My CMS

Matt 10:38  En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.

Month: August 2019

Matthéüs 9

De genezing van een geraakte

Matt 9:1 En in het schip gegaan zijnde, voer Hij over en kwam in Zijn stad.
Matt 9:2 a En ziet, zij brachten tot Hem een geraakte, op een bed liggende. (9:2) En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon! wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven.

a: Mark 2:3 En er kwamen [sommigen] tot Hem, brengende een geraakte, die van vier gedragen werd.
Luk 5:18 En ziet, [enige] mannen brachten op een bed een mens, die geraakt was, en zochten hem in te brengen, en voor Hem te leggen.
Hand 9:33 En aldaar vond hij een zeker mens, met name En�as, die acht jaren te bed gelegen had, welke geraakt was.

Matt 9:3 En ziet, sommigen der Schriftgeleerden zeiden in zichzelven: b Deze lastert [God].

b: Ps 32:5 Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela.
Jes 43:25 Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet.

Matt 9:4 En Jezus, ziende hun gedachten, zeide: Waarom overdenkt gij kwaad in uw harten?
Matt 9:5 Want wat is lichter te zeggen: De zonden zijn u vergeven? of te zeggen: Sta op en wandel?
Matt 9:6 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde, de zonden te vergeven (toen zeide Hij tot den geraakte): Sta op, neem uw bed op, en ga heen naar uw huis.
Matt 9:7 En hij opgestaan zijnde, ging heen naar zijn huis.
Matt 9:8 De scharen nu [dat] ziende, hebben zich verwonderd, en God verheerlijkt, die zodanige macht den mensen gegeven had.

De roeping van Matth��s

Matt 9:9 c En Jezus, van daar voortgaande, zag een mens in het tolhuis zitten, genaamd Matth��s; en zeide tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem.

c: Mark 2:14 En voorbijgaande zag Hij Levi, [den zoon] van Alf��s zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem.
Luk 5:27 En na dezen ging Hij uit, en zag een tollenaar, met name Levi, zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg Mij.

Matt 9:10 En het geschiedde, als Hij in het huis [van Matth��s] aanzat, ziet, vele tollenaars en zondaars kwamen en zaten mede aan, met Jezus en Zijn discipelen.
Matt 9:11 En de Farize�n, [dat] ziende, zeiden tot Zijn discipelen: Waarom eet uw Meester met de tollenaren en de zondaren?
Matt 9:12 Maar Jezus, [zulks] horende, zeide tot hen: Die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn.
Matt 9:13 Doch gaat heen en leert, wat het zij: d Ik wil barmhartigheid, en niet offerande; e want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.

d: Hos 6:6 Want Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer; en tot de kennis Gods, meer dan tot brandofferen.
Micha 6:8 Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist de HEERE van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God?
Matt 12:7 Doch zo gij geweten hadt, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben.

e: Mark 2:17 En Jezus, [dat] horende, zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.
Luk 5:32 Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering.
Luk 19:10 Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
1Tim 1:15 Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.

Het vasten

Matt 9:14 f Toen kwamen de discipelen van Johannes tot Hem, zeggende: Waarom vasten wij en de Farize�n veel, en Uw discipelen vasten niet?

f: Mark 2:18 En de discipelen van Johannes en der Farize�n vastten; en zij kwamen en zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes en der Farize�n, en Uw discipelen vasten niet?
Luk 5:33 En zij zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes dikmaals, en doen gebeden, desgelijks ook [de discipelen] der Farize�n, maar de Uwe eten en drinken?

Matt 9:15 En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen treuren, zolang de Bruidegom bij hen is? Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten.

g: 2Kor 11:2 Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb ulieden toebereid, om [u als] een reine maagd aan een man voor te stellen, [namelijk] aan Christus.

Matt 9:16 Ook zet niemand een lap ongevold laken op een oud kleed; want deszelfs aangezette lap scheurt af van het kleed, en er wordt een ergere scheur.
Matt 9:17 h Noch doet men nieuwen wijn in oude [leder] zakken; anders zo bersten de [leder] zakken, en de wijn wordt uitgestort, en de [leder] zakken verderven, maar men doet nieuwen wijn in nieuwe [leder] zakken, en beide te zamen worden behouden.

h: Mark 2:22 En niemand doet nieuwen wijn in oude [lederzakken]; anders doet de nieuwe wijn de [leder] zakken bersten en de wijn wordt uitgestort, en de [leder] zakken verderven; maar nieuwen wijn moet men in nieuwe [leder] zakken doen.

Het dochtertje van Ja�rus.
De bloedvloeiende vrouw.

Matt 9:18 Als Hij deze dingen tot hen sprak, i ziet, een overste kwam en aanbad Hem, zeggende: Mijn dochter is nu terstond gestorven, doch kom en leg Uw hand op haar, en zij zal leven.

i: Mark 2:22 En niemand doet nieuwen wijn in oude [lederzakken]; anders doet de nieuwe wijn de [leder] zakken bersten en de wijn wordt uitgestort, en de [leder] zakken verderven; maar nieuwen wijn moet men in nieuwe [leder] zakken doen.
Luk 8:41 En ziet, er kwam een man, wiens naam was Ja�rus, en hij was een overste der synagoge; en hij viel aan de voeten van Jezus, en bad Hem, dat Hij in zijn huis wilde komen.

Matt 9:19 En Jezus opgestaan zijnde, volgde hem, en Zijn discipelen.
Matt 9:20 (k En ziet, een vrouw die twaalf jaren het bloedvloeien gehad had, komende tot Hem van achteren, raakte den zoom Zijns kleeds aan;

k: Lev 15:25 Wanneer ook een vrouw, vele dagen buiten den tijd harer afzondering, van den vloed haars bloeds vloeien zal, of wanneer zij vloeien zal boven hare afzondering, zij zal al den dagen van den vloed harer onreinigheid, als in de dagen harer afzondering onrein zijn.
Mark 5:25 En een zekere vrouw, die twaalf jaren den vloed des bloeds gehad had,
Luk 8:43 En een vrouw, die twaalf jaren lang den vloed des bloeds gehad had, welke al haar leeftocht aan medicijnmeesters ten koste gelegd had; en van niemand had kunnen genezen worden,

Matt 9:21 Want zij zeide in zichzelven: Indien ik alleenlijk Zijn kleed aanraak, zo zal ik gezond worden.
Matt 9:22 En Jezus, Zich omkerende, en haar ziende, zeide: l Wees welgemoed, dochter! uw geloof heeft u behouden. En de vrouw werd gezond van dezelve ure af.)

l: Mark 5:34 En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede, en zijt genezen van deze uw kwaal.
Luk 8:48 En Hij zeide tot haar: Dochter, wees welgemoed, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.

Matt 9:23 m En als Jezus in het huis des oversten kwam, en zag de pijpers en de woelende schare,

m: Mark 5:38 En kwam in het huis des oversten der synagoge; en zag de beroerte [en degenen], die zeer weenden en huilden.
Luk 8:51 En als Hij in het huis kwam, liet Hij niemand inkomen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, en den vader en de moeder des kinds.

Matt 9:24 Zeide Hij tot hen: Vertrekt; want het dochtertje is niet dood, maar n slaapt. En zij belachten Hem.

n: Joh 11:11 Dit sprak Hij; en daarna zeide Hij tot hen: Lázarus, onze vriend, slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit den slaap op te wekken.

Matt 9:25 Als nu de schare uitgedreven was, ging Hij in, en greep haar hand; en het dochtertje stond op.
Matt 9:26 En dit gerucht ging uit door dat gehele land.

De twee blinden

Matt 9:27 En als Jezus van daar voortging, zijn Hem twee blinden gevolgd, roepende en zeggende: [Gij] Zone Davids, ontferm U onzer!
Matt 9:28 En als Hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot Hem. En Jezus zeide tot hen: Gelooft gij, dat Ik dat doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere!
Matt 9:29 Toen raakte Hij hun ogen aan, zeggende: U geschiede naar uw geloof.
Matt 9:30 En hun ogen zijn geopend geworden. o En Jezus heeft hun zeer gestrengelijk verboden, zeggende: Ziet, dat niemand het wete.

o: Matt 12:16 En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij Hem niet openbaar maken zouden;
Luk 5:14 En Hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou; maar ga heen, [zeide Hij], vertoon uzelven den priester, en offer voor uw reiniging, gelijk Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.

Matt 9:31 p Maar zij, uitgegaan zijnde, hebben Hem ruchtbaar gemaakt door dat gehele land.

p: Mark 7:36 En Hij gebood hunlieden, dat zij het niemand zeggen zouden; maar wat Hij hun ook gebood, zo verkondigden zij het des te meer.

De stomme bezetene.

Matt 9:32 q Als dezen nu uitgingen, ziet, zo brachten zij tot Hem een mens, die stom en van den duivel bezeten was.

q: Matt 12:22 Toen werd tot Hem gebracht een van den duivel bezeten, [die] blind en stom [was]; en Hij genas hem, alzo dat de blinde en stomme beide sprak en zag.
Luk 11:14 En Hij wierp een duivel uit, en die was stom. En het geschiedde, als de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak; en de scharen verwonderden zich.

Matt 9:33 En als de duivel uitgeworpen was, sprak de stomme. En de scharen verwonderden zich, zeggende: Er is nooit desgelijks in Israël gezien!
Matt 9:34 Maar de Farizeën zeiden: r Hij werpt de duivelen uit door den overste der duivelen.

r: Matt 12:24 Maar de Farizeën, [dit] gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit, dan door Beëlzebul, den overste der duivelen.
Mark 3:22 En de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beëlzebul, en door den overste der duivelen werpt Hij de duivelen uit.
Luk 11:15 Maar sommigen van hen zeiden: Hij werpt de duivelen uit door Beëlzebul, den overste der duivelen.

De oogst is groot.

Matt 9:35 s En Jezus omging al de steden en vlekken, lerende in hun synagogen, en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk.

s: Mark 6:6 En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof, en omging de vlekken [daar] rondom, lerende.
Luk 13:22 En Hij reisde van de ene stad en vlek tot de andere, lerende, en richtende [Zijn] reis naar Jeruzalem.

Matt 9:36 t En Hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, v gelijk schapen, die geen herder hebben.

t: Mark 6:34 En Jezus, uitgaande, zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen; want zij waren als schapen, die geen herder hebben; en Hij begon hun vele dingen te leren.

v: Jer 23:1 Wee den herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt de HEERE.
Ezech 34:2 Mensenkind! profeteer tegen de herders van Israël; profeteer en zeg tot hen, tot de herders: Alzo zegt de Heere HEERE: Wee den herderen Israëls, die zichzelven weiden! zullen niet de herders de schapen weiden?

Matt 9:37 Toen zeide Hij tot Zijn discipelen: x De oogst is wel groot; maar de arbeiders zijn weinige;

x: Luk 10:2 Hij zeide dan tot hen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige; daarom, bidt den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote.
Joh 4:35 Zegt gijlieden niet: Het zijn nog vier maanden, en [dan] komt de oogst? Ziet, Ik zeg u: Heft uw ogen op en aanschouwt de landen; want zij zijn alrede wit om te oogsten.

Matt 9:38 y Bidt dan den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote.

y: 2Thess 3:1 Voorts, broeders, bidt voor ons, opdat het Woord des Heeren [zijn] loop hebbe, en verheerlijkt worde, gelijk ook bij u;

Updated: October 28, 2019 — 10:41 pm

Matthéüs 8

De reiniging van een melaatse.

Matt 8:1 Toen Hij nu van den berg afgeklommen was, zijn Hem vele scharen gevolgd.
Matt 8:2 a En ziet, een melaatse kwam, en aanbad Hem, zeggende: Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.

a: Mark 1:40 En tot Hem kwam een melaatse, biddende Hem, en vallende voor Hem op de knieën, en tot Hem zeggende: Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.
Luk 5:12 En het geschiedde, als Hij in een dier steden was, ziet, er [was] een man vol melaatsheid; en Jezus ziende, viel hij op het aangezicht, en bad Hem, zeggende: Heere! zo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.

Matt 8:3 En Jezus, de hand uitstrekkende, heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd! En terstond werd [hij van] zijn melaatsheid gereinigd.
Matt 8:4 En Jezus zeide tot hem: Zie, dat gij [dit] niemand zegt; maar b ga heen, toon uzelven den priester, en offer de gave, die c Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.

b: Luk 5:14 En Hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou; maar ga heen, [zeide Hij], vertoon uzelven den priester, en offer voor uw reiniging, gelijk Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.

c: Lev 13:2 Een mens, als in het vel zijns vleses een gezwel, of gezweer, of witte blaar zal zijn, welke in het vel zijns vleses tot een plaag der melaatsheid zou worden, hij zal dan tot den priester Aäron, of tot een uit zijn zonen, de priesteren, gebracht worden.
Lev 14:2 Dit zal de wet des melaatsen zijn, ten dage zijner reiniging: dat hij tot den priester zal gebracht worden.

De hoofdman te Kapernaüm.

Matt 8:5 d Als nu Jezus te Kapérnaüm ingegaan was, kwam tot Hem een hoofdman over honderd, biddende Hem,

d: Luk 7:1 Nadat Hij nu al Zijn woorden voleindigd had, ten aanhore des volks, ging Hij in te Kapérnaüm.

Matt 8:6 En zeggende: Heere! mijn knecht ligt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen.
Matt 8:7 En Jezus zeide tot hem: Ik zal komen en hem genezen.
Matt 8:8 En de hoofdman over honderd, antwoordende, zeide: Heere! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen; maar e spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden.

e: Ps 107:20 Hij zond Zijn woord uit, en heelde hen, en rukte hen uit hun kuilen.

Matt 8:9 Want ik ben ook een mens onder de macht [van anderen], hebbende onder mij krijgsknechten; en ik zeg tot dezen: Ga! en hij gaat; en tot den anderen: Kom! en hij komt; en tot mijn dienstknecht: Doe dat! en hij doet het.
Matt 8:10 Jezus nu, [dit] horende, heeft Zich verwonderd, en zeide tot degenen, die [Hem] volgden: Voorwaar zeg Ik u, Ik heb zelfs in Israël zo groot een geloof niet gevonden.
Matt 8:11 f Doch Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk der hemelen;

f: Luk 13:29 En daar zullen er komen van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden, en zullen aanzitten in het Koninkrijk Gods.

Matt 8:12 g En de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; h aldaar zal wening zijn, en knersing der tanden.

g: Matt 21:43 Daarom zeg Ik ulieden, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt.

h: Matt 13:42 En zullen dezelve in den vurigen oven werpen; daar zal wening zijn en knersing der tanden.
Matt 22:13 Toen zeide de koning tot de dienaars: Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt [hem] uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn wening en knersing der tanden.
Matt 24:51 En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden; daar zal wening zijn en knersing der tanden.
Luk 13:28 Aldaar zal zijn wening en knersing der tanden, wanneer gij zult zien Abraham, en Izak, en Jakob, en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar ulieden buiten uitgeworpen.

Matt 8:13 En Jezus zeide tot den hoofdman over honderd: Ga heen, en u geschiede, gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden te dierzelver ure.

De schoonmoeder van Petrus

Matt 8:14 i En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag zijn vrouws moeder [te bed] liggen, hebbende de koorts.

i: Mark 1:29 En van stonde aan uit de synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andréas, met Jakobus en Johannes.
Luk 4:38 En [Jezus], opgestaan zijnde uit de synagoge, ging in het huis van Simon; en Simons vrouws moeder was met een grote koorts bevangen, en zij baden Hem voor haar.

Matt 8:15 En Hij raakte haar hand aan, en de koorts verliet haar; en zij stond op, en diende henlieden.
Matt 8:16 En als het laat geworden was, hebben zij velen, van den duivel bezeten, tot Hem gebracht, en Hij wierp de [boze] geesten uit met den woorde, en Hij genas allen, die kwalijk gesteld waren;
Matt 8:17 Opdat vervuld zou worden, dat gesproken was door Jesája, den profeet, zeggende: k Hij heeft onze krankheden [op Zich] genomen, en onze [ziekten] gedragen.

k: Jes 53:4 Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.
1Petr 2:24 Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.

Het volgen van Jezus

Matt 8:18 En Jezus, vele scharen ziende rondom Zich, beval aan de andere zijde over te varen.
Matt 8:19 l En er kwam een zeker Schriftgeleerde tot Hem, en zeide tot Hem: Meester! ik zal U volgen, waar Gij ook henengaat.

l: Luk 9:57 En het geschiedde op den weg, als zij reisden, dat een tot Hem zeide: Heere, ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat.

Matt 8:20 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge.
Matt 8:21 En een ander uit Zijn discipelen zeide tot Hem: Heere! laat mij toe, dat ik eerst heenga, en mijn vader begrave.
Matt 8:22 Doch Jezus zeide tot hem: Volg Mij, en m laat de doden hun doden begraven.

m: 1Tim 5:6 Maar die haar wellust volgt, die is levende gestorven.

De storm gestild.

Matt 8:23 n En als Hij in het schip gegaan was, zijn Hem Zijn discipelen gevolgd.

n: Mark 4:35 En op denzelfden dag, als het nu avond geworden was, zeide Hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde.
Luk 8:22 En het geschiedde in een van die dagen, dat Hij in een schip ging, en Zijn discipelen [met Hem]; en Hij zeide tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde van het meer. En zij staken af.

Matt 8:24 En ziet, er ontstond een grote onstuimigheid in de zee, alzo dat het schip van de golven bedekt werd; doch Hij sliep.
Matt 8:25 En Zijn discipelen, bij [Hem] komende, hebben Hem opgewekt, zeggende: Heere, behoed ons, wij vergaan!
Matt 8:26 En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingelovigen? o Toen stond Hij op, en bestrafte de winden en de zee; en er werd grote stilte.

o: Job 26:12 Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij [haar] verheffing.
Ps 107:29 Hij doet den storm stilstaan, zodat hun golven stilzwijgen.
Jes 51:10 Zijt Gij het niet, Die de zee, de wateren des groten afgronds, droog gemaakt hebt? Die de diepten der zee gemaakt hebt tot een weg, opdat de verlosten daardoor gingen?

Matt 8:27 En de mensen verwonderden zich, zeggende: Hoedanig een is Deze, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn!

De Gergeseense bezetenen.

Matt 8:28 p En als Hij over aan de andere zijde was gekomen in het land der Gergesénen, zijn Hem twee, van den duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, alzo dat niemand door dien weg kon voorbij gaan.

p: Mark 5:1 En zij kwamen over op de andere zijde der zee, in het land der Gadarénen.
Luk 8:26 En zij voeren voort naar het land der Gadarénen, hetwelk is tegenover Galiléa.

Matt 8:29 En ziet, zij riepen, zeggende: Jezus, Gij Zone Gods! wat hebben wij met U [te doen]? Zijt Gij hier gekomen om ons te pijnigen voor den tijd?
Matt 8:30 En verre van hen was een kudde veler zwijnen, weidende.
Matt 8:31 En de duivelen baden Hem, zeggende: Indien Gij ons uitwerpt, laat ons toe, dat wij in die kudde zwijnen varen.
Matt 8:32 En Hij zeide tot hen: Gaat heen. En zij uitgaande, voeren heen in de kudde zwijnen; en ziet, de gehele kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee, en zij stierven in het water.
Matt 8:33 En die ze weidden, zijn gevlucht; en als zij in de stad gekomen waren, boodschapten zij al [deze] dingen, en wat den bezetenen [geschied was].
Matt 8:34 En ziet, de gehele stad ging uit, Jezus tegemoet; en als zij Hem zagen, q baden zij, dat Hij uit hun landpalen wilde vertrekken.

q: Hand 16:39 En zij, komende, baden hen, en als zij hen uitgeleid hadden, begeerden zij, dat zij uit de stad gaan zouden.

Updated: October 28, 2019 — 10:41 pm

Matthéüs 7

De splinter en de balk

Matt 7:1 Oordeelt a niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.

a: Luk 6:37 En oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en gij zult niet verdoemd worden; laat los, en gij zult losgelaten worden.
Rom 2:1 Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mens, wie gij zijt, die [anderen] oordeelt; want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelven; want gij, die [anderen] oordeelt, doet dezelfde dingen.
1Kor 4:3 Doch mij is voor het minste, dat ik van ulieden geoordeeld worde, of van een menselijk oordeel; ja, ik oordeel ook mijzelven niet.
1Kor 4:5 Zo dan oordeelt niets voor den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, Welke ook in het licht zal brengen, hetgeen in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten; en als dan zal een iegelijk lof hebben van God.

Matt 7:2 b Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke mate gij meet, zal u wedergemeten worden.

b: Mark 4:24 En Hij zeide tot hen: Ziet, wat gij hoort. Met wat mate gij meet, zal u gemeten worden, en u, die hoort, zal [meer] toegelegd worden.
Luk 6:38 Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, neergedrukte, en geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met dezelfde maat, waarmede gijlieden meet, zal ulieden wedergemeten worden.

Matt 7:3 c En wat ziet gij den splinter, die in het oog uws broeders is, maar den balk, die in uw oog is, merkt gij niet?

c: Luk 6:41 En wat ziet gij den splinter, die in uws broeders oog is, en den balk, die in uw eigen oog is, merkt gij niet?
Luk 6:42 Of hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: Broeder, laat toe, dat ik den splinter, die in uw oog is, uitdoe; daar gij zelf den balk, die in uw oog is, niet ziet? Gij geveinsde! doe eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit te doen, die in uws broeders oog is.

Matt 7:4 Of, hoe zult gij tot uw broeder zeggen: Laat toe, dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog?
Matt 7:5 d Gij geveinsde! werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit uws broeders oog uit te doen.

d: Spr 18:17 Die de eerste is in zijn twistzaak, [schijnt] rechtvaardig te zijn; maar zijn naaste komt, en hij onderzoekt hem.

Matt 7:6 e Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uw paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelve met hun voeten vertreden, en [zich] omkerende, u verscheuren.

e: Spr 9:8 Bestraf den spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf den wijze, en hij zal u liefhebben.
Spr 23:9 Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.

Gebedsverhoring

Matt 7:7 Bidt, f en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.

f: Matt 21:22 En al wat gij zult begeren in het gebed, gelovende, zult gij ontvangen.
Mark 11:24 Daarom zeg Ik u: Alle dingen, die gij biddende begeert, gelooft, dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden.
Luk 11:9 En Ik zeg ulieden: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.
Joh 14:13 En zo wat gij begeren zult in Mijn Naam, dat zal Ik doen; opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde.
Joh 16:24 Tot nog toe hebt gij niet gebeden in Mijn Naam; bidt, en gij zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij.
Jak 1:5 En indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij [ze] van God begere, Die een iegelijk mildelijk geeft, en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden.
1Joh 3:22 En zo wat wij bidden, ontvangen wij van Hem, dewijl wij Zijn geboden bewaren, en doen, hetgeen behagelijk is voor Hem.
1Joh 5:14 En dit is de vrijmoedigheid, die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort.

Matt 7:8 g Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.

g: Spr 8:17 Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.
Jer 29:12 Dan zult gij Mij aanroepen, en henengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen.

Matt 7:9 Of wat mens is er onder u, zo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem een steen zal geven?
Matt 7:10 En zo hij hem om een vis zou bidden, die hem een slang zal geven?
Matt 7:11 Indien dan gij, h die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede [gaven] geven dengenen, die ze van Hem bidden!

h: Gen 6:5 En de HEERE zag, dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde, en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was.
Gen 8:21 En de HEERE rook dien liefelijken reuk, en de HEERE zeide in Zijn hart: Ik zal voortaan den aardbodem niet meer vervloeken om des mensen wil; want het gedichtsel van ‘s mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.

Matt 7:12 i Alle [dingen] dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo; want dat is de wet en de profeten.

i: Luk 6:31 En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks.

De enge poort

Matt 7:13 k Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan;

k: Luk 13:24 Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen;

Matt 7:14 l Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden.

l: Hand 14:22 Versterkende de zielen der discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods.

De boom en zijn vruchten

Matt 7:15 m Maar wacht [u] van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven.

m: Deut 13:3 Gij zult naar de woorden van dien profeet, of naar dien dromen-dromer niet horen; want de HEERE, uw God, verzoekt ulieden, om te weten, of gij den HEERE, uw God, liefhebt met uw ganse hart en met uw ganse ziel.
Jer 23:16 Zo zegt de HEERE der heirscharen: Hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit des HEEREN mond.
Matt 24:4 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide.
Rom 16:17 En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die gij [van ons] geleerd hebt; en wijkt af van dezelve.
Efez 5:6 Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid.
Kol 2:8 Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus;
1Joh 4:1 Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.

Matt 7:16 Aan hun vruchten zult gij hen kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen?
Matt 7:17 n Alzo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten.

n: Matt 3:10 En ook is alrede de bijl aan den wortel der bomen gelegd; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.
Matt 12:33 Of maakt den boom goed en zijn vrucht goed; of maakt den boom kwaad en zijn vrucht kwaad; want uit de vrucht wordt de boom gekend.
Mark 11:13 En ziende van verre een vijgeboom, die bladeren had, ging Hij [om te zien], of Hij ook iets op denzelven zou vinden; en daarbij gekomen zijnde, vond Hij niet dan bladeren; want het was de tijd der vijgen niet.
Luk 3:8 Brengt dan vruchten voort der bekering waardig; en begint niet te zeggen bij uzelven: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.

Matt 7:18 Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen.
Matt 7:19 Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.
Matt 7:20 Zo zult gij dan dezelve aan hun vruchten kennen.
Matt 7:21 o Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is.

o: Matt 25:11 Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heer, heer, doe ons open!
Luk 6:46 En wat noemt gij Mij, Heere, Heere! en doet niet hetgeen Ik zeg?
Luk 13:25 [Namelijk] nadat de Heer des huizes zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar gij zijt.
Hand 19:13 En sommigen van de omzwervende Joden, zijnde [duivel] bezweerders, hebben zich onderwonden den Naam van den Heere Jezus te noemen over degenen, die boze geesten hadden, zeggende: Wij bezweren u bij Jezus, Dien Paulus predikt!
Rom 2:13 (Want de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden;
Jak 1:22 En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende.

Matt 7:22 p Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan?

p: Jer 14:14 En de HEERE zeide tot mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken; zij profeteren ulieden een vals gezicht, en waarzegging, en nietigheid, en bedriegerij huns harten.
Jer 27:15 Want Ik heb ze niet gezonden, spreekt de HEERE, en zij profeteren valselijk in Mijn Naam; opdat Ik u uitstote, en gij omkomt, gij en de profeten, die u profeteren.
Luk 13:26 Alsdan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en Gij hebt in onze straten geleerd.

Matt 7:23 q En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; r gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!

q: Ps 6:9 (6:10) De HEERE heeft mijn smeking gehoord; de HEERE zal mijn gebed aannemen.
Matt 25:12 En hij, antwoordende, zeide: Voorwaar zeg ik u: Ik ken u niet.
Luk 13:25 [Namelijk] nadat de Heer des huizes zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar gij zijt.
Luk 13:27 En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, van waar gij zijt; wijkt van Mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid!

r: Matt 25:41 Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linker [hand zijn]: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is.
Luk 13:25 [Namelijk] nadat de Heer des huizes zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar gij zijt.
Luk 13:27 En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, van waar gij zijt; wijkt van Mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid!

De wijze en de dwaze bouwer

Matt 7:24 s Een iegelijk dan, die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft;

s: Jer 17:18 Laat mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden; laat hen verschrikt worden, maar laat mij niet verschrikt worden; breng over hen den dag des kwaads, en verbreek hen met een dubbele verbreking.
Luk 6:47 Een iegelijk, die tot Mij komt, en Mijn woorden hoort, en dezelve doet, Ik zal u tonen, wien hij gelijk is.
Rom 2:13 (Want de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden;
Jak 1:25 Maar die inziet in de volmaakte wet, die der vrijheid is, en daarbij blijft, deze, geen vergetelijk hoorder geworden zijnde, maar een dader des werks, deze, [zeg ik], zal gelukzalig zijn in dit zijn doen.

Matt 7:25 En er is slagregen nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond.
Matt 7:26 t En een iegelijk, die deze Mijn woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij een dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft;

t: Ezech 13:11 Zeg tot degenen, die met loze kalk pleisteren, dat hij omvallen zal; er zal een overstelpende plasregen zijn; en gij, o grote hagelstenen, zult vallen, en een grote stormwind zal [hem] splijten.
Rom 2:13 (Want de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden;
Jak 1:23 Want zo iemand een hoorder is des Woords, en niet een dader, die is een man gelijk, welke zijn aangeboren aangezicht bemerkt in een spiegel;

Matt 7:27 En de slagregen is nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot.
Matt 7:28 En het is geschied, als Jezus deze woorden geëindigd had, [dat] de scharen zich ontzetten over Zijn leer;
Matt 7:29 v Want Hij leerde hen, als macht hebbende, en niet als de Schriftgeleerden.

v: Mark 1:22 En zij versloegen zich over Zijn leer; want Hij leerde hen, als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden.
Mark 6:2 En als het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te leren; en velen, die [Hem] hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar [komen] Dezen deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen geschieden?
Luk 4:32 En zij versloegen zich over Zijn leer, want Zijn woord was met macht.

Updated: October 28, 2019 — 10:41 pm

Matthéüs 6

Het geven van aalmoezen.

Matt 6:1 Hebt acht, dat gij uw aalmoes niet doet voor de mensen, om van hen gezien te worden; anders zo hebt gij geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen is.
Matt 6:2 a Wanneer gij dan aalmoes doet, zo laat voor u niet trompetten, gelijk de geveinsden in de synagogen en op de straten doen, opdat zij van de mensen geëerd mogen worden. Voorwaar zeg Ik u: Zij hebben hun loon weg.

a: Rom 12:8 Hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid.

Matt 6:3 Maar als gij aalmoes doet, zo laat uw linker [hand] niet weten, wat uw rechter doet;
Matt 6:4 Opdat uw aalmoes in het verborgen zij; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, Die zal het u in het b openbaar vergelden.

b: Luk 14:14 En gij zult zalig zijn, omdat zij niet hebben, om u te vergelden; want het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen.

Matt 6:5 En wanneer gij bidt, zo zult gij niet zijn gelijk de geveinsden; want die plegen gaarne, in de synagogen en op de hoeken der straten staande, te bidden, opdat zij van de mensen mogen gezien worden. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben.
Matt 6:6 Maar gij, wanneer gij bidt, c gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.

c: 2Kon 4:33 Zo ging hij in, en sloot de deur voor hen beiden toe, en bad tot den HEERE.
Hand 10:4 En hij, de ogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zeide: Wat is het Heere? En hij zeide tot hem: Uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God.

Matt 6:7 En als gij bidt, d zo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de heidenen; want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden zullen verhoord worden.

d: 1Kon 18:28 En zij riepen met luider stem, en zij sneden zichzelven met messen en met priemen, naar hun wijze, totdat zij bloed over zich uitstortten.
Jes 1:15 En als gijlieden uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; [want] uw handen zijn vol bloed.

Matt 6:8 Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt.

Het gebed des Heeren.

Matt 6:9 Gij dan bidt aldus: e Onze Vader, Die in de hemelen [zijt]! Uw Naam worde geheiligd.

e: Luk 11:2 En Hij zeide tot hen: Wanneer gij bidt, zo zegt: Onze Vader, Die in de hemelen [zijt]! Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, [alzo] ook op de aarde.

Matt 6:10 Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel [alzo] ook op de aarde.
Matt 6:11 Geef ons heden ons dagelijks brood.
Matt 6:12 En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
Matt 6:13 En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den f boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.

f: Matt 13:19 Als iemand dat Woord des Koninkrijks hoort, en niet verstaat, zo komt de boze, en rukt weg, hetgeen in zijn hart gezaaid was; deze is degene, die bij den weg bezaaid is.

Matt 6:14 g Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven.

g: Mark 11:25 En wanneer gij staat om te bidden, vergeeft, indien gij iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, ulieden uw misdaden vergeve.
Kol 3:13 Verdragende elkander, en vergevende de een den anderen, zo iemand tegen iemand [enige] klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, [doet] ook gij alzo.

Matt 6:15 Maar indien gij den mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven.

h: Matt 18:35 Alzo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet van harte vergeeft een iegelijk zijn broeder zijn misdaden.
Jak 2:13 Want een onbarmhartig oordeel [zal gaan] over dengene, die geen barmhartigheid gedaan heeft; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel.

Het vasten.

Matt 6:16 i En wanneer gij vast, toont geen droevig gezicht, gelijk de geveinsden; want zij mismaken hun aangezichten, opdat zij van de mensen mogen gezien worden, als zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben.

i: Jes 58:3 [Zeggende]: Waarom vasten wij, en Gij ziet het niet aan, [waarom] kwellen wij onze ziel, en Gij weet het niet? Ziet, ten dage, wanneer gijlieden vast, zo vindt gij [uw] lust, en gij eist gestrengelijk al uw arbeid.
Matt 9:14 Toen kwamen de discipelen van Johannes tot Hem, zeggende: Waarom vasten wij en de Farizeën veel, en Uw discipelen vasten niet?
Mark 2:18 En de discipelen van Johannes en der Farizeën vastten; en zij kwamen en zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes en der Farizeën, en Uw discipelen vasten niet?
Luk 5:33 En zij zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes dikmaals, en doen gebeden, desgelijks ook [de discipelen] der Farizeën, maar de Uwe eten en drinken?

Matt 6:17 Maar gij, als gij vast, zalft uw hoofd, en wast uw aangezicht;
Matt 6:18 Opdat het van de mensen niet gezien worde, als gij vast, maar van uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.

Bezorgdheid.

Matt 6:19 Vergadert u k geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen;

k: Spr 23:4 Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft.
Hebr 13:5 [Uw] wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt vergenoegd met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.
Jak 5:1 Welaan nu, gij rijken, weent en huilt over uw ellendigheden, die over u komen.

Matt 6:20 Maar l vergadert u schatten in den hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen;

l: Luk 12:33 Verkoopt hetgeen gij hebt, en geeft aalmoes. Maaktuzelven buidels, die niet verouden, een schat, die niet afneemt, in de hemelen, daar de dief niet bijkomt, noch de mot verderft.
1Tim 6:19 Leggende zichzelven weg tot een schat een goed fondament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen.

Matt 6:21 Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
Matt 6:22 De kaars des lichaams is m het oog; indien dan uw oog eenvoudig is, zo zal uw gehele lichaam verlicht wezen;

m: Luk 11:34 De kaars des lichaams is het oog: wanneer dan uw oog eenvoudig is, zo is ook uw gehele lichaam verlicht; maar zo het boos is, zo is ook uw [gehele] lichaam duister.

Matt 6:23 Maar indien uw oog boos is, zo zal geheel uw lichaam duister zijn. Indien dan het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot [zal] de duisternis [zelve zijn]!
Matt 6:24 n Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal den enen haten en den anderen liefhebben, of hij zal den enen aanhangen en den anderen verachten; gij kunt niet God dienen en den Mammon.

n: Luk 16:13 Geen huisknecht kan twee heren dienen; want óf hij zal den enen haten, en den anderen liefhebben, óf hij zal den enen aanhangen, en den anderen verachten; gij kunt God niet dienen en den Mammon.

Matt 6:25 o Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding?

o: Ps 37:5 [Gimel]. Wentel uw weg op den HEERE, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken;
Ps 55:23 Werp uw zorg op den HEERE, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele.
Luk 12:22 En Hij zeide tot Zijn discipelen: Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten zult, noch voor het lichaam, waarmede gij u kleden zult.
Filipp 4:6 Weest in geen ding bezorgd; maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God;
1Tim 6:8 Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn.
1Petr 5:7 Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.

Matt 6:26 p Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt [nochtans] dezelve; gaat gij dezelve niet [zeer] veel te boven?

p: Job 39:3 (39:6) Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?
Ps 147:9 Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.

Matt 6:27 Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen?
Matt 6:28 En wat zijt gij bezorgd voor de kleding? Aanmerkt de leliën des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet;
Matt 6:29 En Ik zeg u, dat ook Sálomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk een van deze.
Matt 6:30 Indien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzo bekleedt, zal Hij u niet veel meer [kleden], gij kleingelovigen?
Matt 6:31 Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden?
Matt 6:32 Want al deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft.
Matt 6:33 q Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.

q: 1Kon 3:13 Zelfs ook wat gij niet begeerd hebt, heb Ik u gegeven, beide rijkdom en eer; dat uws gelijke niemand onder de koningen al uw dagen zijn zal.
Ps 37:25 [Nun]. Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien den rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood.
Ps 55:23 Werp uw zorg op den HEERE, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele.

Matt 6:34 Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen; [elke] dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad.

Updated: October 28, 2019 — 10:41 pm

Matthéüs 5

De zaligsprekingen

Matt 5:1 En [Jezus], de schare ziende, is geklommen op een berg, en als Hij nedergezeten was, kwamen Zijn discipelen tot Hem.
Matt 5:2 En Zijn mond geopend hebbende, leerde Hij hen, zeggende:
Matt 5:3 a Zalig [zijn] de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

a: Luk 6:20 En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide: Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.

Matt 5:4 b Zalig [zijn] die treuren; want zij zullen vertroost worden.

b: Luk 6:21 Zalig zijt gij, die nu hongert; want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij, die nu weent; want gij zult lachen.

Matt 5:5 c Zalig [zijn] de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven.

c: Ps 37:11 De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over groten vrede.

Matt 5:6 d Zalig [zijn] die hongeren en dorsten [naar] de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.

d: Jes 55:1 O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!

Matt 5:7 Zalig [zijn] de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.
Matt 5:8 e Zalig [zijn] de reinen van hart; want zij zullen God zien.

e: Ps 15:2 Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt;
Ps 24:4 Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert;
Hebr 12:14 Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal;

Matt 5:9 Zalig [zijn] de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.
Matt 5:10 f Zalig [zijn] die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

f: 2Kor 4:10 Altijd de doding van den Heere Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden.
2Tim 2:12 Indien wij verdragen, wij zullen ook met [Hem] heersen; indien wij [Hem] verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen;
1Petr 3:14 Maar indien gij ook lijdt om der gerechtigheid wil, zo zijt gij zalig; en vreest niet uit vreze van hen, en wordt niet ontroerd;

Matt 5:11 Zalig zijt gij, als u [de mensen] smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, g om Mijnentwil.

g: 1Petr 4:14 Indien gij gesmaad wordt om den Naam van Christus, zo zijt gij zalig; want de Geest der heerlijkheid, en [de Geest] van God rust op u. Wat hen aangaat, Hij wordt wel gelasterd, maar wat u aangaat, Hij wordt verheerlijkt.

Matt 5:12 h Verblijdt en verheugt [u]; want uw loon [is] groot in de hemelen; want alzo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u [geweest zijn].

h: Luk 6:23 Verblijdt u in dien dag, en zijt vrolijk; want, ziet, uw loon is groot in den hemel; want hun vaders deden desgelijks den profeten.

Het zout der aarde.
Het licht op de kandelaar

Matt 5:13 i Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal [het] gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden.

i: Mark 9:50 Het zout is goed; maar indien het zout onzout wordt, waarmede zult gij dat smakelijk maken? Hebt zout in uzelven, en houdt vrede onder elkander.
Luk 14:34 Het zout is goed; maar indien het zout smakeloos geworden is, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden?

Matt 5:14 Gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn.
Matt 5:15 k Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een koornmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis [zijn];

k: Mark 4:21 En Hij zeide tot hen: Komt ook de kaars, opdat zij onder de koornmaat of onder het bed gezet worde? [Is het] niet, opdat zij op den kandelaar gezet worde?
Luk 8:16 En niemand, die een kaars ontsteekt, bedekt dezelve met een vat, of zet ze onder een bed; maar zet ze op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen.
Luk 11:33 En niemand, die een kaars ontsteekt, zet [die] in het verborgen, noch onder een koornmaat, maar op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen.

Matt 5:16 l Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.

l: 1Petr 2:12 En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in [u] zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking.

Jezus en de Wet

Matt 5:17 Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om [die] te ontbinden, maar te vervullen.
Matt 5:18 Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, m totdat het alles zal zijn geschied.

m: Luk 16:17 En het is lichter, dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat een tittel der wet valle.

Matt 5:19 n Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, [die] zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie [dezelve] zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.

n: Jak 2:10 Want wie de gehele wet zal houden, en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.

Matt 5:20 Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der Schriftgeleerden en der Farizeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.

Jezus en de traditie

Matt 5:21 Gij hebt gehoord, dat [tot] de ouden gezegd is: o Gij zult niet doden; maar zo wie doodt, [die] zal strafbaar zijn door het gericht.

o: Ex 20:13 Gij zult niet doodslaan.
Deut 5:17 Gij zult niet doodslaan.

Matt 5:22 Doch Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Ráka! die zal strafbaar zijn door den groten raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur.
Matt 5:23 Zo gij dan uw gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft;
Matt 5:24 Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met uw broeder, en komt dan en offert uw gave.
Matt 5:25 p Weest haastelijk welgezind [jegens] uw wederpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt.

p: Luk 12:58 Want als gij heengaat met uw wederpartij voor de overheid, zo doet naarstigheid op den weg, om van hem verlost te worden; opdat hij misschien u niet voor den rechter trekke, en de rechter u den gerechtsdienaar overlevere, en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpe.
Efez 4:26 Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid;

Matt 5:26 Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben.
Matt 5:27 Gij hebt gehoord, dat [van] de ouden gezegd is: q Gij zult geen overspel doen.

q: Ex 20:14 Gij zult niet echtbreken.
Deut 5:18 En gij zult geen overspel doen.

Matt 5:28 Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw r [aan]ziet, om dezelve te begeren, die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan.

r: Job 31:1 Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?
Ps 119:37 Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.

Matt 5:29 s Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.

s: Matt 18:8 Indien dan uw hand of uw voet u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt [zijnde], dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden.
Mark 9:43 En indien uw hand u ergert, houwt ze af; het is u beter verminkt tot het leven in te gaan, dan de twee handen hebbende, heen te gaan in de hel, in het onuitblusselijk vuur;

Matt 5:30 En indien uw rechterhand u ergert, houwt ze af, en werpt ze van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.
Matt 5:31 Er is ook gezegd: t Zo wie zijn vrouw verlaten zal, die geve haar een scheidbrief.

t: Deut 24:1 Wanneer een man een vrouw zal genomen en die getrouwd hebben, zo zal het geschieden, indien zij geen genade zal vinden in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar een scheidbrief zal schrijven, en in haar hand geven, en ze laten gaan uit zijn huis.

Matt 5:32 v Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzake van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel.

v: Matt 19:7 Zij zeiden tot hem: Waarom heeft dan Mozes geboden een scheidbrief te geven en haar te verlaten?
Mark 10:4 En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten een scheidbrief te schrijven, en [haar] te verlaten.
Mark 10:11 En Hij zeide tot hen: Zo wie zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel tegen haar.
Luk 16:18 Een iegelijk, die zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel; en een iegelijk, die de verlatene van den man trouwt, die doet [ook] overspel.
1Kor 7:10 Doch den getrouwden gebiede niet ik, maar de Heere, dat de vrouw van den man niet scheide.

Matt 5:33 Wederom hebt gij gehoord, dat [van] de ouden gezegd is: x Gij zult den eed niet breken, maar gij zult den Heere uw eden houden.

x: Ex 20:7 Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.
Lev 19:12 Gij zult niet valselijk bij Mijn Naam zweren; want gij zoudt den Naam uws Gods ontheiligen; Ik ben de HEERE.
Deut 5:11 Gij zult den Naam des HEEREN, uws Gods, niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden dengene, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.

Matt 5:34 Maar Ik zeg u: y Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods;

y: Jak 5:12 Doch voor alle dingen, mijn broeders, zweert niet, noch bij den hemel, noch bij de aarde, noch enigen anderen eed; maar uw ja, zij ja, en het neen, neen; opdat gij in geen oordeel valt.

Matt 5:35 Noch bij de aarde, z omdat zij is de voetbank Zijner voeten; noch bij Jeruzalem, a omdat zij is de stad des groten Konings;

z: Jes 66:1 Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats Mijner rust?

a: Ps 48:3 Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde is de berg Sion, [aan] de zijden van het noorden; de stad des groten Konings.

Matt 5:36 Noch bij uw hoofd zult gij zweren, omdat gij niet een haar kunt wit of zwart maken;
Matt 5:37 Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit den boze.
Matt 5:38 Gij hebt gehoord, dat b gezegd is: Oog om oog, en tand om tand.

b: Ex 21:24 Oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet.
Lev 24:20 Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; gelijk als hij een gebrek een mens zal aangebracht hebben, zo zal ook hem aangebracht worden.
Deut 19:21 En uw oog zal niet verschonen; ziel om ziel, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet.

Matt 5:39 Maar Ik zeg u, c dat gij den boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;

c: Spr 24:29 Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.
Luk 6:29 Dengene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere; en dengene, die u den mantel neemt, verhindert ook den rok niet [te nemen].
Rom 12:17 Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle mensen.
1Kor 6:7 Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat gij met elkander rechtzaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever ongelijk? Waarom lijdt gij niet liever schade?
1Thess 5:15 Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt allen tijd het goede na, zo jegens elkander als jegens allen.
1Petr 3:9 Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat gij daartoe geroepen zijt, opdat gij zegening zoudt beërven.

Matt 5:40 En zo iemand met u rechten wil, en uw rok nemen, laat hem ook den mantel;
Matt 5:41 En zo wie u zal dwingen één mijl te gaan, gaat met hem twee [mijlen].
Matt 5:42 d Geeft dengene, die [iets] van u bidt, en keert u niet af van dengene, die van u lenen wil.

d: Deut 15:8 Maar gij zult hem uw hand mildelijk opendoen, en zult hem rijkelijk lenen, genoeg voor zijn gebrek, dat hem ontbreekt.
Luk 6:35 Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn, en gij zult kinderen des Allerhoogsten zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen.

Matt 5:43 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: e Gij zult uw naaste liefhebben, en uw vijand zult gij haten.

e: Lev 19:18 Gij zult niet wreken, noch [toorn] behouden tegen de kinderen uws volks; maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelven; Ik ben de HEERE!

Matt 5:44 Maar Ik zeg u: f Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en g bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen;

f: Luk 6:27 Maar Ik zeg ulieden, die [dit] hoort: Hebt uw vijanden lief; doet wel dengenen, die u haten.
Rom 12:20 Indien dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; indien hem dorst, zo geeft hem te drinken; want dat doende, zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hopen.

g: Luk 23:34 En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. En verdelende Zijn klederen, wierpen zij het lot.
Hand 7:60 En vallende op de knieën, riep hij met grote stem: Heere, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij.
1Kor 4:13 Wij worden gelasterd, en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsels der wereld [en] aller afschrapsel tot nu toe.
1Petr 2:23 Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt;

Matt 5:45 Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
Matt 5:46 h Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?

h: Luk 6:32 En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars hebben lief degenen, die hen liefhebben.

Matt 5:47 En indien gij uw broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen? Doen ook niet de tollenaars alzo?
Matt 5:48 Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.

Updated: October 28, 2019 — 10:41 pm

Matthéüs 4

De verzoeking in de woestijn

Matt 4:1 Toen a werd Jezus van den Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel.

a: Mark 1:12 En terstond dreef Hem de Geest uit in de woestijn.
Luk 4:1 En Jezus, vol des Heiligen Geestes, keerde wederom van de Jordaan, en werd door den Geest geleid in de woestijn;

Matt 4:2 En als Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde Hem ten laatste.
Matt 4:3 En de verzoeker, tot Hem gekomen zijnde, zeide: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg, dat deze stenen broden worden.
Matt 4:4 Doch Hij, antwoordende, zeide: Er is geschreven: b De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat.

b: Deut 8:3 En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat gij niet kendet, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit des HEEREN mond uitgaat.

Matt 4:5 Toen nam Hem de duivel mede naar de heilige stad, en stelde Hem op de tinne des tempels;
Matt 4:6 En zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelven nederwaarts; want er is geschreven, c dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, en [dat] zij U op de handen zullen nemen, opdat Gij niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot.

c: Ps 91:11 Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.
Ps 91:12 Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot.

Matt 4:7 Jezus zeide tot hem: Er is wederom geschreven: d Gij zult den Heere, uw God, niet verzoeken.

d: Deut 6:16 Gij zult den HEERE, uw God, niet verzoeken, gelijk als gij Hem verzocht hebt te Massa.

Matt 4:8 Wederom nam Hem de duivel mede op een zeer hogen berg, en toonde Hem al de koninkrijken der wereld, en hun heerlijkheid;
Matt 4:9 En zeide tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, nedervallende, mij zult aanbidden.
Matt 4:10 Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: e Den Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.

e: Deut 6:13 Gij zult den HEERE, uw God, vrezen, en Hem dienen; en gij zult bij Zijn Naam zweren.
Deut 10:20 Den HEERE, uw God, zult gij vrezen; Hem zult gij dienen, en Hem zult gij aanhangen, en bij Zijn Naam zweren.

Matt 4:11 Toen liet de duivel van Hem af; en ziet, de engelen zijn toegekomen, en dienden Hem.

Het begin van Jezus’ prediking

Matt 4:12 Als nu Jezus gehoord had, dat f Johannes overgeleverd was, is Hij wedergekeerd g naar Galiléa;

f: Mark 1:14 En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galiléa, predikende het Evangelie van het Koninkrijk Gods.
Luk 4:14 En Jezus keerde wederom, door de kracht des Geestes, naar Galiléa; en het gerucht van Hem ging uit door het gehele omliggende land.

g: Luk 4:16 En Hij kwam te Názareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op den dag des sabbats in de synagoge; en stond op om te lezen.
Luk 4:31 En Hij kwam af te Kapárnaüm, een stad van Galiléa, en leerde hen op de sabbatdagen.
Joh 4:43 En na de twee dagen ging Hij van daar en ging heen naar Galiléa;

Matt 4:13 En Názareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapárnaüm, gelegen aan de zee, in de landpale van Zebulon en Nafthali;
Matt 4:14 Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesája, den profeet, zeggende:
Matt 4:15 h Het land Zebulon en het land Nafthali [aan den] weg der zee over de Jordaan, Galiléa der volken;

h: Jes 8:23 Maar [het land], dat beangstigd was, zal niet [gans] verduisterd worden; gelijk als Hij het in den eersten tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, alzo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar den weg zeewaarts aan [gelegen] over de Jordaan, aan Galiléa der heidenen.
Jes 9:1 Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen.

Matt 4:16 Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en degenen, die zaten in het land en de schaduwe des doods, denzelven is een licht opgegaan.
Matt 4:17 Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen: i Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.

i: Mark 1:15 En zeggende: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods nabij gekomen; bekeert u, en gelooft het Evangelie.

De eerste discipelen

Matt 4:18 k En Jezus, wandelende aan de zee van Galiléa, zag twee broeders, [namelijk] Simon, gezegd Petrus, en Andréas, zijn broeder, het net in de zee werpende (want zij waren vissers);

k: Mark 1:16 En wandelende bij de Galilese zee, zag Hij Simon en Andréas, zijn broeder, werpende het net in de zee (want zij waren vissers);

Matt 4:19 En Hij zeide tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken.
Matt 4:20 Zij dan, terstond de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd.
Matt 4:21 En Hij, van daar voortgegaan zijnde, zag twee andere broeders, [namelijk] Jakobus, den [zoon] van Zebedéüs, en Johannes, zijn broeder, in het schip met hun vader Zebedéüs, hun netten vermakende, en heeft hen geroepen.
Matt 4:22 Zij dan, terstond verlatende het schip en hun vader, zijn Hem nagevolgd.
Matt 4:23 En Jezus omging geheel Galiléa, lerende in hun synagogen en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk.
Matt 4:24 En Zijn gerucht ging [van daar] uit in geheel Syrië; en zij brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde, en van den duivel bezeten, en maanzieken en geraakten; en Hij genas dezelve.
Matt 4:25 En vele scharen volgden Hem na, van Galiléa en [van] Dekápolis, en [van] Jeruzalem, en [van] Judéa, en [van] over de Jordaan.

Updated: October 28, 2019 — 10:41 pm

Matthéüs 3

Johannes de Doper

Matt 3:1 En in die dagen a kwam Johannes de Doper, predikende in de woestijn van Judéa,

a: Mark 1:4 Johannes was dopende in de woestijn, en predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden.
Luk 3:3 En hij kwam in al het omliggende land der Jordaan, predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden.

Matt 3:2 En zeggende: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.
Matt 3:3 Want deze is het, van denwelken gesproken is door Jesája, den profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!

b: Jes 40:3 Een stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des HEEREN, maakt recht in de wildernis een baan voor onzen God!
Mark 1:3 De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht.
Luk 3:4 Gelijk geschreven is in het boek der woorden van Jesája, den profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!
Joh 1:23 Hij zeide: Ik ben de stem des roependen in de woestijn: Maakt den weg des Heeren recht, gelijk Jesája, de profeet, gesproken heeft.

Matt 3:4 En dezelve Johannes had zijn kleding van kemelshaar, en een lederen gordel om zijn lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig.

c: Mark 1:6 En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met een lederen gordel om zijn lenden, en at sprinkhanen en wilde honig.

Matt 3:5 Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judéa, en het gehele land rondom de Jordaan;
Matt 3:6 En werden van hem gedoopt in de Jordaan, belijdende hun zonden.

d: Mark 1:5 En al het Joodse land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem; en werden allen van hem gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hun zonden.

Matt 3:7 Hij dan, ziende e velen van de Farizeën en Sadduceën tot zijn doop komen, sprak tot hen: f Gij adderengebroedsels! wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn?

e: Luk 3:7 Hij zeide dan tot de scharen, die uitkwamen, om van hem gedoopt te worden: Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn?

f: Matt 12:34 Gij adderengebroedsels! hoe kunt gij goede dingen spreken, daar gij boos zijt? want uit den overvloed des harten spreekt de mond.
Matt 23:33 Gij slangen, gij adderengebroedsels! hoe zoudt gij de helse verdoemenis ontvlieden?

Matt 3:8 g Brengt dan vruchten voort, der bekering waardig.

g: Luk 3:8 Brengt dan vruchten voort der bekering waardig; en begint niet te zeggen bij uzelven: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.

Matt 3:9 En meent niet bij u zelven te zeggen: h Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.

h: Joh 8:39 Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zeide tot hen: Indien gij Abrahams kinderen waart, zo zoudt gij de werken van Abraham doen.

Matt 3:10 En ook is alrede de bijl aan den wortel der bomen gelegd; i alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.

i: Matt 7:19 Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.
Joh 15:6 Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank, en is verdord; en men vergadert dezelve, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.

Matt 3:11 Ik doop u wel met water tot bekering; k maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waardig ben [Hem na] te dragen; Die zal u met den Heiligen Geest en met vuur dopen.

k: Mark 1:7 En hij predikte, zeggende: Na mij komt, Die sterker is dan ik, Wien ik niet waardig ben, nederbukkende, den riem Zijner schoenen te ontbinden.
Luk 3:16 Zo antwoordde Johannes aan allen, zeggende: Ik doop u wel met water; maar Hij komt, Die sterker is dan ik, Wien ik niet waardig ben den riem van Zijn schoenen te ontbinden; Deze zal u dopen met den Heiligen Geest en met vuur;
Joh 1:15 Johannes getuigt van Hem, en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van Welken ik zeide: Die na mij komt, is voor mij geworden, want Hij was eer dan ik.
Joh 1:26 Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar Hij staat midden onder ulieden, Dien gij niet kent;
Hand 1:5 Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen.
Hand 1:11 Welke ook zeiden: Gij Galilése mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.
Hand 1:16 Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, welke de Heilige Geest door den mond Davids voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest is dergenen, die Jezus vingen;
Hand 19:4 Maar Paulus zeide: Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Dengene, Die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus.

Matt 3:12 Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden.

Johannes doopt Jezus

Matt 3:13 Toen kwam Jezus van Galiléa naar de Jordaan, tot Johannes, om van hem gedoopt te worden.
Matt 3:14 Doch Johannes weigerde Hem zeer, zeggende: Mij is nodig van U gedoopt te worden, en komt Gij tot mij?
Matt 3:15 Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af.
Matt 3:16 En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen, gelijk een duive, en op Hem komen.
Matt 3:17 En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!

Updated: October 28, 2019 — 10:42 pm

Matthéüs 2

De wijzen uit het oosten

Matt 2:1 Toen nu aJezus geboren was te Bethlehem, [gelegen] in Judéa, in de dagen van den koning Heródes, ziet, [enige] wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen.

a: Luk 2:4 En Jozef ging ook op van Galiléa, uit de stad Názareth, naar Judéa, tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit het huis en geslacht van David was);

Matt 2:2 Zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben gezien Zijn ster in het Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden.
Matt 2:3 De koning Heródes nu, [dit] gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem, met hem.
Matt 2:4 En bijeenvergaderd hebbende al de overpriesters en Schriftgeleerden des volks, vraagde van hen, waar de Christus zou geboren worden.
Matt 2:5 En zij zeiden tot hem: Te Bethlehem, in Judéa [gelegen]; want alzo is geschreven door den profeet:
Matt 2:6 En gij Bethlehem, [gij] land Juda! zijt geenszins de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israël weiden zal.

b: Micha 5:1 En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.
Joh 7:42 Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit den zade Davids, en van het vlek Bethlehem, waar David was?

Matt 2:7 Toen heeft Heródes de wijzen heimelijk geroepen, en vernam naarstiglijk van hen den tijd, wanneer de ster verschenen was;
Matt 2:8 En hen naar Bethlehem zendende, zeide: Reist heen, en onderzoekt naarstiglijk naar dat Kindeken, en als gij Het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik ook kome en Datzelve aanbidde.
Matt 2:9 En zij, den koning gehoord hebbende, zijn heengereisd; en ziet, de ster, die zij in het oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven [de plaats], waar het Kindeken was.
Matt 2:10 Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde.
Matt 2:11 En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindeken met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook, en mirre.
Matt 2:12 En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in den droom, dat zij niet zouden wederkeren tot Heródes, vertrokken zij door een anderen weg weder naar hun land.

Naar Egypte

Matt 2:13 Toen zij nu vertrokken waren, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het Kindeken en Zijn moeder, en vlied in Egypte, en wees aldaar, totdat ik het u zeggen zal; want Heródes zal het Kindeken zoeken, om Hetzelve te doden.
Matt 2:14 Hij dan opgestaan zijnde, nam het Kindeken en Zijn moeder tot zich in den nacht, en vertrok naar Egypte;
Matt 2:15 En was aldaar tot den dood van Heródes; opdat vervuld zou worden hetgeen van den Heere gesproken is door den profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.

c: Hos 11:1 Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen.

Matt 2:16 Als Heródes zag, dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en [enigen] afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al deszelfs landpalen [waren], van twee jaren [oud] en daaronder, naar den tijd, dien hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had.
Matt 2:17 Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door den profeet Jeremía, zeggende:
Matt 2:18 Een stem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn!

d: Jer 31:15 Zo zegt de HEERE: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn.

Naar Nazareth

Matt 2:19 Toen Heródes nu gestorven was, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, in Egypte.
Matt 2:20 Zeggende: Sta op, neem het Kindeken en Zijn moeder tot u, en trek in het land Israëls; want zij zijn gestorven, die de ziel van het Kindeken zochten.
Matt 2:21 Hij dan, opgestaan zijnde, heeft tot zich genomen het Kindeken en Zijn moeder, en is gekomen in het land Israëls.
Matt 2:22 Maar als hij hoorde, dat Archelaus in Judéa koning was, in de plaats van zijn vader Heródes, vreesde hij daarheen te gaan; maar door Goddelijke openbaring vermaand in den droom, is hij vertrokken in de delen van Galiléa.
Matt 2:23 En [daar] gekomen zijnde, nam hij zijn woonplaats in de stad, genaamd Názareth; opdat vervuld zou worden, wat door de profeten gezegd is, dat Hij Nazaréner zal geheten worden.

e: Jes 11:1 Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen.
Jes 60:21 En uw volk zullen allen te zamen rechtvaardigen zijn, zij zullen in eeuwigheid de aarde erfelijk bezitten; zij zullen zijn een spruit Mijner plantingen, een werk Mijner handen, opdat Ik verheerlijkt worde.
Zach 6:12 En spreek tot hem, zeggende: Alzo spreekt de HEERE der heirscharen, zeggende: Ziet, een Man, Wiens naam is SPRUITE, Die zal uit Zijn plaats spruiten, en Hij zal des HEEREN tempel bouwen.

Updated: October 28, 2019 — 10:42 pm

Matthéüs 1

Christus’ geslachtsregister

Matt 1:1 Het boek des geslachts van JEZUS CHRISTUS, den Zoon van a David, den zoon van Abraham.

a: Luk 1:31 En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS.
Luk 1:32 Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven.

Matt 1:2 b Abraham gewon c Izak, en Izak gewon d Jakob, en Jakob gewon Juda, en zijn broeders;

b: Gen 21:2 En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had.

c: Gen 25:26 En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau’s verzenen hield; daarom noemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren oud, als hij hen gewon.

d: Gen 29:35 En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Ditmaal zal ik den HEERE loven; daarom noemde zij zijn naam Juda. En zij hield op van baren.

Matt 1:3 En e Juda gewon Fares en Zara bij Thamar; en f Fares gewon Esrom, en Esrom gewon Aram;

e: Gen 29:27 Vervul de week van deze; dan zullen wij u ook die geven, voor den dienst, dien gij nog andere zeven jaren bij mij dienen zult.
Gen 29:29 En Laban gaf aan zijn dochter Rachel zijn dienstmaagd Bilha, haar tot een dienstmaagd.

f: Ruth 4:18 Dit nu zijn de geboorten van Perez: Perez gewon Hezron;
1Kron 2:5 De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul.

g: Ruth 4:19 En Hezron gewon Ram; en Ram gewon Amminádab;
1Kron 2:9 En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jeráhmeël, en Ram, en Chelúbai.

Matt 1:4 En Aram gewon Aminádab, en Aminádab gewon Nahasson, en Nahasson gewon Salmon;
Matt 1:5 En Salmon gewon Boöz bij Rachab, en Boöz gewon Obed bij Ruth, en Obed gewon Jessai;
Matt 1:6 En Jessai gewon David, den koning; en David, den koning, gewon Sálomon bij degene, die Uría’s [vrouw was geweest];

h: Ruth 4:22 En Obed gewon Isaï; en Isaï gewon David.
1Sam 16:1 Toen zeide de HEERE tot Samuël: Hoe lang draagt gij leed om Saul, dien Ik toch verworpen heb, dat hij geen koning zij over Israël? Vul uw hoorn met olie, en ga heen; Ik zal u zenden tot Isaï, den Bethlehemiet; want Ik heb Mij een koning onder zijn zonen uitgezien.
1Sam 17:12 David nu was de zoon van den Efrathischen man van Bethlehem-Juda, wiens naam was Isaï, en [die] acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen.
1Kron 2:15 Ozem, den zesde, David, den zevende.
1Kron 12:18 En de Geest toog Amásai aan, den overste der hoofdlieden, [en hij zeide]: Wij zijn uw, o David, en met u zijn wij, gij, zoon van Isaï. Vrede, vrede zij u, en vrede uw helperen; want uw God helpt u. Toen nam David hen aan, en stelde hen tot hoofden der benden.

Matt 1:7 En Sálomon gewon Róboam, en Róboam gewon Abía, en Abía gewon Asa;

i: 1Kon 11:43 Daarna ontsliep Sálomo met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van zijn vader David; en Rehábeam, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
1Kron 3:10 Sálomo’s zoon nu was Rehábeam; zijn zoon was Abía; zijn zoon was Asa; zijn zoon was Jósafat;

Matt 1:8 En Asa gewon Jósafat, en Jósafat gewon Joram, en Joram gewon Ozías;
Matt 1:9 En Ozías gewon Jóatham, en Jóatham gewon Achaz, en Achaz gewon Ezekías;
Matt 1:10 En Ezekías gewon Manasse, en Manasse gewon Amon, en Amon gewon Josías;
Matt 1:11 En Josías gewon Jechónias, en zijn broeders, omtrent de Babylonische overvoering.

k: 1Kron 3:16 De kinderen van Jójakim nu waren: Jechónia zijn zoon, Zedekía zijn zoon.

Matt 1:12 En na de Babylonische overvoering gewon Jechónias Saláthiël, en Saláthiël gewon Zorobábel;

l: 1Kron 3:17 En de kinderen van Jechónia waren Assir; zijn zoon was Sealthiël;

m: Ezra 3:2 En Jésua, de zoon van Józadak, maakte zich op, en zijn broederen, de priesters en Zerubbábel, de zoon van Sealthiël, en zijn broederen, en zij bouwden het altaar des Gods van Israël, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, den man Gods.

Matt 1:13 En Zorobábel gewon Abiud, en Abiud gewon Eljákim, en Eljákim gewon Azor;
Matt 1:14 En Azor gewon Sadok, en Sadok gewon Achim, en Achim gewon Elihud;
Matt 1:15 En Elihud gewon Eleázar, en Eleázar gewon Matthan, en Matthan gewon Jakob;
Matt 1:16 En Jakob gewon Jozef, den man van Maria, uit welke geboren is JEZUS, gezegd Christus.
Matt 1:17 Al de geslachten dan, van Abraham tot David, [zijn] veertien geslachten; en van David tot de Babylonische overvoering, [zijn] veertien geslachten; en van de Babylonische overvoering tot Christus, [zijn] veertien geslachten.

Christus’ geboorte

Matt 1:18 De geboorte van Jezus Christus was nu aldus; want als Maria, zijn moeder, met Jozef ondertrouwd was, eer zij samengekomen waren, werd zij zwanger bevonden uit den Heiligen Geest.

n: Luk 1:27 Tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, wiens naam was Jozef, uit den huize Davids; en de naam der maagd was Maria.
Luk 1:34 En Maria zeide tot den engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man bekenne?

Matt 1:19 Jozef nu, haar man, alzo hij rechtvaardig was, en haar niet wilde openbaarlijk te schande maken, was van wil haar heimelijk te verlaten.
Matt 1:20 En alzo hij deze dingen in den zin had, ziet, de engel des Heeren verscheen hem in den droom, zeggende: Jozef, [gij] zone Davids! wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; want hetgeen in haar ontvangen is, dat is uit den Heiligen Geest;
Matt 1:21 En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.

o: Luk 1:31 En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS.

p: Hand 4:12 En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.

Matt 1:22 En dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden, hetgeen van den Heere gesproken is, door den profeet, zeggende:
Matt 1:23 Ziet, de maagd zal zwanger worden, en een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten Emmanuël; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons.

q: Jes 7:14 Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUËL heten.

Matt 1:24 Jozef dan, opgewekt zijnde van den slaap, deed, gelijk de engel des Heeren hem bevolen had, en heeft zijn vrouw tot zich genomen;
Matt 1:25 En bekende haar niet, totdat zij dezen haar eerstgeboren Zoon gebaard had; en heette Zijn naam JEZUS.

r: Luk 2:21 En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kindeken besnijden zou, zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was van den engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was.

Updated: October 28, 2019 — 10:42 pm

Maleachi 4

De Zon der gerechtigheid

1 Want ziet, die dag komt, brandende als een oven, dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, aeen stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in brand zetten, zegt de HEERE der heirscharen, Die hun noch wortel, noch tak laten zal.

a: Oba 1:18  En Jakobs huis zal een vuur zijn, en Jozefs huis een vlam, en Ezau’s huis tot een stoppel; en zij zullen tegen hen ontbranden, en zullen ze verteren, zodat Ezau’s huis geen overgeblevene zal hebben; want de HEERE heeft het gesproken. 

2 Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren.
3 En gij zult de goddelozen vertreden; want zij zullen as worden onder de zolen uwer voeten, te dien dage, dien Ik maken zal, zegt de HEERE der heirscharen.
bGedenk der wet van Mozes, Mijn knecht, die Ik hen bevolen heb op Horeb aan gans Israel, der inzettingen en rechten.

b: Deu 6:3  Hoor dan, Israel! en neem waar, dat gij ze doet, opdat het u welga, en opdat gij zeer vermenigvuldigdet (gelijk als u de HEERE, uwer vaderen God, gesproken heeft) in het land, dat van melk en honig is vloeiende. 

5 Ziet, Ik zende ulieden den profeet cElia, eer dat die grote en die vreselijke dag des HEEREN komen zal.

c: Mat 11:14  En zo gij het wilt aannemen, hij is Elias, die komen zou.
Mat 17:11  Doch Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Elias zal wel eerst komen, en alles weder oprichten.
Mat 17:12  Maar Ik zeg u, dat Elias nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend; doch zij hebben aan hem gedaan, al wat zij hebben gewild; alzo zal ook de Zoon des mensen van hen lijden.
Mat 17:13  Toen verstonden de discipelen dat Hij hun van Johannes de Doper gesproken had.
Mar 9:11  En zij vraagden Hem, zeggende: Waarom zeggen de Schriftgeleerden, dat Elias eerst komen moet?
Mar 9:12  En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Elias zal wel eerst komen, en alles weder oprichten; en het zal geschieden, gelijk geschreven is van den Zoon des mensen, dat Hij veel lijden zal en veracht worden.
Mar 9:13  Maar Ik zeg u, dat ook Elias gekomen is, en zij hebben hem gedaan al wat zij gewild hebben, gelijk van hem geschreven is.
Luk 1:17  En hij zal voor Hem heengaan, in den geest en de kracht van Elias, om te bekeren de harten der vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen, om den Heere te bereiden een toegerust volk. 

6 En hij zal het hart der vaderen tot de kinderen wederbrengen, en het hart der kinderen tot hun vaderen; opdat Ik niet kome, en de aarde met den ban sla.

Updated: October 28, 2019 — 10:42 pm
My CMS © 2018 Frontier Theme