Y Gwir yn erbyn y byd

De Waarheid tegen de wereld

Het Israël van God

I. lsraëls verleden

‘De Here maakt Jakob Zijn Woorden bekend, Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten — Alzo heeft Hij aan geen volk gedaan’. Psalm 147 : 19-20.

U weet natuurlijk dat bovenstaande tekst betrekking heeft op Israël, het uitverkoren volk van God. Deze woorden vermelden een feit, dat zelfs de meest critische Bijbellezer of geschiedvorser zal moeten erkennen.

De Jood is het grote wonder in de wereldgeschiedenis; een wonder, dat zonder rekening te houden met God, evenmin te verklaren is als het ontstaan van het heelal.

Vier onverklaarbare wonderen

Er zijn vier mysteries, die zonder inschakeling van God, volkomen onverldaarbaar zijn.

  1. De Bijbel
    Het eerste is de Bijbel zelf. Hoe is het te verklaren, dat de Bijbel door de eeuwen heen zulk een geweldige invloed op de wereld ge-had heeft, tenzij men aanneemt, dat hij het boek van God is. Als de Bijbel een product van de menselijke geest was, dan rijst on-middellijk de vraag, waarom de mensheid in zijn eeuwenlange be-gaan niet nog een ander gelijkwaardig boek heeft voortgebracht. De Bijbel is echter uniek en met geen ander boek te vergelijken. Zijn invloed in de wereld is nimmer door enig ander boek geëvenaard.
  2. De Jood
    Het tweede mysterie, dat zonder God onmogelijk te begrijpen is, betreft het wonder, waarmee wij ons hier in het bijzonder willen bezighouden — het probleem van de Jood.
  3. Het Heelal 
    Het derde mysterie, dat zonder de gedachte aan God absoluut onverklaarbaar is, betreft het heelal. Geen enkele wetenschappelijke theorie kan uiteindelijk ontkomen aan de noodzakelijkheid van een grote eerste oorzaak. Als men van de gedachte uitgaat, dat alles, wat nu bestaat, langzamerhand is voortgekomen uit één oercel (evolutie), dan is men toch nog gedwongen het ontstaan van die oercel te verklaren en heeft men God dus eigenlijk alleen maar enige eeuwen teruggedrongen. Hoe men ook redeneert, altijd stuit men op God. De schepping is het zichtbare bewijs van het bestaan van de Schepper. De zienlijke dingen getuigen met grote kracht van de Onzienlijke God.
  4. De Persoon van de Here Jezus
    Het vierde geheimenis is de uitzonderlijke persoonlijkheid van de Here Jezus. ‘Deze verborgenheid is groot’! Zijn geboorte, Zijn leven, Zijn werken, Zijn dood en Zijn opstanding zijn door het menselijk verstand niet te verklaren.
    Als wij echter al deze problemen zien in het licht van de almachtige God, dan worden zij, hoewel in zekere zin ‘geheimenissen’, toch aanvaardbaar.

De Joden – het wonder in de wereldgeschiedenis

Wij hebben reeds opgemerkt, dat het Joodse volk het grote wonder in de wereldgeschiedenis is. Iedereen zal dat moeten toegeven. Tracht u eens in te denken, voor welke ontzaglijke problemen een serieuze en objectieve onderzoeker van de Joodse geschiedenis komt te staan! Het Joodse volk is het oudste volk van de wereld; zo oud, dat de bekende Britse staatsman Benjamin Disraeli destijds tot een hooggeplaatst edelman, die hem beschimpte vanwege zijn Joodse afkomst, kon zeggen: ‘Mijnheer, u beroemt zich op uw oude stamboom; maar bedenk, dat in de aderen van de geringste Jood bloed stroomt, waarbij vergeleken het bloed van de hoogste edelman slechts slootwater is’. —

En toch, hoewel het oudste volk, zijn de Joden tevens het modernste volk van de wereld. Geen mens van moderne tijden is moderner dan de Jood. Hij staat vooraan in de moderne samenleving. Hoewel eeuwenlang verstrooid onder alle volken, zonder een nationaal centrum, zonder een eigen hoofdstad, zonder een eigen regering, zonder een nationale vlag, zonder enig werelds of godsdienstig trefpunt — wist de Jood toch in alle tijden en onder alle omstandigheden zich naar voren te dringen en de hoogste maatschappelijke posities te bezetten, overal ter wereld waar hem dat werd toegestaan. Hier werd hij minister, ginds bankier, dan weer medicus, componist of schrijver — maar altijd in de voorste rijen van het maatschappelijk leven, zonder evenwel in dat leven te zijn opgelost of verdwenen.
Eeuwenlang het voorwerp van onredelijke en duivelse haat: vervolgd, uitgeplunderd en beknot in al zijn natuurlijke rechten; gediscrimineerd en vertrapt — heeft hij zich toch nimmer laten drijven tot haat, ontrouw ot verzet. Overal Waar de Jood woonde, was hij trouw en loyaal jegens de overheid, waaronder hij leefde. Zelfs onder de bitterste vervolgingen en provocaties werd de Jood nimmer gevonden onder de nihilisten en nam hij nimmer deel aan georganiseerde samenzweringen tegen het bestaande regime.

Alle andere oude volken zijn daarentegen ten onder gegaan door de wet van degeneratie. Maar deze onbuigzame wet, hoe onverbiddelijk ook in zijn uitwerking op de heiden, heeft de Jood nimmer kunnen aantasten. Drieduizend jaar lang heeft de Jood gezien, hoe de overweldigers en onderdrukkers van zijn volk geleidelijk aan macht en invloed verloren en tenslotte geestelijk en zedelijk geheel ten onder gingen —maar zelf overleefde hij alle lijden en beproevingen en bleef hij bijzonder vitaal en levenslustig. En iedereen kan voor zichzelf constateren, dat de Jood ook vandaag in de twintigste eeuw weer een zeer belangrijke rol speelt in de ontwIlclding van het wereldgebeuren.
Door al deze dingen is de Jood vandaag het grote wonder van de wereldgescihiedenis, onverklaarbaar voor het menselijk verstand.

De Joden – een onsterfelijk volk

Maar laten wij nu eens een ogenblik van de veronderstelling uitgaan, dat de geschiedenis van dit volk verloopt volgens een tevoren vastgesteld plan. Veronderstel, dat het God eeuwen geleden behaagd heeft om uit de volkeren één man af te zonderen; om van hem te maken eerst een gezin, daarna een stam, vervolgens stammen en tenslotte een geheel volk. En veronderstel, dat God deze man, dit gezin, deze stam en dit volk voorbestemd heeft om een unieke opdracht in de gehele wereld te vervullen. Veronderstel, dat Israël door God apart gezet werd, als een vertegenwoordigend en onderwijzend volk, met de verheven taak om Hem onder alle volken der aarde bekend te maken — dan zou het raadsel rondom de Jood zijn opgelost; dan zou het fenomeen van de Joodse geschiedenis ineens een enorme betekenis krijgen. Dat zou de verklaring zijn van al het wonderlijke en raadselachtige, waarmee de Jood voor het menselijk verstand omhangen is.
Welnu, is het dan zo ongeloofwaardig, dat God een geheel volk verwekt met een bijzondere en unieke opdracht voor alle volkeren van de wereld?
En dat dit volk, juist omdat het een Goddelijke en eeuwige opdracht in de wereld te vervullen heeft, daarom door alle gevaren en vervolgingen heen bewaard is gebleven?

Als wij zeggen, dat een mens niet sterft voordat zijn werk af is, waarom zou dit dan niet waar kunnen zijn van een heel volk? Het feit, dat God ten aanzien van Israël zo gehandeld heeft is de enige aannemelijke verklaring van het mysterie van de Joodse geschiedenis. Het Joodse volk is niet los te denken van God.

Toen Frederik de Grote eens aan zijn hofprediker een onweerlegbaar bewijs vroeg voor de inspiratie van de Bijbel, antwoordde hij: ‘De Jood, Majesteit, de Jood!’. Toen Napoleon aan de aartsbisschop van Milaan vroeg, om het kortst mogelijk argument ten gunste van de christelijke godsdienst, wees deze stilzwijgend naar maarschalk Massena — een Jood!

U weet, wat de protestantse hofprediker bedoelde. U weet, wat de Rooms-katholieke aartsbisschop bedoelde. U weet, dat de Schrift in profetische vorm de geschiedenis van de Joden bevatte, geschreven vele eeuwen voordat de gebeurtenissen werkelijk plaats hadden; dat de Schrift voorspellingen betreffende de Joden bevat, die zo lang vóór de vervulling werden uitgesproken, dat met geen mogelijkheid enig mens ze had kunnen voorzien. Deze voorspellingen gingen zo letterlijk in vervulling, dat zij één van de krachtigste bewijzen zijn van de Goddelijke inspiratie van de Heilige Schrift.

Misschien kurmen wij door lange en nauwgezette waarnemingen van de handelingen en de beweegredenen van het mensdom met enige graad van nauwkeurigheid de nabije toekomst voorspellen; misschien zijn wij in staat, om ons een juist oordeel te vormen over wat waar-schijnlijk binnen een jaar geschieden zal in de gang van het wereld-gebeuren; maar de Joodse geschriften in de Bijbel bevatten voorspel-lingen over dat volk, die zo lang veiór de vervulling geschreven zijn, dat zij onmogelijk ontsproten kunnen zijn uit de menselijke geest of verbeeldingskracht. Bovendien zijn deze voorspellingen zo nauwkeurig, zo gedetailleerd en zo uitzonderlijk, dat zij onmogelijk gelukkige gissingen kunnen zijn.
Wij weten immers, dat naarmate een voorspelling gedetailleerd, nauw-keurig en uitzonderlijk is, de mogelijkheid van een toevallige vervulling steeds minder wordt.
Als ik zou voorspellen, dat er morgen een man vermoord zou warden, en er zou werkelijk iemand vermoord worden, dan is dat op zichzelf nog geen bewijs, dat ik een profeet ben. Want het is helaas in onze tijd niets ongewoons, dat er een moord gepleegd wordt. Maar als ik gezegd had, dat de man in een bepaalde plaats en in een bepaalde straat vermoord zou worden en dat het een Chinees zou zijn en dat er een bepaald wapen gebruikt zou worden, enz…. dan zou men moeten aannemen dat ik d zelf in het complot betrokken was, óf dat ik een profetische geest bezat. Welnu, de Joodse geschriften bevatten voor-spellingen betreffende het volk van Israël, die zo oud, zo nauwkeurig en zo uitz,onderlijk zijn, dat de vervulling even wonderlijk is als de profetie zelf.
En dat is het, wat de hofprediker van Frederik de Grote en de aarts-bisschop van Milaan bedoelden, toen zij wezen naar de Jood als het onomstotelijk bewijs enerzijds van de inspiratie van de Schrift en an-derzijds van de waarheid, dat de Jood in zijn geschiedenis de Schrift bevestigt en dat de Schrift in zijn voorspellingen het gehehnenis van die geschiedenis verklaart.
Met andere woorden, de Joodse geschiedenis bevestigt de Bijbel en de Bijbel verklaart de Joodse geschiedenis.

Israéls viervoudige opdracht

Alvorens nu een kort overzicht te geven van dit prachtige epos van de Jood, willen wij eerst in de Schrift onderzoeken, welk doel God gehad heeft met de vestiging in Palestina van een speciaal volk, dat in zulk een geheel enige zin Zijn eigendom was; met Hem verbonden in een speciaal verbond en door Hem uitverkoren en geroepen tot een wereldwijde dienst.

Ik geef slechts heel kort de teksten door, welke de viervoudige opdracht bepalen, die het volk van Israël is toevertrouwd. Zij geven antwoord op de vraag, waarom Hij dit volk heeft uitverkoren en waarom Hij het in zulk een nauwe relatie met Hem Zelf bracht.

1. Een getuigenis in de wereld

In de eerste plaats werden de Joden verwekt om een getuigenis te zijn van de enigheid van God temidden van een wereld vol van afgoderij, pantheïsme en polytheïsme (veelgodendom).

‘Hoor, Israël, de Here onze God is een enig Here’.
Deut. 6 : 4.

De Joden hadden tot taak om deze grondwaarheid, eens het algemeen bezit van het gehele mensdom, te bewaren — God is een enig God. Wij zijn met deze waarheid zo vertrouwd, dat wij moeilijk kunnen begrijpen, hoe volkomen zij verloren gegaan is, onder alle volken, behalve de Joden. Gedurende vele eeuwen werd deze waarheid door geen ander volk geloofd of beleden; alleen Israël was een getuigenis van de enigheid en de eenheid van de levende God.

Dat Israël vóór de Babylonische ballingschap (maar daarna nooit meer) menigmaal tot afgoderij is vervallen, is helaas maar al te waar; maar even waar is het, dat de Joden de verkondigers zijn geweest van het monotheïsme op de aarde. Geen Heidens volk, onaangetast door Joodse invloed, is ooit tot het monotheïsme overgegaan.

Gij zijt Mijn getuigen, spreekt de Here en Mijn Knecht, die Ik uitverkoren heb, opdat gij het weet en Mij gelooft en verstaat, dat Ik het ben, en dat voor Mij geen God geformeerd is en na Mij geen zijn zal’.
Jes. 43 : 10.

Dat was dus voor alles de bijzondere opdracht, toevertrouwd aan Israël; God te kennen en een getuigenis te zijn van de waarheid, dat God enig is. Om deze opdracht te kunnen vervullen, had Israël een openbaring van God nodig. Hoe zou een mens immers God kunnen kennen, tenzij God zich aan hem openbaart? Het volk van Israël heeft een openbaring van God ontvangen, opdat het van Hem zou getuigen voor alle volkeren der wereld. Laten wij de geweldige betekenis van deze waarheid niet onderschatten!

2. Een voorbeeld voor de naties

In de tweede plaats werd Israël van de andere volkeren afgescheiden, opdat het hun zou tonen, hoe gezegend het is, om de éne, ware God te dienen en te gehoorzamen.

‘Welgelukzalig zijt gij, o Israël, wie is u gelijk? Gij volk, verlost door de Here’.
Deut. 33 : 29.

‘Welgelukzalig is het volk, wiens God de Here is’.
Ps. 144 : 25.

De geschiedenis van Israël, zolang het wandelde in gehoorzaamheid aan Gods geboden, is een onweerlegbare bevestiging van de waarheid dezer Schriftwoorden. Hebt u er wel eens aan gedacht, dat deze aarde nimmer een wereldmacht zag, zoals Babylon of Medo-Perzië of Griekenland of Rome, zolang dit kleine volk van Israëlieten het verbond met Jehova hield? Omringd door oorlogszuchtige naties, veel machtiger dan Israël, leefde dit kleine Joodse volk onder de schaduw van de Almachtige. Zo volmaakt handhaafde God het evenwicht tussen de heidense naties, dat geen hunner de ander kon toestaan, om het Heilige Land te veroveren. Zoals in onze tijd kleine naties zich kunnen handhaven, niet zozeer door eigen militaire dapperheid, maar veeleer door de onderlinge jaloezie der omringende volken — zo leefde in de oudheid Israël in voorspoed en vrede — een aanschouwelijke les voor de afgodische heidenen. De vrede, de welvaart en de glorie van het oude Israël was Gods aanschouwelijke les voor de volkeren der wereld.
Er is nog een merkwaardige tekst betreffende de verhouding van Israël tot de heidense volkeren:

‘Toen de Allerhoogste de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneenscheidde, heeft Hij de landpalen der volkeren gesteld naar het getal der kinderen Israëls.’
Deut. 38 : 2.

Kan het nog duidelijker gezegd warden? De verdeling der aarde onder de volkeren geschiedde in overeenstemming met het getal der kinderen Israëls.

3. De bewaarders van Zijn Woord

Het derde doel van God met het verwekken van dit volk was, opdat zij de schrijvers, bewaarders en overbrengers van Zijn geïnspireerde woorden zouden zijn:

‘Ziet, Ik heb u geleerd de inzettingen en rechten.., want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen der volken, die al deze inzettingen horen zullen en zeggen: Dit grote volk alleen is een wijs en verstandig volk’.
Deut. 4 : 5, 6.

Dit Schriftgedeelte behoeft nauwelijks commentaar. Niemand betwijfelt, dat de Bijbel door de Joden tot ons gekomen is, noch dat het gehele ingewikkelde systeem van de moderne beschaving — van elke beschaving, die gekenmerkt wordt door een bij de wet geregelde vrijheid — berust op de inzettingen van God, geopenbaard aan en bewaard door de kinderen Israëls. De Jood heeft ons niet alleen de sublieme waarheid geleerd, dat God een enig God is; maar hij heeft ons ook van God de Tien Geboden doorgegeven. Twijfelt u daaraan? Zoudt u mij dan kunnen vertellen, waar Mozes de Wet vandaan heeft? Hij werd onderwezen in de wijsheid der Egyptenaren — heeft hij de tien geboden van hen ontvangen? Geen sprake van; de Egyptische wetenschap kan vandaag door iedereen bestudeerd warden, maar de Wet van Mozes, of iets wat er op lijkt, is daarin niet te vinden.
Maar ik wil in dit verband ook nog iets aanhalen uit het Nieuwe Testament. Ach, ik zou willen, dat de Gemeente uit de Heidenen werkelijk geloofde wat het Nieuwe Testament zegt over de positie van de Jood in het plan van God, zowel in het verleden als in de toekomst.

‘Welk is dan het voordeel van de Jood, of welke is de nuttigheid der besnijdenis? Veel in alle manier. Want dit is wel het eerste, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd’.
Rom. 3 : 1, 2.

Dit was dus een deel van Israëls opdracht, dat zij het Woord, dat God haar toevertrouwd had, zou doorgeven aan de rest van de wereld. Geen enkele Goddelijke waarheid is tot de wereld gekomen, dan alleen door de Jood. De Bijbel, die ik in mijn handen heb, is een Joodse Bijbel. Het heeft God behaagd, om ons Zijn Woord te geven via de Joden.

4. De dragers van het beloofde Zaad

Het vierde doel van God met het uitroepen en afzonderen van dit volk, was, dat aan hen de Messiaanse belofte kon worden toevertrouwd. Met andere woorden: het was Gods raadsbesluit, dat uit dit volk zou voortkomen de grote Profeet, Priester, Koning en Verlosser voor de gehele wereld.

Ik ga nu niet in op de vraag of Jezus van Nazareth de beloofde Messias was. Ik geloof dat met geheel mijn hart; maar deze kwestie zal later aan de orde komen.

Overzicht van Israëls geschiedenis

Wij willen nu een kort overzicht geven van de geschiedenis van dit wonderbare volk. Die geschiedenis valt uiteen in verschillende perioden. Daar is in de eerste plaats de ‘genesis’ of oorsprong van het volk, in de roeping van Abraham.

1. De aartsvaders

‘De Here nu had tot Abram gezegd: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land dat Ik u wijzen zal en Ik zal u tot een groot volk maken en u zegenen en uw naam groot maken en wees een zegen en Ik zal zegenen, die u zegenen en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden’.
Gen. 12 : 1-3.

Kunt u mij een Schriftplaats noemen, waaruit blijkt, dat deze belofte niet meer van kracht is? Kunt u mij één enkel voorbeeld uit de geschiedenis geven van een volk, dat de Jood vervolgd heeft en daarvoor niet gestraft is? Als ik geen enkel ander bewijs had, dat de Bijbel door God geïnspireerd is, dan zou de letterlijke vervulling van deze laatstgenoemde belofte in de loop der eeuwen voor mij het doorslaand bewijs zijn, dat dit Boek van God is. Nimmer heeft God deze belofte herroepen. Geen volk, dat ooit de Joden vervolgde, ontkwam aan nationale ondergang. Haman werd altijd gehangen aan de galg, bereid voor Mordechai.
Hier hebben wij ook de Messiaanse belofte: ‘En in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden‘.

En zo werd Abraham, geroepen uit een ‘heidens volk, de eerste Hebreër. Hier begint de periode der aartsvaders, die voortduurt tot de Egyptische slavernij. Wij kennen allen de geschiedenis van Abraham en Izak en Jakob en Jozef. Wij weten hoe tijdens het leven van Jakob de nakomelingen van aartsvader Abraham allen naar Epypte trokken.

2. De exodus

De volgende grote gebeurtenis in de Joodse geschiedenis was de Exodus. God zond de grote man, Mozes, om Zijn volk te bevrijden. U herinnert zich de geschiedenis van de Exodus, hoe hij de twaalf stammen verloste van de slavernij van de machtige Farao; hoe hij hen voerde in de woestijn, waar zij veertig jaar rondzwierven in ‘de school van God’; en hoe uiteindelijk Jozua hen leidde in het land, beloofd aan Abraham en zijn zaad in een eeuwig verbond.
Er is in het plan van God een onverbrekelijke verbinding tussen de Joden en Palestina. Vergeet dat nooit. Het is de sleutel, die vele profetische geheimen ontsluit. Bedenk, dat het Jezus was, die zei, dat de Heilige Stad vertreden zou worden door de heidenen totdat de ‘tijden der heidenen‘ vervuld zijn.

3. De Richteren

Gevestigd in het beloofde land onder het leiderschap van Jozua, volgde de derde faze in het nationale bestaan — de tijd van de Richteren. De regering was een theocratie, bestuurd eerst door oudsten en later, toen het verval begon, door speciale bevrijders en heersers, bekend als ‘richters‘. Geen genoegen meer nemend met de regering van een onzichtbare Koning, wendde het volk zich tot Samuel, de Profeet, en vroeg hem om een Koning, gelijk de volkeren rondom hen. Gods onheilspellend antwoord was: ‘Zij hebben Mij verworpen‘. Zij kozen Saul tot koning, omdat hij de grootste en de sterkste onder hen was. Hier begon de vierde of monarchistische periode.

4. De Koningen

Ik behoef niet lang stil te staan bij deze dingen, omdat zij voor alle Bijbellezers genoegzaam bekend zijn. U zult zich herinneren, dat na Sauls val God Zelf een koning koos — David, ‘een man naar zijn eigen hart‘. Met David sloot Hij dat merkwaardige verbond, waarbij Zijn aardse troon gewaarborgd werd tot in eeuwigheid.
Onder David en Salomo, zijn luisterrijke zoon, kwam het Koninkrijk tot grote rijkdom en macht. Na Salomo’s dood werd het koninkrijk verdeeld in het tienstammenrijk (Israël) en het tweestammenrijk (Juda). Het laatste bleef in het bezit van Jeruzalem en de tempel. Toen volgde de lange geschiedenis van het verdeelde Koninkrijk — een geschiedenis van dodelijke haat en bloedige oorlogen. Bijna alle koningen van beide rijken vervielen tot afgoderij en tenslotte werden Israël en (ongeveet 200 jaar later) Juda in ballingschap weggevoerd.
Het enige lichtpunt in deze periode van het verdeelde Koninkrijk was de machtige dienst van de profeten.

5. De ‘tijden der heidenen’

Met de verwoesting van Jeruzalem en de tempel en de ballingschap van Juda begon de lange periode, die thans nog voortduurt, bekend in de Schrift als ‘de tijden der heidenen’. In het boek Daniël, de profeet van de ballingschap, vinden wij deze periode beschreven. Het beeld in de droom van Nebucadnezar (Dan. 2) toont ons deze periode van heidens standpunt; de vier dieren in het visioen van Daniël (Dan. 7) tonen ons ditzelfde tijdperk van Gods standpunt. Uit beide blijkt dat de heerschappij der heidenen zal voortduren, totdat de ‘Oude van Dagen’ zal komen en Zijn koninkrijk zal oprichten. Bedenk wel, dat het einde van het Heidendom niet zal komen door vreedzame middelen — de steen vermorzelt het heidense beeld tot stof.

6. Na 70 jaar kreeg een overblijfsel van de Joden, ongeveer 40.000 in getal, toestemming om terug te keren naar hun land en om de heilige stad, Jeruzalem, en de tempel te herbouwen. Daarmee begon de zesde historische periode. Daar in hun eigen land, maar nooit helemaal vrij (behalve voor een korte tijd onder de Maccabeeën) bleven zij tot de ver-woesting van Jeruzalem en de uiteindelijke verstrooiing van de Joden in het jaar 70 door de Romeinen onder Titus.
En toch is deze periode de meest belangwekkende in heel de lange en veelbewogen geschiedenis van het Israël Gods. Want 65 jaar voor het tragische einde van dit tijdperk werd in Bethlehem geboren de Man van Nazareth en van Golgotha, vereerd door weldenkende Joden als de grootste van hun leraars, aangebeden door ons christenen als de Zoon van God.

En nu met de verstrooiing van het jaar 70 A.D. begint de zevende en in vele opzichten het droevigste tijdperk in de gehele geschiedenis van de Joden.
Als Heiden zou ik graag aan deze periode willen voorbijgaan. In de hele geschiedenis der heidense naties is namelijk niets zo onvergeeflijk, zo onredelijk, zo schandelijk als de wijze, waarop negentien eeuwen lang de Joden zijn behandeld door mensen, die zich ‘christenen’ noem-den. Als de Jood de naam ‘Christen’ niet haat, dan komt dat alleen, omdat hijzelf de meest vergevensgezinde en meest verdraagzame mens is. Maar toch wil ik in dit verband met nadruk verklaren, dat geen enkele ware Christen ooit aan deze vervolgingen he,eft meegedaan. Het is de afvallige kerk, die zich aan deze vreselijke schanddaden schuldig maakte.

Er zijn vandaag ongeveer 13 miljoen Joden in de wereld. Waar zijn zij? Zij zijn verstrooid onder alle volkeren der aarde. Er is geen land ter wereld, of u zult er Joden ontmoeten.
In het begin van deze beschouwing wees ik er reeds op, dat de Schrift het mysterie van de Jood verklaart, en dat dz., Jood op zijn beurt altijd en overal de Schrift bevestigt. De wereldwijde verstrooiing van het Joodse volk is een duidelijke illustratie van deze tweevoudige waarheid. Lees de hoofdstukken 28, 29 en 30 van het boek Deuteronomium. Hoewel geschreven meer dan 3000 jaar geleden, in de woestijn van Moab, dus vóórdat de twaalf stammen ook maar één voet in het beloofde land gezet hadden, bevatten deze merkwaardige hoofdstukken in profetische vorm een overzicht van de gehele geschiedenis van het uitverkoren volk vanaf die tijd tot op heden — eindigend met een profetie, die tot in details de toestand beschrijft, waarin Israël tot op de huidige dag verkeert.

Zie, hoe letterlijk deze eeuwenoude profetie in vervulling is gegaan. Eerst komt de belofte van grote welvaart en zegen, als Israël gehoorzaam is aan Gods geboden.

En het zal geschieden, indien gij de stem des Heren uws Gods vlijtig zult gehoorzamen, waarnemende te doen al Zijn geboden, die Ik u heden gebied. Zo zal de Here uw God, u hoog zetten boven alle volken der aarde‘.
Deut. 28 : 1.

Dan komen de waarschuwingen voor de oordelen, die volgen zouden, als Israël ongehoorzaam zou zijn aan Gods inzettingen.

‘Indien gij niet zult waarnemen te doen al de woorden dezer wet . . . zo zal de Here uw plagen wonderlijk maken… Hij zal op u doen keren alle kwalen van Egypte . . . totdat gij verdelgd wordt . . .
En gij zult met weinige mensen overgelaten worden, omdat gij de stem des Heren uws Gods niet gehoorzaam geweest zijt…
En gij zult uitgerukt worden uit het land, waar gij naar toe gaat om dat te erven . . .
En de Here zal u verstrooien onder alle volken, van het ene einde tot het andere einde der aarde .. .
Daartoe zult gij onder de volken niet stil zijn, en uw voet zal geen rust hebben; want de Here zal u aldaar een bevend hart geven, en bezwijking der ogen en matheid der ziel. En uw leven zal tegenover u hangen en gij zult nacht en dag schrikken, en gij zult van uw leven niet zeker zijn’.

Deut. 28 : 58-66.

Het is verwonderlijk, hoe nauwkeurig deze Schriftplaats in vervulling is gegaan. Als u de geschiedenis van de verstrooide Joden in de laatste negentien eeuwen bestudeert, dan zult u ontdekken, dat Joodse be-volkingsgroepen overal ter wereld jammerlijk vervolgd werden. Hier en daar en in elke eeuw werden zij gediscrimineerd, verdrukt en opge-jaagd. Het was precies, zoals Mozes profeteerde: ‘Gij zult onder die volken niet stil zijn, en uw voetzool zal geen rust hebben’. Moeten wij
nog herinneren aan de verschrikkingen van de concentratiekampen van Nazi-Duitsland tijdens de tweede wereldoorlog? Het is een gruwelijk feit, dat in onze eeuw ongeveer zes miljoen Europese Joden in Hitlers gaskamers genadeloos zijn vernietigd. En nog is aan het nameloos lijden van de ‘wandelende Jood’ geen einde gekomen. Ook in onze dagen steekt het afschuwelijk monster van anti-semitisme en Joden-haat tel-kens weer zijn kop op. In Rusland wonen vandaag ongeveer vier mil-joen Joden, en ons hart schreit, als wij denken aan het lot van deze zonen en dochters van Abraham, Izak en Jakob.

Een merkwaardig verschijnsel is nog, dat het vooral de orthodoxe Joden waren, die in vroegere eeuwen vervolgd werden.
In landen, waar de Joden met rust gelaten en door de wet beschermd werden, kwamen zij dikwijls tot grote welvaart, zodat zij langzamer-hand hun geloof in de profetieën verloren en ook hun verlangen om naar het beloofde land terug te keren.

Moge Israël in rust en vrede Gods tijd afwachten. Een ding staat on-herroepelijk vast: Gods tijd voor Israëls herstel zal zeker komen; want Hij heeft het gezworen!
Dit was dan een korte beschrijving van het bewogen verleden van het volk Israël.

II. lsraëls toekomst

Want ik wil niet, broeders dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt bij uzelf) dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der Heidenen zal zijn ingegaan. En alzo zal geheel Israël zalig worden.
Rom. 11 : 25, 26.

Israël is het enige volk ter wereld, dat de Heilige Geest van God tot Geschiedschrijver heeft. En het wonderlijke is, dat de Heilige Geest geschiedenis schrijft ver voor de gebeurtenissen werkelijk plaats hebben. Het door de Heilige Geest geinspireerde ‘Profetische Woord’, is toekomstige geschiedenis. Mensen kunnen wel in het verleden, maar niet in de toekomst blikken. Voor God echter zijn verleden en toekomst één eeuwig heden. En het heeft Hem behaagd, om door de mond van Zijn profeten de toekomst en de uiteindelijke bestemming van Zijn verbondsvolk bekend te maken, lang vóór de vervulling daarvan.

Het Profetische Woord

Willen wij iets weten omtrent de toekomst van Israël, dan behoeven we dus niet de toevlucht te nemen tot ijdele, nutteloze, menselijke bespiegelingen. Wij hebben slechts het ‘Profetische Woord’ te onderzoeken, dat ‘zeer vast’ is. Laten wij thans het getuigenis van de Heilige Geest, gesproken door de mond der profeten, aandachtig bestuderen en trachten, om de voorspelde gebeurtenissen in de juiste volgorde te rangschikken. Dat is een eenvoudige methode en het resultaat is zeker. De profetieën zijn zeer talrijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Wij hebben het alleen aan onszelf te wijten, als wij niet met absolute zekerheid — althans wat de grote lijnen betreft — de toekomst kennen, die Israël niet rasse schreden tegemoet snelt.
Het deert ons niet, dat de toekomstvoorspellingen van de Heilige Schrift velen onwelkom zijn. Of men het prettig vindt of niet — alle volkeren der aarde en elke federatie van volken bewegen zich onverbiddelijk in de richting van het grote ‘rendez-vous’, de verzamelplaats (Armageddon!), die God tevoren bepaald heeft. Als het uur is aangebroken, zullen alle volken en personen, die daar volgens de profeten verwacht worden, aanwezig zijn.

God heeft in Zijn raad besloten, dat Zijn volk Israël eenmaal volledig hersteld zal worden in het Heilige land Palestina. De ‘wandelende Jood’ zal eindelijk rust voor zijn voet vinden in zijn eigen vaderland. Israël gaat een schitterende toekomst tegemoet en zal straks aan de spits der naties staan. Geen weerzin of verzet van mensen, ja geen macht ter wereld, zal de uitvoering van Gods raadsbesluit ook maar één uur kunnen vertragen. Hét zal geschieden, gelijk de Here gesproken heeft. Ja, ‘de ijver van de Here der heerscharen zal zulks doen!’

De uitlegging der profetieën

Alvorens nu verder te gaan, willen wij eerst een enkel woord wijden aan de wet van profetische Schriftverklaring, d.w.z., de wijze, waarop de Oud-Testamentische profetieën verklaard moeten worden. Er zijn vele theologen, zowel onder Joden als Christenen, die beweren, dat de onvervulde profetieën niet letterlijk opgevat, maar figuurlijk of ‘geestelijk’ verklaard moeten worden. Christelijke exegeten, die deze gedachte zijn toegedaan, maken het zich al heel gemakkelijk: alle uitspraken van vloek en straf moeten, volgens hen letterlijk genomen worden en zijn dus van toepassing op Israël; terwijl de beloften van voorspoed en zegen ‘geestelijk’ opgevat moeten worden en dus bestemd zouden zijn voor de Gemeente. Op deze wijze worden dan alle moeilijkheden rondom de uitlegging der profetieën netjes omzeild en wordt bovendien het Christendom op een voetstuk gesteld.

Vele Joodse Bijbelgeleerden passen de allegorische methode toe op de profetieën, die betrekking hebben op de komst van de Messias. Zij beweren, dat met deze Messiaanse profetieën niet een persoonlijke Messias bedoeld wordt, maar dat zij van toepassing zijn op het Joodse volk. Op deze wijze wordt feitelijk het gehele Messiaanse element uit de profetische Schriften weggenomen. Schriftplaatsen, die spreken over de vernedering en het lijden van de Messias, hebben volgens hen betrekking op het lijden en de verdrukking van het verstrooide en vervolgde Joodse volk. De prachtige profetische schildering van de toekomstige regering van de Messias over een verloste en bevrijde aarde, met Israël aan de spits der naties, wordt verklaard Cd met de tegenwoordige voorspoed van de Joden in sommige landen, ()f met de verwezenlijking van de Zionistische idealen in de huidige staat Israël.
Maar de slachtoffers van Joden-vervolging en anti-semitisme in vele landen van de wereld vandaag, zullen toch moeilijk kunnen geloven, dat zij thans in de Messiaanse eeuw van geluk en voorspoed leven.

„Geestelijk” of „letterlijk”?

Hoe deze ‘vergeestelijkings-methode’ ook door Joden of Christenen wordt toegepast, wij kunnen er alleen maar van zeggen, dat God deze eigenmachtige Schrift-uitlegging al eeuwen geleden weerlegd heeft. Hij heeft de profetieën verklaard door ze in vervulling te doen gaan.
De vervulling is nog altijd de enige juiste verklaring van de profetie.
Uit de wijze, waarop de reeds vervulde profetieen in vervulling gingen, kunnen wij opmaken, hoe de nog onvervulde profetieen vervuld zullen worden. De vraag is dus: hoe vervulde God in het verleden de profetie? Beantwoordde de vervulling aan de voorspelling in ‘figuurlijke’ en ‘geestelijke’ zin, of in letterlijke zin. De Here zei bijvoorbeeld tot Abra- ham: ‘Want voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat van hen niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaar . . . en daarna zullen zij uittrekken met grote have
(Gen. 15 : 13, 14). Wat bedoelde God met deze woorden? Bedoelde Hij, dat Abrahams nakomelingen een ‘geestelijke’ beproeving zouden doormaken, waaronder zij zeer zouden lijden en waaruit zij uiteindelijk ‘geestelijk’ rijker tevoorschijn zouden komen? Of bedoelde Hij het precies, zoals Hij het gezegd had? Laten de bouwwerken’van Egypte en de ruïnes van de schatsteden maar antwoorden! Er was niets ‘figuurlijks’ in de zweepslagen van de Egyptische slavendrijvers, niets ‘geestelijke’ in het bakken van de tichelstenen.

Toen Jehova Israël waarschuwde, dat het gevolg van ongehoorzaamheid in het beloofde land wereldwijde verstrooiing zou zijn, met verschrikkelijke en aanhoudende vervolgingen, wat bedoelde Hij daarmee? Leg de profetie van Deuteronomium naast de geschiedenis van het Joodse volk, en u zult het antwoord vinden: God bedoelde het precies, zoals Hij het gezegd had.

En zo zou ik nog vele andere profetieën kunnen aanhalen, die zonder uitzondering op de meest letterlijke wijze in vervulling gingen. Natuurlijk komen er ook beelden en visioenen in de profetische Schriften voor; maar we kunnen er zeker van zijn dat de dingen, die door een visioen werden uitgebeeld, eveneens letterlijk in vervulling zullen gaan. De geschiedenis beantwoordt aan de profetie zoals de was aan het zegel.

Wij hebben dus een goddelijke wet voor de uitlegging van de profetieën. Hierover valt niet te disputeren. Hetzelfde principe vinden wij in de exacte wetenschappen bij de ontdeklcing van een natuurvvet. Een na-tuurwet berust op onveranderlijke verschijnselen. De wet der zwaarte-kracht berust op het feit, dat lichamen, die gewicht hebben, naar beneden vallen. De wet voor de uitleg der profetieën berust op de onver-anderlijkheid van Gods raadsbesluiten. Wij wenden ons dus tot de profeten niet als mensen, die hieroglyphen moeten ontcijferen of sfinxen moeten laten spreken, maar als tot een duidelijk en ondubbelzinnig woord, het Profetische Woord, dat, volgens de apostel Petrus ‘schijnt als een licht in een duistere plaats‘.

De Profetie van Mozes

De eerste profetie, die ik wil aanhalen, vinden we in Deuteronomium 30 : 1-8.
Bedenk daarbij wel, dat deze profetie een onderdeel is van de afscheid-rede van Mozes, voordat hij de berg Nebo beklom, waar hij van God de kus des doods ontving. In hoofdstuk 28 en 29 werd het volk zeer ernstig gewaarschuwd, dat het gevolg van ongehoorzaamheid aan Gods geboden onverbiddelijk zou betekenen: verlies van het land waarheen zij op reis waren, verstrooiing onder alle volken en onvoor-stelbaar lijden.

Daartoe zult gij onder die volken niet stil zijn en uw voet-zool zal geen rust hebben; want de Here zal u daar een bevend hart geven en bezwijking der ogen en matheid der ziel. En uw leven zal tegenover u hangen; en gij zult nacht en dag schrikken en gij zult van uw leven niet zeker zijn. Des morgens zult gij zeggen: Och, dat het avond ware! vanwege de schrik uws harten, waarmee gij zult verschrikt zijn, en vanwege het gezicht uwer ogen, dat gij zien zult’.
(Deut. 28 : 65-67).

Tegen deze donkere achtergrond schitterde de heerlijke en stralende belofte:

‘Voorts zal het geschieden, wanneer al deze dingen over u gekomen zijn, deze zegen of deze vloek, die Ik u voorgesteld heb, zo zult gij het weder ter harte nemen, onder alle volken, waarheen u de Here, uw God, gedreven heeft; en gij zult u bekeren tot de Here, uw God, en Zijner stem gehoorzaam zijn, naar alles, dat Ik u heden gebied, gij en uw kinderen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel. En de Here, uw God, zal uw gevangenis wenden en zich uwer ontfermen en Hij zal u wedervergaderen uit al de volken, waarheen u de Here uw God, verstrooid had; Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, vandaar zal u de Here, uw God, vergaderen en vandaar zal Hij u nemen. En de Here, uw God, zal u brengen in het land, dat uw vaderen erfelijk bezeten hebben, en gij zult dat erfelijk bezitten en Hij zal u weldoen en zal u vermenigvuldigen boven uw vaderen. En de Here, uw God, zal uw hart besnijden en het hart uws zaads, om de Here, uw God, lief te hebben met uw ganse hart en met uw ganse ziel, opdat gij leeft. En de Here, uw God, zal al die vloeken leggen op uw vijanden en op uw haters, die u vervolgd hebben. Gij dan zult u bekeren en der stem des Heren gehoorzaam ..zijn en gij zult doen al Zijn geboden, die Ik u heden gebied’.
Deut. 30 : 1-8).

Uit dit Schriftgedeelte kunnen wij drie conclusies trekken:

  1. Het heeft geen betrekking op de Babylonische ballingschap; want de verstrooiing, waarvan hier gesproken wordt, is een verstrooiing ‘onder alle volken‘;
  2. Jehova vergadert Zijn volk ‘uit alle volken’;
  3. Hij brengt hen in het land, dat hun vaderen bezeten hebben.

Iedereen weet, dat dit land Palestina is. Hier hebben wij dus een heel duidelijke openbaring van het doel Gods, om Zijn oude volk weer in hun eigen land te planten.

De Profetie van Jesaja

Met voorbijgaan aan de vele Psalmen, die zinspelen op het komende Messiaanse Vrederijk, komen wij thans tot Jesaja. Hier en in de andere profetische boeken wordt het werkelijk moeilijk om een keus te maken uit de veelheid van Schriftplaatsen, die wij in verband met ons onder-werp kunnen aanhalen. Als wij de uitspraken van de profeten, die een meer plaatselijke en nabije vervulling hadden, buiten beschouwing laten, dan mogen wij wel zeggen, dat minstens tachtig procent van de resterende voorzeggingen op één of andere wijze betrekking hebben op het toekomstig volledig herstel van Israël. Neem als voorbeeld het getuigenis van Jesaja in hoofdstuk 2 : 2-4.

En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des Heren zal vastgesteld zijn op de top der bergen . . . en tot dezelve zullen alle Heidenen toevloeien. En vele volken zullen heengaan en zeggen: ‘Komt laat ons opgaan tot het huis van de God Jacobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen . . . Want uit Zion zal de wet uitgaan en des Heren Woorden uit Jeru. zalem. En Hij zal richten onder de Heidenen .. . zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden . . . en zij zullen geen oorlog meer leren‘.

Het is wel bekend, dat de ‘vergeestelijkers’ deze profetie toepassen op de Gemeente. Het afdoende antwoord is echter, dat Jesaja uitdrukke-lijk zegt, dat het slaat op Juda en Jeruzalem.

In hoofdstuk 11 : 11 en 12 wordt de voorspelling nog duidelijker om-schreven:

Want het zal geschieden te dien dage, dat de Here ten anderen male Zijn hand zal aanleggen om weder te ver-werven het overblijfsel Zijns volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrië en van Egypte en van Patros en van Morenland en van Elam en van Sinear en van Hamath en van de eilanden der zee: en Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen Israëls ver-zamelen en de verstrooiden uit Juda vergaderen van de vier einden des aardrijks‘.

Commentaar op zulk een duidelijke uitspraak is eigenlijk overbodig. Ik wil slechts uw aandacht vragen voor de verklaring van de profeet, dat het hier voorspelde herstel van Israël ten anderen male’ (letterlijk: ‘voor de tweede maal’) zal zijn. Deze profetie kan onmogelijk betrekking hebben op het gedeeltelijk herstel (voor de eerste maal) uit de Babylonische ballingschap onder Ezra en Nehemia. Er wordt hier immers niet gesproken van een bevrijding uit Assyrie alleen, maar over de hervergadering van het Joodse volk uit een wereldwijde verstrooiing. Bovendien profeteert Jesaja het herstel van geheel Israël, zowel van de tien stammen als van de twee stammen. Ezra en Nehemia hebben alleen maar een klein overblijfsel van Juda met een aantal Levieten teruggebracht.

In Jesaja 14 wordt een belangrijke bijzonderheid toegevoegd aan de profetie betreffende het herstel van Israël, namelijk, dat het zal zijn ‘in hun eigen land’. Let ook op de heerlijkheid, die in dit Schriftgedeelte voorspeld wordt, voor het zo lang verstrooide en vervolgde Israël. Dit kan onmogelijk slaan op het gedeeltelijk herstel aan het einde van de zeventig jaren van Babylonische ballingschap. Lees maar, hoe Nehemia klaagde over de ellendige toestand van de teruggekeerde ballingen in het heilige land:

‘Zie, wij zijn heden knechten, ja het land, dat Gij onze vaderen gegeven hebt, om de vrucht van die en het goede van die te eten, zie, daarin zijn wij knechten.’
Neh. 9 : 36.

De Profetie van Jeremia

Er zijn nog vele andere pertinente uitspraken van Jesaja, maar wij willen ons thans wenden tot Jeremia. Wij lezen in hoofdstuk 16 : 14, 15:

Daarom, zie, de dagen komen, spreekt de Here, dat er niet meer gezegd zal worden: De Here leeft, die de kinderen Israëls uit Egypteland heeft opgevoerd; maar: de Here leeft, die de kinderen Israëls heeft opgevoerd uit het land van het Noorden, en uit alle landen, waarheen Hij hen had verdreven; Want Ik zal hen wederbrengen in hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb‘.

Hier vinden we een vooruitgang. Het herstel wordt nu vergeleken met de bevrijding uit Egypte. Maar hoe wonderbaar de ‘exodus’ ook geweest moge zijn, dit uiteindelijk werk van God voor Israël zal de uittocht uit Egypte zo in macht en heerlijkheid overtreffen, dat er niet meer gezegd zal worden: ‘de Here leeft, die de kinderen Israëls uit Egypteland heeft opgevoerd‘. Ook hier is duidelijke sprake van een herstel uit een wereldwijde verstrooiing. En het ‘land‘ wordt hier genoemd: ‘hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb‘. Niet de Verenigge Staten, niet Engeland, niet enig ander land, waar de Joden tijdelijk vrede en voorspoed mogen hebben, maar Palestina.

Men kan onmogelijk in ernst beweren, dat deze profetie reeds in vervulling is gegaan bij de terugkeer van minder dan 50.000 man in de dagen van Ezra en Nehemia en dat deze gebeurtenis in macht en schittering de verbazingwekkende gebeurtenissen van de uittocht uit Egypte heeft overtroffen.

Dezelfde vergelijking vinden wij in Jerernia 23 : 7 en 8.

Het herstel van Israël is het telkens terugkerende thema van Jeremia, de ‘wenende profeet’. Het lijkt wel, alsof Jehova Zijn profeet, die zulk een droevige dienst had te vervullen, heeft willen troosten en bemoedigen door de dikwijls herhaalde visioenen betreffende de uiteindelijke heerlijkheid van Israël.

De Profetie van Ezechiél

Ik kan slechts een ogenblik stilstaan bij de machtige visioenen van Ezechiel. Het is kenmerkend, dat hij het herstel van Israël ziet in verband met reinigende en louterende oordelen.

Want ik zal u uit de volken voeren en u vergaderen uit de landen, waarin gij verstrooid zijt door een sterke hand en door een uitgestrekte arm en door een uitgegoten grimmigheid. Daartoe zal Ik u brengen in de woestijn der volken, en Ik zal met u aldaar richten, aangezicht aan aangezicht; gelijk als Ik gericht heb met uw vaderen in de woestijn van Egypteland, alzo zal Ik met u richten, spreekt de Here Here, en Ik zal u onder de roede doen doorgaan en Ik zal u brengen onder de band des verbonds. Daartoe zal Ik die wederspannig zijn en die tegen Mij overtreden, uit u uitzuiveren. Ik zal hen uit het land hunner vreemdelingschap-pen uitvoeren en zij zullen in het landschap Israëls niet wederkomen en gij zult weten, dat Ik de Here ben.

Want op Mijn heilige berg, op de hoge berg Israëls, spreekt de Here Here, daar zal Mij het ganse Huis Israëls in het land dienen, zij allen; daar zal Ik welgevallen aan hen nemen daar zal Ik uw hefofferen eisen en de eerstelingen uwer heffingen met al uw geheiligde dingen. Ik zal een welgevallen aan u nemen om de liefelijke reuk, wanneer Ik u van de volken uitvoeren en u vergaderen zal uit de landen, waarin gij zult verstrooid zijn, en Ik zal in u geheiligd worden voor de ogen der Heidenen. En gij zult weten, dat Ik de Here ben, als Ik u in het landschap Israëls gebracht zal hebben, in het land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb om het uw vaderen te geven.
(Ez. 20 : 34-44).

Het visioen van het dal der dorre doodsbeenderen (Hfdst. 37) ver-Maart zichzelf, als wij op het verband letten. Van de ‘beenderen’ wordt uitdrukkelijk gezegd, dat zij ‘het ganse huis Israëls’ zijn, juist in de tijd dat zij zullen zeggen ‘onze verwachting is verloren’. Verwondert het u, dat ik moet denken aan dit visioen, als ik vele Joden vandaag hoor zeggen: ‘Wij verwachten geen persoonlijke Messias’? Wat is dat anders dan de vervulling van Ezechiel, dat voor het wonderbare herstel de nationale hoop zal worden opgegeven — ‘onze verwachting is verloren‘. Het visioen eindigt met deze stellige belofte:

En Mijn knecht David zal Koning over hen zijn, en zij zullen allen tezamen één Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen en Mijn inzettingen bewaren en die doen. En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jacob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hunne kinderen en hunne kindskinderen tot in eeuwigheid. En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en lk zal hen inzetten en zal hen vermenigvul-digen, en lk zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid, en Mijn tabernakel zal bij hen zijn, en lk zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn, en de Heidenen zullen weten, dat lk de Here ben, die Israël heilig, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot iru eeuwigheid.
(Ez. 37 : 24-28).

Hier hebben wij een duidelijke aankondiging van het herstel van het Davidische koninkrijk; de belofte, dat de tien en de twee stammen niet langer verdeeld zullen zijn in twe,e koninkrijken, en dat het aardse centrum van de aanbidding van God in Jeruzalem zal zijn. Rome is in zekere zin vandaag de godsdienstige hoofdstad van de wereld. Als Israël hersteld is, zal Jeruzalem dat centrum zijn.

De Profetie van Daniël

Als wij nu komen bij het boek Daniël, dan vinden wij daarin een pro-fetisch overzicht van het gehele verloop van de ‘tijden der Heidenen’. Wij hebben in dit boek twee overzichten, het eerste in de vorm van een droom en het tvveede in de vorm van een visioen. Nebukadnezar, de heidense koning, met wie ‘de tijden der Heidenen’ begonnen, ziet de geschiedenis van het heidendom (de heidense wereldoverheersing) in de droom van het grote statenbeeld (Dan. 2). Daniël legt deze droom uit. Het hoofd van goud is Nebukadnezar zelf; de borst en armen van zilver stellen het Medo-Perzische wereldrijk voor; de buik en lendenen van koper het Griekse wereldrijk van Alexander de Grote; de benen van ijzer het Romeinse wereldrijk. De voeten en tenen, deels van ijzer en deels van leem, wijzen op ‘tien koningen, die zullen opstaan’ en die samen een verbond zullen sluiten onder één hoofd, (het ‘beest’ van Op. 13). Maar dan lezen wij dat ‘in de dagen van die koningen de God des hemels een koninkrijk zal verwekken’. Dat is, zoals wij later zullen zien, het Davidische en Messiaanse koninkrijk, waarover Ezeohiël en de andere profeten hebben gesproken. De heidense wereldoverheersing begint dus met Nebukadnezar en zal voortduren tot aan het herstel van Israël.

De tweede openbaring betreffende de heidense wereldregering vinden we in het visioen van Daniel. Hij zag de vier opeenvolgende heidense wereldrijken in de vorm van vier wilde dieren. Deze dieren geven het ‘beestachtig’ karakter van de heidense wereldmachten weer, terwijl het beeld van Nebukadnezar hun duur en hun uiterlijke pracht toont. Wat is het karakter van wilde dieren? Roofzuchtig, zelfzuchtig en bloeddorstig. Merkwaardig genoeg heeft de geschiedenis ook in dit opzicht de profetie bevestigd. Elke heidense macht heeft als symbool een roofdier, zoals een leeuw, beer, luipaard of adelaar. Nooit een lam of een duif.

Dit is Daniels getuigenis. Pas in het laatste hoofdstuk ziet Daniel de volkomen verlossing en het volledig herstel van Israël, en dan in verband met de ‘Grote Verdrukking’.

En te dien tijde zal Michael opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen Uws volks staat; als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, tot op die tijd toe; en te dien tijde zal Uw volk verlost worden, al wie bevonden wordt geschreven te zijn in het boek‘.
Dan. 12 : 1.

De ruimte ontbreekt om de andere profeten nog aan het woord te laten, wat betreft het herstel en de toekomst van Israël. Wij kunnen u slechts aanraden om nog te lezen: Joel 3 : 1, 2; 17-21; Amos 9 : 1115; Midha 4 : 1-7; Zef. 3 : 16-20.

De Profetie van Zacharia

Zacharia spreekt meer over het resultaat dan over het feit van Israëls herstel, hoewel dat ook duidelijk door hem wordt aangekondigd. Evenals de andere profeten leert hij, dat pas na het herstel van Israël de Heidenen tot bekering zullen komen.

Alzo zegt de Here der heerscharen: nog zal het geschieden, dat de volken en inwoners van vele steden komen zullen . . Alzo zullen vele volken en machtige heidenen komen om de Here te zoeken te Jeruzalem . . . Het zal in die dagen geschieden, dat tien mannen uit allerlei tongen der Heidenen, de slip grijpen zullen van een Joodse man, zeggende: wij zullen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is‘.
Zach. 8 : 20-23.

De Profetieën van het Nieuwe Testament

Thans rest ons nog aan te tonen, dat de leer omtrent het herstel van Israël, niet alleen in het Oude Testament, maar ook in het Nieuwe Testament te vinden is.

In de klacht van Jezus Christus over Jeruzalem, verklaart Hij nadrukkelijk, dat de Heilige stad ‘door de Heidenen vertreden’ zal worden tot aan het moment, dat zij zullen uitroepen ‘Gezegend is Hij, die komt in de Naam des Heren‘ (Matth. 23 : 37-39). Er is dus een duidelijk ‘totdat‘. Hetzelfde vinden wij in de profetische rede van de Heiland in Lukas 21 : 24.

En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal door de Heidenen vertreden worden totdat de tijden der Heidenen vervuld zijn‘.

Dit is niet alleen maar een vanzelfsprekende gevolgtrekking, maar een uitdrukkelijke verklaring, dat de tijdsduur van de vertreding van Jeruzalem beperkt is.
In Handelingen 15 : 14-17 onthult de apostel Jacobus, sprekend tot het apostelconvent in Jeruzalem, het Goddelijk programma voor deze bedeling en het begin van de volgende.

De volgorde der gebeurtenissen is duidelijk. In deze bedeling vergadert God Zich een volk uit de heidenen: d.i. de Gemeente. ‘Na dezen’ zal, volgens Jacobus’ aanhaling uit de profetie van Amos, de Messias wederkomen, en in Zijn eigen Persoon de dynastie van David herstellen, en daarna zal de bekering van de heidenen plaats hebben. Zacharia toont ons, dat deze bekering der heidenen het gevolg zal zijn van de zendingsactiviteit der Joden.

Het 11e hoofdstuk van Romeinen is een uitvoerige bespreking van de verhouding van Israël tot deze bedeling in verband met de beloften aan de vaderen. Er wordt uitdrukkelijk verklaard, ‘dat God Zijn volk niet verstoten heeft‘; dat ‘de verharding voor een deel over Israël gekomen is,‘ totdat de volheid der Heidenen zal ingegaan zijn‘ en dat ‘geheel Israël zalig zal worden‘ door de verschijning van de Verlosser uit Zion.

Ik hoop u vanuit de profetische Schriften duidelijk gemaakt te hebben, dat het Joodse volk — eeuwen lang verstrooid en vervolgd — nog een machtige en wonderbare toekomst tegemoet gaat. Het zal volledig hersteld worden in het land, waaruit zij eens verdreven werden; het zal staan onder de volken ‘tot een hoofd en niet tot een staart’ (Deut. 28 : 13); en het zal het kanaal van Gods zegen worden voor alle volken der aarde.

De huidige staat „Israël”

De oprichting van de nieuwe staat ‘Israël’ in het Midden Oosten in 1948 betekent een nieuwe en belangrijke factor in de uitleg van de Bijbelse profetieën. Alle ‘vergeestelijkings-theorieën’ zijn daarmee voorgoed gelogenstraft. Het is een duidelijke bevestiging, dat de voorspellingen der geinspireerde profeten letterlijk genomen moeten worden. Wij zijn bij de uitleg van de Bijbelse profetieën niet meer geheel afhankelijk van het profetische Woord voor onze hoop op Israëls herstel. Voor de ogen van de gehele wereld is het schijnbaar onmogelijke werkelijkheid geworden. Een volk, meer dan twee duizend jaar verstrooid, is teruggekeerd in het land, waaruit hun voorvaderen verdreven werden. Heel de wereld moet erkennen het gedeeltelijk en nationaal herstel van Israël en de herleving van Israëls cultuur en godsdienst. De stormachtige ontwikkeling van de nieuwe staat Israël, hoewel omringd door vijandige buurstaten, is een modern wereldwonder. Niemand kan vandaag nog zeggen, dat de terugkeer en het herstel van het Joodse volk een onmogelijkheid is. Het is in onze generatie een feit geworden als een machtig en onweerlegbaar bewijs, dat de Bijbel altijd gelijk heeft. Hoewel wij de huidige staat Israël niet zien als een directe vervulling van Gods beloften betreffende Israëls herstel, zien wij haar wel als een zeer duidelijke vervulling van Gods profetieën. Het volledig herstel van Israël wacht op de bekering van dit volk. En dat zal pas geschieden bij de wederkomst van Christus. Thans zijn de Joden in ongeloof teruggekeerd naar hun land. Zolang zij nog in ongeloof blijven, kan God Zijn beloften aan hen niet waarmaken. Maar deze terugkeer in ongeloof is in de Schrift duidelijk voorspeld en betekent dus de vervulling van talrijke profetieën. De ‘dorre doodsbeenderen’ van Ezechiels visioen kwamen in beweging en voegden zich bij elkander, maar er is nog ‘geen geest’ in hen.
De staat Israël is een bewijs, ‘dat het profetische Woord zeer vast is’. De verdorde vijgeboom van Israël is in onze dagen gaan uitbotten. Dit is een teken des tijds, waaruit wij kunnen opmaken, dat het zeer laat is op Gods profetische klok voor Israël, en dat het uiteindelijk volledig geestelijk en nationaal herstel van Zijn volk in Zijn land voor de deur staat. En omdat dit herstel volgens de profeten onlosmakelijk verband houdt met de persoonlijke verschijning en tussenkomst van de goddelijke Zoon van David, de Messias, is er maar één conclusie: de komst des Heren is nabij! Maar dat is het thema van een volgende brochure: De Messiaanse kwestie.

Updated: July 11, 2018 — 1:10 pm
My CMS © 2018 Frontier Theme