My CMS

Matt 10:38  En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.

Klaagliederen 3

Troost in ellende.

1 [Aleph]. Ik ben de man, [die] ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.
2 [Aleph]. Hij heeft mij geleid en gevoerd [in] de duisternis, en niet [in] het licht.
3 [Aleph]. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd.
4 [Beth]. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.
5 [Beth]. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft [mij] [met] galle en moeite omringd.
6 [Beth]. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.
7 [Gimel]. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.
8 [Gimel]. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de [oren] [voor] mijn gebed.
9 [Gimel]. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.
10 [Daleth]. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen.
11 [Daleth]. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.
12 [Daleth]. Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld.
13 [He]. Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan.
14 [He]. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag.
15 [He]. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.
16 [Vau]. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt.
17 [Vau]. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten.
18 [Vau]. Toen zeide ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van den HEERE.
19 [Zain]. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan den alsem en galle.
20 [Zain]. Mijn ziel gedenkt er wel terdege aan, en zij bukt zich neder in mij.
21 [Zain]. Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen;
22 [Cheth]. Het zijn ade goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben;

a: Isa 1:9 Zo niet de HEERE der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden.
Hab 3:13 Gij toogt uit tot verlossing Uws volks, tot verlossing met Uw Gezalfde; Gij doorwonddet het hoofd van het huis des goddelozen, ontblotende den grond tot den hals toe. Sela.

23 [Cheth]. Zij bzijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot.

b: Psa 30:6 Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.

24 [Cheth]. De HEERE is mijn Deel, zegt mijn ziel,cdaarom zal ik op Hem hopen.

c: Hab 2:3 Want het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen; zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven.

25 [Teth]. De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt.
26 [Teth]. Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des HEEREN.
27 [Teth]. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt.
28 [Jod]. Hij zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft.
29 [Jod]. Hij steke zijn mond in het stof, [zeggende]: dMisschien is er verwachting.

d: Act 8:22 Bekeer u dan van deze uw boosheid, en bid God, of misschien u deze overlegging uws harten vergeven wierd.

30 [Jod]. Hij geve zijn wang dien, die hem slaat, hij worde zat van smaad.
31 [Caph]. Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid.
32 [Caph]. Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen, naar de grootheid Zijner goedertierenheden.
33 [Caph]. Want Hij plaagt of bedroeft des mensenkinderen niet van harte.
34 [Lamed]. Dat men al de gevangenen der aarde onder Zijn voeten verbrijzelt;
35 [Lamed]. Dat men het recht eens mans buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten;
36 [Lamed]. Dat men een mens verongelijkt in zijn twistzaak; zou het de Heere niet zien?
37 [Mem]. eWie zegt wat, hetwelk geschiedt, [zo] [het] de Heere niet beveelt?

e: Psa 33:9 Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.

38 [Mem]. fGaat niet uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede?

f: Isa 45:7 Ik formeer het licht, en schep de duisternis; Ik maak den vrede en schep het kwaad, Ik, de HEERE, doe al deze dingen.
Amo 3:6 Zal de bazuin in de stad geblazen worden, dat het volk niet siddere? zal er een kwaad in de stad zijn, dat de HEERE niet doet?

39 [Mem]. Wat klaagt [dan] een levend mens? Een ieder [klage] vanwege zijn zonden.
40 [Nun]. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot den HEERE.
41 [Nun]. Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in den hemel, [zeggende]:
42 [Nun]. Wij hebben overtreden, en wij zijn wederspannig geweest, [daarom] hebt Gij niet gespaard.
43 [Samech]. Gij hebt [ons] met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt [ons] gedood, Gij hebt niet verschoond.
44 [Samech]. Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam.
45 [Samech]. Gij hebt ons [tot] een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken.
46 [Pe]. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd.
47 [Pe]. De vreze en de kuil zijn over ons gekomen, de verwoesting en de verbreking.
48 [Pe]. [Met] waterbeken loopt mijn oog neder, vanwege de breuk der dochter mijns volks.
49 [Ain]. Mijn oog vliet, en kan niet ophouden, omdat er geen rust is;
50 [Ain]. Totdat [het] de HEERE van den hemel aanschouwe, en [het] zie.
51 [Ain]. Mijn oog doet mijn ziele [moeite] aan, vanwege al de dochteren mijner stad.
52 [Tsade]. Die mijn vijanden zijn zonder oorzaak, hebben mij als een vogeltje dapperlijk gejaagd.
53 [Tsade]. Zij hebben mijn leven in een kuil uitgeroeid, en zij hebben een steen op mij geworpen.
54 [Tsade]. De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zeide: Ik ben afgesneden!
55 [Koph]. HEERE! Ik heb Uw Naam aangeroepen uit den ondersten kuil.
56 [Koph]. Gij hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen.
57 [Koph]. Gij hebt U genaderd ten dage, als ik U aanriep; Gij hebt gezegd: Vrees niet!
58 [Resch]. Heere! Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist, Gij hebt mijn leven verlost.
59 [Resch]. Heere! Gij hebt gezien de verkeerdheid, die men mij aangedaan heeft, oordeel mijn rechtzaak.
60 [Resch]. Gij hebt al hun wraak gezien, al hun gedachten tegen mij.
61 [Schin]. HEERE! Gij hebt hun smaden gehoord, [en] al hun gedachten tegen mij;
62 [Schin]. De lippen dergenen, die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij den gansen dag.
63 [Schin]. Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel.
64 [Thau]. HEERE! geef hun weder die vergelding, naar het werk hunner handen.
65 [Thau]. Geef hun een deksel des harten; Uw vloek zij over hen!
66 [Thau]. Vervolg ze met toorn, en verdelg ze van onder den hemel des HEEREN.

Spread the Scripture
Updated: October 28, 2019 — 10:50 pm
My CMS © 2018 Frontier Theme