Schrift met Schrift vergelijken

Matt 10:38  En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.

Markus 3

De man met de dorre hand.

Mark 3:1 En a Hij ging wederom in de synagoge; en aldaar was een mens, hebbende een verdorde hand.

a: Matt 12:9 En van daar voortgaande, kwam Hij in hun synagoge.
Luk 6:6 En het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat Hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor.

Mark 3:2 En zij namen Hem waar, of Hij op den sabbat hem genezen zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten.
Mark 3:3 En Hij zeide tot den mens, die de verdorde hand had: Sta op in het midden.
Mark 3:4 En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen stil.
Mark 3:5 En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; b en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.

b: 1Kon 13:6 Toen antwoordde de koning, en zeide tot den man Gods: Aanbid toch het aangezicht des HEEREN, uws Gods, ernstelijk, en bid voor mij, dat mijn hand weder tot mij kome! Toen bad de man Gods het aangezicht des HEEREN ernstelijk; en de hand des konings kwam weder tot hem, en werd gelijk te voren.

Mark 3:6 c En de Farize�n, uitgegaan zijnde, hebben terstond met de Herodianen te zamen raad gehouden tegen Hem, hoe zij Hem doden zouden.

c: Matt 12:14 En de Farize�n, uitgegaan zijnde, hielden te zamen raad tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten.
Joh 10:39 Zij zochten dan wederom Hem te grijpen, en Hij ontging uit hun hand.
Joh 11:53 Van dien dag dan af beraadslaagden zij te zamen, dat zij Hem doden zouden.

De toeloop der schare.

Mark 3:7 En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de zee; d en Hem volgde een grote menigte van Galil�a, en van Jud�a,

d: Matt 4:25 En vele scharen volgden Hem na, van Galil�a en [van] Dek�polis, en [van] Jeruzalem, en [van] Jud�a, en [van] over de Jordaan.
Luk 6:17 En met hen afgekomen zijnde, stond Hij op een vlakke plaats, en [met Hem] de schare Zijner discipelen, en een grote menigte des volks van geheel Jud�a en Jeruzalem, en van den zeekant van Tyrus en Sidon; (6:18) Die gekomen waren, om Hem te horen, en om van hun ziekten genezen te worden,

Mark 3:8 En van Jeruzalem, en van Idum�a, en [van] over de Jordaan; en die [van] omtrent Tyrus en Sidon, een grote menigte, gehoord hebbende, hoe grote dingen Hij deed, kwamen tot Hem.
Mark 3:9 En Hij zeide tot Zijn discipelen, dat een scheepje steeds omtrent Hem blijven zou, om der schare wil, opdat zij Hem niet zouden verdringen.
Mark 3:10 Want Hij had er velen genezen, alzo dat Hem al degenen, die [enige] kwalen hadden, overvielen, opdat zij Hem mochten aanraken.
Mark 3:11 En de onreine geesten, als zij Hem zagen, vielen voor Hem neder en riepen, zeggende: Gij zijt de Zone Gods!
Mark 3:12 En Hij gebood hun scherpelijk dat zij Hem niet zouden openbaar maken.

De roeping der twaalve.

Mark 3:13 e En Hij klom op den berg, en riep tot Zich, die Hij wilde; en zij kwamen tot Hem.

e: Matt 10:1 En Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij hun macht gegeven over de onreine geesten, om dezelve uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwale te genezen.
Mark 6:7 En Hij riep tot Zich de twaalven, en begon hen uit te zenden twee en twee, en gaf hun macht over de onreine geesten.
Luk 6:13 En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde:
Luk 9:1 En Zijn twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf Hij hun kracht en macht over al de duivelen, en om ziekten te genezen.

Mark 3:14 En Hij stelde er twaalf, opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij dezelve zou uitzenden om te prediken;
Mark 3:15 En om macht te hebben, de ziekten te genezen, en de duivelen uit te werpen.
Mark 3:16 En Simon gaf Hij den [toe] naam Petrus;
Mark 3:17 En Jakobus, den [zoon] van Zebed��s, en Johannes, den broeder van Jakobus; en gaf hun [toe] namen, Boan�rges, hetwelk is, zonen des donders;
Mark 3:18 En Andr�as, en Filippus, en Bartholom��s, en Matth��s, en Thomas, en Jakobus, den [zoon] van Alf��s, en Thadd��s, en Simon Kanan�tes,
Mark 3:19 En Judas Isk�riot, die Hem ook verraden heeft.

Jezus en Be�zebul.

Mark 3:20 En zij kwamen in huis; en daar vergaderde wederom een schare, alzo dat zij ook zelfs f niet konden brood eten.

f: Mark 6:31 En Hij zeide tot hen: Komt gijlieden in een woeste plaats hier alleen, en rust een weinig; want er waren velen, die kwamen en die gingen, en zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten.

Mark 3:21 En als degenen, die Hem bestonden, [dit] hoorden, gingen zij uit, om Hem vast te houden; want zij zeiden: Hij is buiten Zijn zinnen.
Mark 3:22 En de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: g Hij heeft Be�lzebul, en door den overste der duivelen werpt Hij de duivelen uit.

g: Matt 9:34 Maar de Farize�n zeiden: Hij werpt de duivelen uit door den overste der duivelen.
Matt 12:24 Maar de Farize�n, [dit] gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit, dan door Be�lzebul, den overste der duivelen.
Luk 11:15 Maar sommigen van hen zeiden: Hij werpt de duivelen uit door Be�lzebul, den overste der duivelen.
Joh 8:48 De Joden dan antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet wel, dat Gij een Samaritaan zijt, en den duivel hebt?

Mark 3:23 En hen tot Zich geroepen hebbende, h zeide Hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan den satan uitwerpen?

h: Matt 12:25 Doch Jezus, kennende hun gedachten, zeide tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad, of huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan.

Mark 3:24 En indien een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat koninkrijk niet bestaan.
Mark 3:25 En indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat huis niet bestaan.
Mark 3:26 En indien de satan tegen zichzelven opstaat, en verdeeld is, zo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde.
Mark 3:27 i Er kan niemand in het huis eens sterken ingaan en zijn vaten ontroven, k indien hij niet eerst den sterke bindt; en alsdan zal hij zijn huis beroven.

i: Matt 12:29 Of hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen, en zijn vaten ontroven, tenzij dat hij eerst den sterke gebonden hebbe? en alsdan zal hij zijn huis beroven.

k: Kol 2:15 [En] de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd.

Mark 3:28 Voorwaar, Ik zeg u, l dat al de zonden den kinderen der mensen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen, waarmede zij zullen gelasterd hebben;

l: 1Sam 2:25 Wanneer een mens tegen een mens zondigt, zo zullen de goden hem oordelen; maar wanneer een mens tegen den HEERE zondigt, wie zal voor hem bidden? Doch zij hoorden de stem huns vaders niet, want de HEERE wilde hen doden.
Matt 12:31 Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden; maar de lastering tegen den Geest zal den mensen niet vergeven worden.
Luk 12:10 En een iegelijk, die [enig] woord spreken zal tegen den Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar wie tegen den Heiligen Geest gelasterd zal hebben, dien zal het niet vergeven worden.
1Joh 5:16 Indien iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde niet tot den dood, die zal [God] bidden en Hij zal hem het leven geven, dengenen, [zeg ik], die zondigen niet tot den dood. Er is een zonde tot den dood; voor dezelve [zonde] zeg ik niet, dat hij zal bidden.

Mark 3:29 m Maar zo wie zal gelasterd hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geen vergeving in der eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels.

m: 1Joh 5:16 Indien iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde niet tot den dood, die zal [God] bidden en Hij zal hem het leven geven, dengenen, [zeg ik], die zondigen niet tot den dood. Er is een zonde tot den dood; voor dezelve [zonde] zeg ik niet, dat hij zal bidden.

Mark 3:30 Want zij zeiden: Hij heeft een onreinen geest.

Jezus’ ware verwanten.

Mark 3:31 n Zo kwamen dan Zijn broeders en Zijn moeder; en buiten staande, zonden zij tot Hem, en riepen Hem.

n: Matt 12:46 En als Hij nog tot de scharen sprak, ziet, Zijn moeder en broeders stonden buiten, zoekende Hem te spreken.
Luk 8:19 En Zijn moeder en [Zijn] broeders kwamen tot Hem, en konden bij Hem niet komen, vanwege de schare.

Mark 3:32 En de schare zat rondom Hem; en zij zeiden tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broeders daar buiten zoeken U.
Mark 3:33 En Hij antwoordde hun, zeggende: Wie is Mijn moeder, of Mijn broeders?
Mark 3:34 En rondom overzien hebbende, die om Hem zaten, zeide Hij: Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders.
Mark 3:35 o Want zo wie den wil van God doet, die is Mijn broeder, en Mijn zuster, en moeder.

o: Joh 15:14 Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebiede.
2Kor 5:16 Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees; en indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij [Hem] nu niet meer [naar het vlees].
2Kor 5:17 Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.

Spread the Scripture
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •   
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
Updated: October 28, 2019 — 10:40 pm
My CMS © 2018 Frontier Theme