My CMS

Matt 10:38  En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.

Matthéüs 8

De reiniging van een melaatse.

Matt 8:1 Toen Hij nu van den berg afgeklommen was, zijn Hem vele scharen gevolgd.
Matt 8:2 a En ziet, een melaatse kwam, en aanbad Hem, zeggende: Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.

a: Mark 1:40 En tot Hem kwam een melaatse, biddende Hem, en vallende voor Hem op de knieën, en tot Hem zeggende: Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.
Luk 5:12 En het geschiedde, als Hij in een dier steden was, ziet, er [was] een man vol melaatsheid; en Jezus ziende, viel hij op het aangezicht, en bad Hem, zeggende: Heere! zo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.

Matt 8:3 En Jezus, de hand uitstrekkende, heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd! En terstond werd [hij van] zijn melaatsheid gereinigd.
Matt 8:4 En Jezus zeide tot hem: Zie, dat gij [dit] niemand zegt; maar b ga heen, toon uzelven den priester, en offer de gave, die c Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.

b: Luk 5:14 En Hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou; maar ga heen, [zeide Hij], vertoon uzelven den priester, en offer voor uw reiniging, gelijk Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.

c: Lev 13:2 Een mens, als in het vel zijns vleses een gezwel, of gezweer, of witte blaar zal zijn, welke in het vel zijns vleses tot een plaag der melaatsheid zou worden, hij zal dan tot den priester Aäron, of tot een uit zijn zonen, de priesteren, gebracht worden.
Lev 14:2 Dit zal de wet des melaatsen zijn, ten dage zijner reiniging: dat hij tot den priester zal gebracht worden.

De hoofdman te Kapernaüm.

Matt 8:5 d Als nu Jezus te Kapérnaüm ingegaan was, kwam tot Hem een hoofdman over honderd, biddende Hem,

d: Luk 7:1 Nadat Hij nu al Zijn woorden voleindigd had, ten aanhore des volks, ging Hij in te Kapérnaüm.

Matt 8:6 En zeggende: Heere! mijn knecht ligt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen.
Matt 8:7 En Jezus zeide tot hem: Ik zal komen en hem genezen.
Matt 8:8 En de hoofdman over honderd, antwoordende, zeide: Heere! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen; maar e spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden.

e: Ps 107:20 Hij zond Zijn woord uit, en heelde hen, en rukte hen uit hun kuilen.

Matt 8:9 Want ik ben ook een mens onder de macht [van anderen], hebbende onder mij krijgsknechten; en ik zeg tot dezen: Ga! en hij gaat; en tot den anderen: Kom! en hij komt; en tot mijn dienstknecht: Doe dat! en hij doet het.
Matt 8:10 Jezus nu, [dit] horende, heeft Zich verwonderd, en zeide tot degenen, die [Hem] volgden: Voorwaar zeg Ik u, Ik heb zelfs in Israël zo groot een geloof niet gevonden.
Matt 8:11 f Doch Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk der hemelen;

f: Luk 13:29 En daar zullen er komen van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden, en zullen aanzitten in het Koninkrijk Gods.

Matt 8:12 g En de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; h aldaar zal wening zijn, en knersing der tanden.

g: Matt 21:43 Daarom zeg Ik ulieden, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt.

h: Matt 13:42 En zullen dezelve in den vurigen oven werpen; daar zal wening zijn en knersing der tanden.
Matt 22:13 Toen zeide de koning tot de dienaars: Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt [hem] uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn wening en knersing der tanden.
Matt 24:51 En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden; daar zal wening zijn en knersing der tanden.
Luk 13:28 Aldaar zal zijn wening en knersing der tanden, wanneer gij zult zien Abraham, en Izak, en Jakob, en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar ulieden buiten uitgeworpen.

Matt 8:13 En Jezus zeide tot den hoofdman over honderd: Ga heen, en u geschiede, gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden te dierzelver ure.

De schoonmoeder van Petrus

Matt 8:14 i En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag zijn vrouws moeder [te bed] liggen, hebbende de koorts.

i: Mark 1:29 En van stonde aan uit de synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andréas, met Jakobus en Johannes.
Luk 4:38 En [Jezus], opgestaan zijnde uit de synagoge, ging in het huis van Simon; en Simons vrouws moeder was met een grote koorts bevangen, en zij baden Hem voor haar.

Matt 8:15 En Hij raakte haar hand aan, en de koorts verliet haar; en zij stond op, en diende henlieden.
Matt 8:16 En als het laat geworden was, hebben zij velen, van den duivel bezeten, tot Hem gebracht, en Hij wierp de [boze] geesten uit met den woorde, en Hij genas allen, die kwalijk gesteld waren;
Matt 8:17 Opdat vervuld zou worden, dat gesproken was door Jesája, den profeet, zeggende: k Hij heeft onze krankheden [op Zich] genomen, en onze [ziekten] gedragen.

k: Jes 53:4 Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.
1Petr 2:24 Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.

Het volgen van Jezus

Matt 8:18 En Jezus, vele scharen ziende rondom Zich, beval aan de andere zijde over te varen.
Matt 8:19 l En er kwam een zeker Schriftgeleerde tot Hem, en zeide tot Hem: Meester! ik zal U volgen, waar Gij ook henengaat.

l: Luk 9:57 En het geschiedde op den weg, als zij reisden, dat een tot Hem zeide: Heere, ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat.

Matt 8:20 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge.
Matt 8:21 En een ander uit Zijn discipelen zeide tot Hem: Heere! laat mij toe, dat ik eerst heenga, en mijn vader begrave.
Matt 8:22 Doch Jezus zeide tot hem: Volg Mij, en m laat de doden hun doden begraven.

m: 1Tim 5:6 Maar die haar wellust volgt, die is levende gestorven.

De storm gestild.

Matt 8:23 n En als Hij in het schip gegaan was, zijn Hem Zijn discipelen gevolgd.

n: Mark 4:35 En op denzelfden dag, als het nu avond geworden was, zeide Hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde.
Luk 8:22 En het geschiedde in een van die dagen, dat Hij in een schip ging, en Zijn discipelen [met Hem]; en Hij zeide tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde van het meer. En zij staken af.

Matt 8:24 En ziet, er ontstond een grote onstuimigheid in de zee, alzo dat het schip van de golven bedekt werd; doch Hij sliep.
Matt 8:25 En Zijn discipelen, bij [Hem] komende, hebben Hem opgewekt, zeggende: Heere, behoed ons, wij vergaan!
Matt 8:26 En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingelovigen? o Toen stond Hij op, en bestrafte de winden en de zee; en er werd grote stilte.

o: Job 26:12 Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij [haar] verheffing.
Ps 107:29 Hij doet den storm stilstaan, zodat hun golven stilzwijgen.
Jes 51:10 Zijt Gij het niet, Die de zee, de wateren des groten afgronds, droog gemaakt hebt? Die de diepten der zee gemaakt hebt tot een weg, opdat de verlosten daardoor gingen?

Matt 8:27 En de mensen verwonderden zich, zeggende: Hoedanig een is Deze, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn!

De Gergeseense bezetenen.

Matt 8:28 p En als Hij over aan de andere zijde was gekomen in het land der Gergesénen, zijn Hem twee, van den duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, alzo dat niemand door dien weg kon voorbij gaan.

p: Mark 5:1 En zij kwamen over op de andere zijde der zee, in het land der Gadarénen.
Luk 8:26 En zij voeren voort naar het land der Gadarénen, hetwelk is tegenover Galiléa.

Matt 8:29 En ziet, zij riepen, zeggende: Jezus, Gij Zone Gods! wat hebben wij met U [te doen]? Zijt Gij hier gekomen om ons te pijnigen voor den tijd?
Matt 8:30 En verre van hen was een kudde veler zwijnen, weidende.
Matt 8:31 En de duivelen baden Hem, zeggende: Indien Gij ons uitwerpt, laat ons toe, dat wij in die kudde zwijnen varen.
Matt 8:32 En Hij zeide tot hen: Gaat heen. En zij uitgaande, voeren heen in de kudde zwijnen; en ziet, de gehele kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee, en zij stierven in het water.
Matt 8:33 En die ze weidden, zijn gevlucht; en als zij in de stad gekomen waren, boodschapten zij al [deze] dingen, en wat den bezetenen [geschied was].
Matt 8:34 En ziet, de gehele stad ging uit, Jezus tegemoet; en als zij Hem zagen, q baden zij, dat Hij uit hun landpalen wilde vertrekken.

q: Hand 16:39 En zij, komende, baden hen, en als zij hen uitgeleid hadden, begeerden zij, dat zij uit de stad gaan zouden.

Spread the Scripture
Updated: October 28, 2019 — 10:41 pm
My CMS © 2018 Frontier Theme