn hart, om te weten, en om na te sporen, en te zoeken wijsheid en een sluitrede; en e om te weten de goddeloosheid der zotheid, en de dwaasheid der onzinnigheden.

e: Pred 1:17 En ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid; ik ben gewaar geworden, dat ook dit een kwelling des geestes is.
Pred 2:12 Daarna wendde ik mij, om te zien wijsheid, ook onzinnigheden en dwaasheid; want hoe zou een mens, die den koning nakomen zal, doen hetgeen alrede gedaan is?

Pred 7:26 En ik vond f een bitterder ding, dan de dood: een vrouw, welker hart netten en garen, en haar handen banden zijn; wie goed is voor Gods aangezicht, zal van haar ontkomen; daarentegen de g zondaar zal van haar gevangen worden.

f: Spr 5:3 Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.
Spr 6:24 Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.
Spr 6:25 Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.
Spr 6:26 Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.
Spr 7:6 Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;
Spr 7:7 En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling;
Spr 7:8 Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.
Spr 7:9 In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid;
Spr 7:10 En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede;
Spr 7:11 Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;
Spr 7:12 Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;
Spr 7:13 En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem:
Spr 7:14 Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald;
Spr 7:15 Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden.
Spr 7:16 Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte;
Spr 7:17 Ik heb mijn leger met mirre, aloë en kaneel welriekende gemaakt;
Spr 7:18 Kom, laat ons dronken worden van minnen tot den morgen toe; laat ons ons vrolijk maken in grote liefde.
Spr 7:19 Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen;
Spr 7:20 Hij heeft een bundel gelds in zijn hand genomen; ten bestemden dage zal hij naar zijn huis komen.
Spr 7:21 Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen.
Spr 7:22 Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.

g: Spr 6:26 Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.
Spr 7:23 Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is.
Spr 22:14 De mond der vreemde vrouwen is een diepe gracht; op welken de HEERE vergramd is, zal daarin vallen.

Pred 7:27 Ziet, dit heb ik gevonden, zegt de prediker, het ene bij het andere, om de sluitrede te vinden;
Pred 7:28 Dewelke mijn ziel nog zoekt, maar ik heb haar niet gevonden: één man uit duizend heb ik gevonden; maar een vrouw onder die allen heb ik niet gevonden.
Pred 7:29 Alleenlijk ziet, dit heb ik gevonden, dat God den mens recht gemaakt heeft, maar zij hebben veel vonden gezocht.

Spread the Scripture
Updated: October 28, 2019 — 11:47 pm
My CMS © 2018 Frontier Theme