Schrift met Schrift vergelijken

Matt 10:38  En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.

Markus 8

De tweede wonderbare spijziging

Mark 8:1 In a dezelfde dagen, als er een geheel grote schare was, en zij niet hadden, wat zij eten zouden, riep Jezus Zijn discipelen tot Zich, en zeide tot hen:

a: Matt 15:32 En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare, omdat zij nu drie dagen bij Mij gebleven zijn, en hebben niet wat zij eten zouden; en Ik wil hen niet nuchteren van Mij laten, opdat zij op den weg niet bezwijken.

Mark 8:2 Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare; want zij zijn nu drie dagen bij Mij gebleven, en hebben niet, wat zij eten zouden.
Mark 8:3 En indien Ik hen nuchteren naar hun huis laat gaan, zo zullen zij op den weg bezwijken; want sommigen van hen komen van verre.
Mark 8:4 En Zijn discipelen antwoordden Hem: Van waar zal iemand dezen met broden hier in de woestijn kunnen verzadigen?
Mark 8:5 En Hij vraagde hun: Hoeveel broden hebt gij? En zij zeiden: Zeven.
Mark 8:6 En Hij gebood de schare neder te zitten op de aarde, en Hij nam de zeven broden, en gedankt hebbende, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij ze zouden voorleggen; en zij leiden ze der schare voor.
Mark 8:7 En zij hadden weinige visjes; en als Hij gezegend had, zeide Hij, dat zij ook die zouden voorleggen.
Mark 8:8 En zij hebben gegeten, en zijn verzadigd geworden, en zij namen het overschot der brokken op, zeven manden.
Mark 8:9 Die nu gegeten hadden, waren omtrent vier duizend; en Hij liet hen gaan.
Mark 8:10 b En terstond in het schip gegaan zijnde met Zijn discipelen, is Hij gekomen in de delen van Dalman�tha.

b: Matt 15:39 En de scharen van Zich gelaten hebbende, ging Hij in het schip, en kwam in de landpalen van Magdala.

Een wonderteken geweigerd.

Mark 8:11 En de Farize�n gingen uit, en begonnen met Hem te twisten, c begerende van Hem een teken van den hemel, Hem verzoekende.

c: Matt 12:38 Toen antwoordden sommigen der Schriftgeleerden en Farize�n, zeggende: Meester! wij willen van U [wel] een teken zien.
Matt 16:1 En de Farize�n en Sadduce�n tot Hem gekomen zijnde, en [Hem] verzoekende, begeerden van Hem, dat Hij hun een teken uit den hemel zou tonen.
Luk 11:29 En als de scharen dicht bijeenvergaderden, begon Hij te zeggen: Dit is een boos geslacht; het verzoekt een teken, en hetzelve zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas, den profeet.
Joh 6:30 Zij zeiden dan tot Hem: Wat teken doet Gij dan, opdat wij het mogen zien, en U geloven? Wat werkt Gij?

Mark 8:12 En Hij, zwaarlijk zuchtende in Zijn geest, zeide: Wat begeert dit geslacht een teken? d Voorwaar, Ik zeg u: Zo aan dit geslacht een teken gegeven zal worden!

d: Matt 16:4 Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, den profeet. En hen verlatende, ging Hij weg.

Mark 8:13 En Hij verliet hen, en wederom in het schip gegaan zijnde, voer Hij weg naar de andere zijde.
Mark 8:14 En Zijn discipelen hadden vergeten brood mede te nemen, en hadden niet dan ��n brood met zich in het schip.
Mark 8:15 En Hij gebood hun, zeggende: e Ziet toe, wacht u van den zuurdesem der Farize�n, en van den zuurdesem van Her�des.

e: Matt 16:6 En Jezus zeide tot hen: Ziet toe, en wacht u van den zuurdesem der Farize�n en Sadduce�n.
Luk 12:1 Daarentussen als vele duizenden der schare bijeenvergaderd waren, zodat zij elkander vertraden, begon Hij te zeggen tot Zijn discipelen: Vooreerst wacht uzelven voor den zuurdesem der Farize�n, welke is geveinsdheid.

Mark 8:16 En zij overleiden onder elkander, zeggende: [Het is], omdat wij geen broden hebben.
Mark 8:17 En Jezus, [dat] bekennende, zeide tot hen: Wat overlegt gij, dat gij geen broden hebt? Bemerkt gij nog niet, en verstaat gij niet, f hebt gij nog uw verharde hart?

f: Mark 6:52 Want zij hadden niet gelet op [het wonder] der broden; want hun hart was verhard.

Mark 8:18 Ogen hebbende, ziet gij niet? En oren hebbende, hoort gij niet?
Mark 8:19 En gedenkt gij niet, g toen Ik de vijf broden brak onder de vijf duizend mannen, hoeveel volle korven met brokken gij opnaamt? Zij zeggen Hem: Twaalf.

g: Matt 14:17 Doch zij zeiden tot Hem: Wij hebben hier niet, dan vijf broden en twee vissen.
Matt 14:20 En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot der brokken, twaalf volle korven.
Mark 6:38 En Hij zeide tot hen: Hoeveel broden hebt gij? Gaat heen en beziet [het]. En toen zij het vernomen hadden, zeiden zij: Vijf, en twee vissen.
Luk 9:13 Maar Hij zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf broden, en twee vissen; tenzij dan dat wij heengaan en spijs kopen voor al dit volk;
Joh 6:9 Hier is een jongsken, dat vijf gerstebroden heeft, en twee visjes; maar wat zijn deze onder zo velen?

Mark 8:20 En h toen Ik de zeven [brak] onder de vier duizend mannen, hoeveel volle manden met brokken gij opnaamt? En zij zeiden: Zeven.

h: Matt 15:36 En Hij nam de zeven broden en de vissen, en als Hij gedankt had, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen; en de discipelen [gaven ze] aan de schare.
Matt 15:37 En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot der brokken, zeven volle manden.

Mark 8:21 En Hij zeide tot hen: Hoe verstaat gij niet?

De blinde van Beths��da.

Mark 8:22 En Hij kwam te Beths��da; en zij brachten tot Hem een blinde, en baden Hem, dat Hij hem aanraakte.
Mark 8:23 En de hand des blinden genomen hebbende, leidde Hij hem uit buiten het vlek, i en spoog in zijn ogen, k en leide de handen op hem, en vraagde hem, of hij iets zag.

i: Mark 7:33 En hem van de schare alleen genomen hebbende, stak Hij Zijn vingeren in zijn oren, en gespogen hebbende, raakte Hij zijn tong aan;

k: Mark 7:32 En zij brachten tot Hem een dove, die zwaarlijk sprak, en baden Hem, dat Hij de hand op hem legde.

Mark 8:24 En hij, opziende, zeide: Ik zie de mensen, want ik zie hen, als bomen, wandelen.
Mark 8:25 Daarna leide Hij de handen wederom op zijn ogen, en deed hem opzien. En hij werd hersteld, en zag hen allen ver en klaar.
Mark 8:26 En Hij zond hem naar zijn huis, zeggende: Ga niet in het vlek, en zeg het niemand in het vlek.

De belijdenis van Petrus.

Mark 8:27 l En Jezus ging uit en Zijn discipelen naar de vlekken van Cesar�a Filippi. En op den weg vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende tot hen: Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?

l: Matt 16:13 Als nu Jezus gekomen was in de delen van Cesar�a Filippi, vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende: Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben?
Luk 9:18 En het geschiedde, als Hij alleen was biddende, dat de discipelen met Hem waren, en Hij vraagde hen, zeggende: Wie zeggen de scharen, dat Ik ben?

Mark 8:28 En zij antwoordden: m Johannes de Doper; en anderen: El�as; en anderen: Een van de profeten.

m: Matt 14:2 En zeide tot zijn knechten: Deze is Johannes de Doper; hij is opgewekt van de doden, en daarom werken die krachten in Hem.

Mark 8:29 En Hij zeide tot hen: Maar gijlieden, wie zegt gij dat Ik ben? En Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: n Gij zijt de Christus.

n: Matt 16:16 En Simon Petrus, antwoordende, zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.
Joh 6:69 En wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.

Mark 8:30 En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij het niemand zouden zeggen van Hem.

Eerste aankondiging van het lijden.

Mark 8:31 o En Hij begon hun te leren, dat de Zoon des mensen veel moest lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen wederom opstaan.

o: Matt 16:21 Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.
Matt 17:22 En als zij in Galil�a verkeerden, zeide Jezus tot hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen der mensen;
Matt 20:18 Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen;
Mark 9:31 Want Hij leerde Zijn discipelen, en zeide tot hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen der mensen, en zij zullen Hem doden, en gedood zijnde, zal Hij ten derden dage wederopstaan.
Mark 10:33 [Zeggende]: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren, en den Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen, en Hem den heidenen overleveren;
Luk 9:22 Zeggende: De Zoon des mensen moet veel lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood en ten derden dage opgewekt worden.
Luk 18:31 En Hij nam de twaalven bij Zich, en zeide tot hen: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan den Zoon des mensen, wat geschreven is door de profeten.
Luk 24:7 Zeggende: De Zoon des mensen moet overgeleverd worden in de handen der zondige mensen, en gekruisigd worden, en ten derden dage wederopstaan.

Mark 8:32 En dit woord sprak Hij vrij uit; en Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen;
Mark 8:33 Maar Hij, Zich omkerende, en Zijn discipelen aanziende, bestrafte Petrus, zeggende: p Ga heen, achter Mij, satanas, want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn.

p: 2Sam 19:22 Maar David zeide: Wat heb ik met ulieden te doen, gij zonen van Zer�ja! Dat gij mij heden ten satan zoudt zijn? Zou heden iemand gedood worden in Isra�l? Want weet ik niet, dat ik heden koning geworden ben over Isra�l?

Aansporing tot zelfverloochening.

Mark 8:34 En tot Zich geroepen hebbende de schare met Zijn discipelen, zeide Hij tot hen: q Zo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij.

q: Matt 10:38 En die zijn kruis niet [op zich] neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.
Matt 16:24 Toen zeide Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij.
Luk 9:23 En Hij zeide tot allen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij.
Luk 14:27 En wie zijn kruis niet draagt, en Mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn.

Mark 8:35 r Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven zal verliezen, om Mijnentwil, en [om] des Evangelies [wil], die zal hetzelve behouden.

r: Matt 10:39 Die zijn ziel vindt, zal [dezelve] verliezen; en die zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal dezelve vinden.
Matt 16:25 Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal hetzelve vinden.
Luk 9:24 Want zo wie zijn leven behouden wil, die zal het verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal het behouden.
Luk 17:33 Zo wie zijn leven zal zoeken te behouden, die zal het verliezen; en zo wie hetzelve zal verliezen, die zal het in het leven behouden.
Joh 12:25 Die zijn leven liefheeft, zal hetzelve verliezen; en die zijn leven haat in deze wereld, zal hetzelve bewaren tot het eeuwige leven.

Mark 8:36 Want wat zou het den mens baten zo hij de gehele wereld won, en zijner ziele schade leed?
Mark 8:37 Of wat zal een mens geven, s tot lossing van zijn ziel?

s: Ps 49:9 (Want de verlossing hunner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden);

Mark 8:38 t Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal Zich de Zoon des mensen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met de heilige engelen.

t: Matt 10:32 Een iegelijk dan, die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen [is].
Luk 9:26 Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, diens zal de Zoon des mensen Zich schamen, wanneer Hij komen zal in Zijn heerlijkheid, en [in de heerlijkheid] des Vaders, en der heilige engelen.
Luk 12:8 En Ik zeg u: Een iegelijk, die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal ook de Zoon des mensen belijden voor de engelen Gods.
2Tim 2:12 Indien wij verdragen, wij zullen ook met [Hem] heersen; indien wij [Hem] verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen;
1Joh 2:23 Een iegelijk, die den Zoon loochent, heeft ook den Vader niet.

Spread the Scripture
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •   
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
Updated: October 28, 2019 — 10:40 pm
My CMS © 2018 Frontier Theme