Schrift met Schrift vergelijken

Matt 10:38  En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.

Job 24

Onrecht en geweld heersen op aarde.

1 Waarom zouden van den Almachtige de tijden niet verborgen zijn, dewijl zij, die Hem kennen, Zijn dagen niet zien?
2 Zij atasten de landpalen aan; de kudden roven zij, en weiden ze.

a: Deu 19:14 Gij zult uws naasten landpale, die de voorvaderen gepaald hebben, niet verrukken in uw erfdeel, dat gij erven zult, in het land, hetwelk u de HEERE, uw God, geeft, om dat erfelijk te bezitten.
Deu 27:17 Vervloekt zij, die zijns naasten landpale verrukt! En al het volk zal zeggen: Amen.
Spr 22:28 Zet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben.
Spr 23:10 Zet de oude palen niet terug; en kom op de akkers der wezen niet;

3 Den ezel der wezen drijven zij weg; den os ener weduwe nemen zij te pand.
4 Zij doen de nooddruftigen wijken van den weg; te zamen bversteken zich de ellendigen des lands.

b: Spr 28:28 Als de goddelozen opkomen, verbergt zich de mens; maar als zij omkomen, vermenigvuldigen de rechtvaardigen.

5 Ziet, zij zijn woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof; het vlakke veld is hem tot spijs, [en] den jongeren.
6 Op het veld maaien zij zijn voeder, en den wijnberg des goddelozen lezen zij af.
7 Den naakten laten zij vernachten zonder kleding, die geen deksel [heeft] tegen de koude.
8 Van den stroom der bergen worden zij nat, en zonder toevlucht zijnde, omhelzen zij de steenrotsen.
9 Zij rukken het weesje van de borst, en [dat] over den arme is, nemen zij te pand.
10 cDen naakte doen zij weggaan zonder kleed, en hongerig, [die] garven dragen.

c: Lev 19:13 Gij zult uw naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch beroven; des dagloners arbeidsloon zal bij u niet vernachten tot aan den morgen.

11 Tussen hun muren persen zij olie uit, treden de wijnpersen, en dzijn dorstig.

d: Deu 25:4 Een os zult gij niet muilbanden, als hij dorst.
Jas 5:4 Ziet, het loon der werklieden, die uw landen gemaaid hebben, welke van u verkort is, roept; en het geschrei dergenen, die geoogst hebben, is gekomen tot in de oren van den Heere Sebaoth.

12 Uit de stad zuchten de lieden, en de ziel der verwonden schreeuwt uit; nochtans beschikt God niets ongerijmds.
13 Zij zijn onder de wederstrevers des lichts; zij kennen Zijn wegen niet, en zij blijven niet op Zijn paden.
14 Met het licht staat de moorder op, edoodt den arme en den nooddruftige; en des nachts is hij als een dief.

e: Psa 10:8 Hij zit in de achterlage der hoeven, in verborgene plaatsen doodt hij den onschuldige; zijn ogen verbergen zich tegen den arme.
Psa 10:9 Hij legt lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen, om den ellendige te roven; hij rooft den ellendige, als hij hem trekt in zijn net.

15 fOok neemt het oog des overspelers de schemering waar, zeggende: gGeen oog zal mij zien; en hij legt een deksel op het aangezicht.

f: Spr 7:7 En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling;
Spr 7:8 Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.
Spr 7:9 In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid;

g: Psa 10:11 Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid.

16 In de duisternis doorgraaft hij de huizen, [die] zij zich des daags afgetekend hadden; hzij kennen het licht niet.

h: Job 38:15 En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken?
Joh 3:20 Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden.

17 Want de morgenstond is hun te zamen de schaduw des doods; als men hen kent, zijn zij [in] de strikken van des doods schaduw.
18 Hij is licht op het vlakke der wateren; vervloekt is hun deel op de aarde; hij wendt zich niet tot den weg der wijngaarden.
19 De droogte mitsgaders de hitte nemen de sneeuwwateren weg; [alzo] het graf [dergenen], [die] gezondigd hebben.
20 De baarmoeder vergeet hem, het gewormte is hem zoet, zijns wordt niet meer gedacht; en het onrecht wordt gebroken als een hout.
21 De onvruchtbare, [die] niet baart, teert hij af, en aan de weduwe doet hij niets goeds.
22 Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.
23 Stelt hem [God] in gerustigheid, zo steunt hij daarop; nochtans zijn Zijn ogen op hun wegen.
24 Zij zijn een weinig [tijds] verheven, daarna is er niemand van hen; zij worden nedergedrukt; gelijk alle [anderen] worden zij besloten; en gelijk de top ener aar worden zij afgesneden.
25 Indien het nu zo niet is, wie zal mij leugenachtig maken, en mijn rede tot niet brengen?

Spread the Scripture
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •   
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
Updated: October 28, 2019 — 11:55 pm
My CMS © 2018 Frontier Theme