My CMS

Matt 10:38  En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.

Numeri 10

De zilveren trompetten

Num 10:1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Num 10:2 Maak u twee zilveren trompetten; van dicht werk zult gij ze maken; en zij zullen u zijn tot de samenroeping der vergadering, en tot den optocht der legers.
Num 10:3 Als zij met dezelve blazen zullen, dan zal de gehele vergadering tot u vergaderd worden, aan de deur van de tent der samenkomst.
Num 10:4 Maar als zij met de ene zullen blazen, dan zullen tot u vergaderd worden de oversten, de hoofden der duizenden van Israel.
Num 10:5 Als gij met een gebroken geklank blazen zult, dan zullen de legers, die tegen het oosten gelegerd zijn, optrekken.
Num 10:6 Maar als gij ten tweeden male met een gebroken klank blazen zult, zullen de legers, die tegen het zuiden legeren, optrekken; met een gebroken klank zullen zij blazen tot hun optochten.
Num 10:7 Maar in het verzamelen van de gemeente, zult gij blazen, doch geen gebroken geklank maken.
Num 10:8 En de zonen van Aaron(verheven berg, lichtbrenger), de priesters, zullen met die trompetten blazen; en zij zullen ulieden zijn tot een eeuwige inzetting bij uw geslachten.
Num 10:9 En wanneer gijlieden in uw land ten strijde zult trekken tegen den vijand, die u benauwt, zult gij ook met die trompetten een gebroken klank maken; zo zal uwer gedacht worden voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, en gij zult van uw vijanden verlost worden.
Num 10:10 Desgelijks ten dage uwer vrolijkheid, en in uw gezette hoogtijden, en in de beginselen uwer maanden, zult gij ook met de trompetten blazen over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht uws Gods; Ik ben de HEERE, uw God!

Van Sinaï naar de woestijn Paran.

Num 10:11 En het geschiedde in het tweede jaar, in de tweede maand, op den twintigsten van de maand, dat de wolk verheven werd van boven den tabernakel der getuigenis.
Num 10:12 En de kinderen Israels togen op, naar hun tochten, uit de woestijn Sinai; en de wolk bleef in de woestijn Paran.
Num 10:13 Alzo togen zij vooreerst op, naar den mond des HEEREN, door de hand van Mozes.
Num 10:14 Want vooreerst toog op de banier van het leger der kinderen van Juda, a) naar hun heiren; b) en over zijn heir was Nahesson, de zoon van Amminadab.

a) Num 2:3 Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen den opgang, zal zijn de banier des legers van Juda, naar hun heiren; en Nahesson, de zoon van Amminadab, zal de overste der zonen van Juda zijn.

b) Num 1:7 Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab.

Num 10:15 En over het heir van den stam der kinderen van Issaschar was Nethaneel, den zoon van Zuar.
Num 10:16 En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon.
Num 10:17 Toen werd de tabernakel afgenomen, en de zonen van Gerson, en de zonen van Merari togen op, dragende den tabernakel.
Num 10:18 Daarna toog de banier van het leger van Ruben, naar hun heiren; en over zijn heir was Elizur, de zoon van Sedeur.
Num 10:19 En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
Num 10:20 En over het heir van den stam der kinderen van Gad was Eljasaf, de zoon van Dehuel.
Num 10:21 Toen togen op de Kohathieten, dragende c) het heiligdom; en de anderen richtten den tabernakel op, tegen dat dezen kwamen.

c) Num 4:4 Dit zal de dienst zijn der zonen van Kohath, in de tent der samenkomst, te weten de heiligheid der heiligheden.

Num 10:22 Daarna toog op de banier van het leger der kinderen van Efraim, naar hun heiren; en over het heir was Elisama, de zoon van Ammihud.
Num 10:23 En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamaliel, de zoon van Pedazur.
Num 10:24 En over het heir van den stam der kinderen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni.
Num 10:25 Toen toog op de banier van het leger der kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun heiren; en over zijn heir was Ahiezer de zoon van Ammisaddai.
Num 10:26 En over het heir van den stam der kinderen van Aser was Pagiel, de zoon van Ochran.
Num 10:27 En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan.
Num 10:28 Dit waren de tochten der kinderen Israels, naar hun heiren, als zij reisden.
Num 10:29 Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuel, den Midianiet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israel het goede gesproken.
Num 10:30 Doch hij zeide tot hem: Ik zal niet gaan; maar ik zal naar mijn land en naar mijn maagschap gaan.
Num 10:31 En hij zeide: Verlaat ons toch niet; want dewijl gij weet, dat wij ons legeren in de woestijn, zo zult gij ons tot ogen zijn.
Num 10:32 En het zal geschieden, als gij met ons zult gaan, en het goede geschieden zal, waarmede de HEERE bij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen.
Num 10:33 Zo togen zij drie dagreizen van den berg des HEEREN; en de ark des verbonds des HEEREN reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren.
Num 10:34 En de wolk des HEEREN was des daags over hen, als zij uit het leger verreisden.
Num 10:35 Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: d) Sta op, HEERE! en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw haters van Uw aangezicht vlieden!

d) Ps. 68:2 God zal opstaan, Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en Zijn haters zullen van Zijn aangezicht vlieden.

Num 10:36 En als zij rustte, zeide hij: Kom weder, HEERE! tot de tien duizenden der duizenden van Israel!

Spread the Scripture
Updated: October 19, 2019 — 9:43 am
My CMS © 2018 Frontier Theme